HR, 20-01-2015, nr. 14/03437
ECLI:NL:HR:2015:100
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-01-2015
- Zaaknummer
14/03437
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:100, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 20‑01‑2015; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2711, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2013:3199, Niet ontvankelijk
ECLI:NL:PHR:2014:2711, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑12‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:100, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑01‑2015
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Partij(en)
20 januari 2015
Strafkamer
nr. S 14/03437
LNU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 oktober 2013, nummer 23/001955-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B. Yesilgöz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2015.
Conclusie 16‑12‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Nr. 14/03437 Zitting: 16 december 2014 Bestreden arrest: Gerechtshof te Amsterdam d.d. 7 oktober 2013 | Mr. Aben Standpunt inzake: [verdachte] |
Het middel klaagt over de strafmotivering. Het hof heeft de verdachte voor doodslag en poging doodslag veroordeeld (tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaren) en de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde moord en poging moord. In eerste aanleg is de verdachte voor moord en poging moord veroordeeld (tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren).
De klacht in cassatie komt erop neer dat de strafoplegging onbegrijpelijk is, nu het hof de verdachte enerzijds heeft vrijgesproken van moord en poging moord en het hof anderzijds in zijn strafmotivering uitgaat van feiten en omstandigheden waarvan de verdachte – blijkens ’s hofs motivering van die vrijspraak – “geen rekenschap heeft kunnen geven”.
Mijns inziens haalt de steller van het middel de leerstukken opzet en voorbedachten raad door elkaar. ‘s Hofs vaststelling in de strafmotivering dat de verdachte “zonder mededogen op gewelddadige wijze met een mes heeft ingestoken op een weerloze, hoogzwangere vrouw die zich over haar dochter wilde ontfermen” is niet in strijd is met ’s hofs oordeel dat “niet is komen vast te staan dat de verdachte vanaf het moment dat hij zijn ex-echtgenote en [betrokkene] zag voldoende tijd had om zich te beraden omtrent zijn handelen en dat niet valt uit te sluiten dat de besluitvorming om op hen in te steken in plotselinge drift plaatsvond”. Dat onvoldoende vaststaat dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van het steken en zich daarvan rekenschap te geven en dat hij mogelijk in plotselinge drift heeft gehandeld, staat er immers niet aan in de weg dat hij – zoals is bewezenverklaard, opzettelijk – “doelbewust en gericht” – met een mes op de slachtoffers heeft ingestoken. Het middel faalt.
Het middel kan worden afgedaan op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
n.d.