Exit rights of minority shareholders in a private limited company
Einde inhoudsopgave
Exit rights of minority shareholders in a private limited company (IVOR nr. 72) 2010/9.2.3:9.2.3 De ontbindingsprocedure
Exit rights of minority shareholders in a private limited company (IVOR nr. 72) 2010/9.2.3
9.2.3 De ontbindingsprocedure
Documentgegevens:
mr. dr. P.P. de Vries, datum 03-05-2010
- Datum
03-05-2010
- Auteur
mr. dr. P.P. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS409643:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.2.4 (Engelse ontbindingsprocedure) § 4.2.3 en § 4.2.4 (Duitse ontbindingsprocedure) en § 5.5 (Nederlandse ontbindingsprocedure).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het oudste uittredingsrecht in alle onderzochte landen is de ontbindingsprocedure. Vanwege het ultimum remedium karakter van het ontbindingsoordeel, hebben de Engelse en Nederlandse wetgevers en de Duitse rechter de minder vergaande mogelijkheid van de uittredingsprocedure geïntroduceerd. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de uittredingsprocedure de ontbindingsprocedure niet overbodig maak. Naar mijn mening dient de ontbindingsprocedure als vangnet te worden gehandhaafd om een defmitieve oplossing te bieden voor de situatie van een onoplosbare impasse tussen aandeelhouders.
Bij de vraag of ontbinding dient te worden uitgesproken zijn niet alleen de belangen van de betrokken aandeelhouders relevant, maar dienen ook de belangen van werknemers en crediteuren en het algemeen belang meegewogen te worden (§ 5.5).
Het toepassingsbereik van de Nederlandse ontbindingsprocedure is in vergelijking met Duitsland en Engeland het meest beperkt.1 In Duitsland en Engeland is ontbinding mogelijk als er een onoplosbare impasse is, maar ook als het doel van de vennootschap onbereikbaar blijkt.
In Duitsland is het toepassingsbereik van de ontbindingsprocedure het grootst, nu ontbinding daar kan worden ingeroepen als de vennootschap niet meewerkt aan uittreding van de aandeelhouder (§ 4.3.6). Aangezien in Engeland en Nederland de executie van een uittredingsvonnis in beginsel geen problemen hoeft op te leveren, is aan deze Duitse oplossing naar mijn mening geen behoefte.
In de situatie dat het doel van de vennootschap niet langer bereikt kan worden, bestaat de mogelijkheid tot een statutenwijziging. Mochten aandeelhouders niet tot besluitvorming kunnen komen over deze statutenwijziging, en leidt dit tot een impasse in de besluitvorming, dan is de uittredingsprocedure of het enquêterecht een uiterst redmiddel (§ 5.8).
Een door de rechter opgelegde ruziesplitsing is een wenselijk alternatief voor het ontbindingsoordeel, maar de vennootschap dient daarbij wel geschikt te zijn voor een splitsing (§ 5.6).