CBb, 17-12-2024, nr. 23/182
ECLI:NL:CBB:2024:920
- Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum
17-12-2024
- Zaaknummer
23/182
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CBB:2024:920, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17‑12‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:CBB:2024:32, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30‑01‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Wetingang
- Vindplaatsen
AB 2025/161 met annotatie van L.J.A. Damen
FED 2024/35 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ
AB 2024/97 met annotatie van R. Ortlep
Sdu Nieuws Bestuursrecht 2024/158
Uitspraak 17‑12‑2024
Inhoudsindicatie
ATE – beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ten aanzien van drie evenementen die langer dan 15 dagen hebben geduurd, heeft de minister opgemerkt dat hij een fout heeft gemaakt. Het College ziet geen reden om daaraan te twijfelen. Dat de minister in deze gevallen wist dat de werkelijke duur van de evenementen veel langer was dan 15 dagen en dat het geen fout is geweest, maar een bewuste keuze om af te wijken van het bepaalde in de ATE, heeft de onderneming niet aannemelijk gemaakt. Dit geldt ook voor de stelling van de onderneming dat het verlenen van subsidie voor evenementen met een langere duur, de normale praktijk was. Het beroep slaagt dan ook niet omdat volgens de rechtspraak van het College het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een bestuursorgaan is gehouden een eerder in een beperkt aantal gevallen gemaakte fout te herhalen.
Partij(en)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/182
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. L. van Kasteren)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. T. Khidous en mr. P. van Veen)
Procesverloop
Met het besluit van 30 juni 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) afgewezen.
Met het besluit van 8 november 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Een meervoudige kamer van het College heeft de zaak verwezen naar een grote kamer.
Met de beslissing van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:32) heeft de grote kamer van het College het onderzoek heropend en de zaak naar een meervoudige kamer verwezen.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 11 november 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de onderneming [naam 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
2.1
De onderneming is de organisator van een winterevenement in [plaats] . Dat evenement zou plaatsvinden van 2 december tot en met 31 december 2021 onder de beperkingen die het kabinet toen had afgekondigd in het kader van de COVID-19 pandemie. Op 19 december 2021 moest het evenement worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod. Volgens de onderneming is het evenement afgesloten met een verlies van ruim € 330.000,-.
2.2
De onderneming heeft in verband daarmee een aanvraag om subsidie op grond van de ATE ingediend. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat het evenement niet onder de ATE valt. De regeling is bedoeld voor evenementen die plaatsvinden binnen een periode van 15 dagen, zoals blijkt uit artikel 1 van de ATE. Het evenement van de onderneming duurde langer dan 15 dagen. Binnen de ATE bestaat geen mogelijkheid om, als niet aan de voorwaarden is voldaan, toch een subsidie toe te kennen. De ATE bevat geen hardheidsclausule. De onderneming is het niet met de afwijzing eens. Zij is van mening dat deze afwijzing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Oordeel van het College
3.1
Tussen partijen is niet in geschil dat het evenement van de onderneming niet zou plaatsvinden binnen een periode van 15 dagen en daarmee niet voldoet aan de definitie van ‘evenement’ zoals bepaald in artikel 1 van de ATE. De minister moet de subsidieaanvraag dan afwijzen op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (vergelijk de uitspraak van het College van 6 augustus 2024, ECLI:NL:CBB:2024:544).
3.2
Volgens de onderneming is de afwijzing in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat andere evenementen wel subsidie hebben gekregen terwijl die langer duurden dan 15 dagen. De onderneming heeft ter onderbouwing daarvan een aantal evenementen genoemd die, uitgaande van door haar op internet gevonden aankondigingen daarvan, langer dan 15 dagen zouden hebben geduurd.
3.3
In reactie daarop heeft de minister onderzoek gedaan naar die evenementen, en heeft hij erkend dat hij in drie gevallen subsidie heeft verleend terwijl (de organisatoren van) die evenementen daar eigenlijk geen recht op hadden. Volgens de minister gaat het gelijkheidsbeginsel echter niet zo ver dat hij op grond daarvan verplicht is om eerder gemaakte fouten te herhalen. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van het College van 16 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:15).
3.4
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt naar het oordeel van het College niet. De minister heeft er op gewezen dat in drie van de door de onderneming genoemde gevallen uit de bij de betreffende aanvraag gevoegde stukken is gebleken dat subsidie werd aangevraagd voor een evenement met een duur van niet meer dan 15 dagen, zodat in zoverre geen sprake is van gelijke gevallen. Ten aanzien van één geval heeft de minister uiteengezet dat hij het subsidiebesluit alsnog heeft herzien omdat het evenement langer duurde dan 15 dagen.
3.5
Ten aanzien van drie andere gevallen heeft de minister opgemerkt dat hij een fout heeft gemaakt. Het College ziet geen reden om daaraan te twijfelen. Dat de minister in deze gevallen wist dat de werkelijke duur van de evenementen veel langer was dan 15 dagen en dat het geen fout is geweest, maar een bewuste keuze om af te wijken van het bepaalde in de ATE, heeft de onderneming niet aannemelijk gemaakt. Dit geldt ook voor de stelling van de onderneming dat het verlenen van subsidie voor evenementen met een langere duur, de normale praktijk was. Het beroep slaagt dan ook niet omdat volgens de rechtspraak van het College het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een bestuursorgaan is gehouden een eerder in een beperkt aantal gevallen gemaakte fout te herhalen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 september 2022, ECLI:NL:CBB:2022:640).
4 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2024.
w.g. B. Bastein w.g. T.D. Geldof
Bijlage
Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a,
1. Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels;
Artikel 1 (begripsbepalingen)
In deze regeling wordt verstaan onder: evenement: projectmatig georganiseerde, één- of meerdaagse fysieke en voor het publiek toegankelijke gebeurtenis, bijgewoond door een verzameling personen, en die plaatsvindt binnen een periode van 15 dagen, op een andere plaats dan:
a. in een woning of op een daarbij behorend erf;
b. in een gebouw of op een plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet; of
c. in een gebouw, of buitenruimte, bestemd voor de presentatie van podiumkunsten op basis van reguliere podiumprogrammering.
Artikel 3 (subsidieverstrekking), eerste en tweede lid
1. De minister verstrekt aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat moest worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een evenement, waarvan de geplande startdatum in de periode van 10 juli 2021 tot en met 31 december 2021 lag, en dat geheel of gedeeltelijk in Nederland zou plaatsvinden.
Uitspraak 30‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Heropeningsbeslissing. Eén van de grote kamer-zaken over verschoonbaarheid (artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht), in vervolg op de conclusie van raadsheer advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 7 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:476). Het College verwijst voor het beoordelingskader naar zijn uitspraak in de zaak met nummer 22/1049 (ECLI:NL:CBB:2024:31). Het beroepschrift is 23 minuten te laat ingediend. Het College komt in deze zaak tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het College ziet geen aanleiding om de verklaring van de onderneming in twijfel te trekken dat zij binnen de beroepstermijn heeft geprobeerd het beroepschrift in te dienen en dat zij, toen zich een (ict-)probleem voordeed, meteen de hulp van een deskundige derde heeft ingeroepen. De onderneming heeft gedaan wat in haar macht lag om ervoor te zorgen dat het beroepschrift ondanks het ontstane probleem toch nog tijdig kon worden ingediend. De omvang van de termijnoverschrijding is daardoor zeer gering geweest. Verder zijn er geen belangen van derden in het geding en heeft de minister geen groot belang bij het verkrijgen van zekerheid over de vraag of het besluit wel of niet (al) in rechte onaantastbaar is geworden. Dit leidt tot de conclusie dat de termijnoverschrijding niet aan de onderneming kan worden toegerekend.
Partij(en)
beslissing
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/182
beslissing van de grote kamer van 30 januari 2024 tot heropening van het onderzoek in de zaak tussen
Trichter B.V., te Maastricht (de onderneming)
(gemachtigden: mr. L.C. van Kasteren en mr. J. van Weerden)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot)
Procesverloop
Met het besluit van 30 juni 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 afgewezen.
Met het besluit van 8 november 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen het besluit van 30 juni 2022 ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het besluit van 8 november 2022 langs elektronische weg beroep ingesteld op 21 december 2022 om 0.23 uur.
Een meervoudige kamer van het College heeft de zaak verwezen naar de grote kamer.
Op 6 juni 2023 heeft de president van het College mr. R.J.G.M. Widdershoven (de raadsheer advocaat-generaal) verzocht om een conclusie als bedoeld in artikel 8:12a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De zitting was op 13 juli 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de onderneming [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. J. van Weerden, en namens de minister de gemachtigden van de minister. Ook de raadsheer advocaat-generaal was aanwezig. De zaak is tegelijk met de zaken met de nummers 21/1193, 22/1049 en 22/2531 behandeld. Het College heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
De raadsheer advocaat-generaal heeft op 7 september 2023 een conclusie genomen (ECLI:NL:CBB:2023:476).
Partijen hebben op de conclusie gereageerd.
In de zaken met de nummers 21/1193, 22/1049 en 22/2531 doet het College vandaag uitspraak (ECLI:NL:CBB:2024:34, ECLI:NL:CBB:2024:31 en ECLI:NL:CBB:2024:33).
Overwegingen
1. Het College is van oordeel dat het onderzoek niet volledig is geweest en heropent daarom het onderzoek.
2 De laatste dag van de beroepstermijn was 20 december 2022. Het beroepschrift van de onderneming is op 21 december 2022 om 0.23 uur ingediend. Dat dit te laat is, is niet in geschil. De onderneming heeft verklaard dat zij op 20 december 2022 ’s avonds ruim een uur tevergeefs heeft geprobeerd met DigiD op de website van het College in te loggen om het beroepschrift te uploaden. Vervolgens heeft zij een IT-specialist ingeschakeld om haar te helpen. Met de hulp van de IT-specialist is het uiteindelijk gelukt om in te loggen en het beroepschrift te uploaden. Dat was echter 23 minuten na het verstrijken van de beroepstermijn.
3 Het College begrijpt dat de onderneming geen beroep doet op een (ver)storing bij DigiD of de computersystemen van het College. Dat betekent dat (artikel 8 van) het Besluit elektronisch procederen hier niet van toepassing is. Het College beoordeelt de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding daarom uitsluitend op grond van artikel 6:11 van de Awb. Voor het beoordelingskader verwijst het College naar zijn uitspraak van vandaag in de zaak met nummer 22/1049 (ECLI:NL:CBB:2024:31).
4 Het College ziet geen aanleiding om de verklaring van de onderneming in twijfel te trekken dat zij binnen de beroepstermijn, en daarmee tijdig, heeft geprobeerd het beroepschrift in te dienen. Dat geldt ook voor de verklaring dat zij, toen zich een probleem voordeed, meteen de hulp van een deskundige derde heeft ingeroepen. Het College is van oordeel dat in dit geval de onderneming met betrekking tot de termijnoverschrijding een slechts gering verwijt treft. Het stelt daarbij voorop dat aan een betrokkene niet mag worden tegengeworpen dat het bezwaar- of beroepschrift tegen het einde van de termijn of zelfs op de laatste dag ervan wordt ingediend. Ook die dag valt immers binnen de termijn. Een niet door externe factoren veroorzaakte tekortkoming in de eigen computer(systemen) komt op zichzelf voor risico van de betrokkene. De onderneming heeft echter op dat moment gedaan wat in haar macht lag om ervoor te zorgen dat het beroepschrift ondanks het ontstane probleem toch nog tijdig kon worden ingediend. De omvang van de termijnoverschrijding is daardoor zeer gering geweest. Het College stelt vervolgens vast dat bij het wel of niet verlenen aan de onderneming van een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 geen belangen van derden in het geding zijn en dat de minister geen groot belang heeft bij het verkrijgen van zekerheid over de vraag of het besluit van30 juni 2022 wel of niet (al) in rechte onaantastbaar is geworden. Dit leidt tot de conclusie dat de termijnoverschrijding niet aan de onderneming kan worden toegerekend. In het voorgaande ligt besloten dat het beroepschrift ook is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, zodat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het beroep is daarom ontvankelijk.
5 De grote kamer verwijst de zaak voor verdere behandeling naar een meervoudige kamer. Op grond van artikel 8:10a, vijfde lid, tweede volzin, van de Awb wordt de zaak door de meervoudige kamer voortgezet in de stand waarin zij zich bevond.
Beslissing
Het College:
- heropent het onderzoek;
- verwijst de zaak naar een meervoudige kamer.
Aldus genomen door mr. T.G.M. Simons, mr. R.W.L. Koopmans, mr. W. den Ouden,
mr. H.G. Rottier en mr. B.J. van Ettekoven, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Ligthart als griffier, op 30 januari 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. M.G. Ligthart