Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/1.2.2
1.2.2 Onderzoeksvraag
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301670:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Gestel 2015, p. 334.
Zie over de verschillende typen vraagstelling die gebruikt kunnen worden van Gestel e.a. 2007, p. 1454; Asser/Vranken 2014, para. 49; Kestemont 2016, p. 25 e.v.
Smith 2012a, p. 1695: “As with scientific theories in general, a property theory should aim to explain more facts with less machinery.”
Zie voor deze vereisten Asser/Vranken 2014, para. 70. Ik bespreek hieronder alleen de vereisten die niet reeds (impliciet) in de verdere tekst van deze inleiding behandeld worden.
Zie voor het grotere belang dat bij dissertaties wordt gehecht aan vernieuwing Asser/Vranken 2014, para. 39.
Zie voor het belang van theorievorming binnen rechtswetenschappelijk onderzoek van Gestel & Micklitz 2014, p. 314; van Gestel 2015, p. 335.
Dit geldt ook voor de literatuur uit andere jurisdicties die ik heb geraadpleegd; zie over dit punt van Boom 2015, p. 128.
20. Een bekend probleem bij het schrijven van een proefschrift is dat theorievormende werken vaak té theorievormend worden gevonden door de praktijk, terwijl praktische werken vaak te weinig wetenschappelijk worden gevonden door de wetenschap.1 In dit boek probeer ik dat bezwaar te ondervangen door zowel aan theorievorming als aan praktische toepassing te doen. Ik doe dat verspreid over drie vragen, die ik in drie afzonderlijke delen van het boek behandel.2
21. Eerst stel ik de verklarende vraag waarom er in het vermogensrecht regelingen bestaan waardoor subjectieve rechten worden aangevuld. Deze vraag behandel ik in deel I van het boek, dat vooral is geschreven voor de wetenschappelijk geïnteresseerde lezer. Ik bespreek in deel I geen Nederlandsrechtelijke figuren, maar doe aan theorievorming om het Nederlandse recht (dat in deel II aan de orde komt) beter te kunnen begrijpen. Bij theorievorming verdient het de voorkeur om op een zo eenvoudig mogelijke wijze zo veel mogelijk rechtsgevolgen te verklaren.3 Ik vat daarom het ‘aanvullen van subjectieve rechten’ zo breed mogelijk op. Dit heeft tot gevolg dat ik in deel I een breder kader schets, wat het in deel II gemakkelijker maakt om een onderscheid te maken tussen de verschillende Nederlandsrechtelijke figuren die ervoor zorgen dat subjectieve rechten worden aangevuld. Om de verschillen te kunnen aangeven, werk ik niet alleen uit waarom het vermogensrecht subjectieve rechten automatisch aanvult, maar ook de verschillende manieren waarop een vermogensrechtelijk systeem ervoor kan zorgen dat dat gebeurt.
22. Vervolgens stel ik de beschrijvende vraag hoe het Nederlandse vermogensrecht met betrekking tot het aanvullen van subjectieve rechten luidt. Deze vraag behandel ik in deel II, dat met name is geschreven voor de praktisch ingestelde lezer. In dit deel van het boek bespreek ik de figuren die er naar Nederlands recht voor zorgen dat subjectieve rechten worden aangevuld. Sommige figuren worden in de Nederlandse literatuur al sinds lange tijd met het aanvullen van subjectieve rechten in verband gebracht; te denken valt onder meer aan de afhankelijke rechten, kwalitatieve rechten en nevenrechten. Andere figuren zijn minder bekend – er bestaat soms niet eens een naam voor – maar heb ik afgeleid uit deel I van het onderzoek. Het betreft onder meer het verlenen van aanspraken aan iemand die de hoedanigheid heeft van rechthebbende van een specifiek subjectief recht. Deze aanspraken kunnen zowel worden verleend door de overheid (zoals bijvoorbeeld gebeurt bij het wettelijke retentierecht), als door partijen zelf (zoals het geval is bij een bankgarantie). Ik heb deze figuren in het onderzoek opgenomen omdat hun verschijningsvormen in de literatuur vaak worden verward met – bijvoorbeeld – afhankelijke rechten en nevenrechten. In deel II bespreek ik ook twee onderwerpen die wel iets weg hebben van het aanvullen van subjectieve rechten: het opbouwen en aanvullen van rechtsobjecten en het opbouwen van subjectieve rechten. Dat maakt het mogelijk om te onderscheiden met het aanvullen van subjectieve rechten met extra aanspraken.
23. Ten slotte breng ik in deel III de delen I en II samen. Ik doe dat door als hoofdvraag van het onderzoek de evaluerende vraag te stellen of de wijze waarop het Nederlandse vermogensrecht het aanvullen van subjectieve rechten regelt, overeenstemt met hetgeen men op basis van de ratio van het aanvullen van subjectieve rechten zou verwachten. De vragen die ik in deel I en II behandel kunnen als deelvragen worden gezien van deze hoofdvraag.
24. Aan het gebruik van onderzoeksvragen om een onderzoek te structureren worden verschillende eisen gesteld.4 Deze vereisten komen verspreid over de drie onderzoeksvragen en daarmee corresponderende delen van het boek aan bod. Aan het vereiste dat een promotieonderzoek nieuwe kennis oplevert, wordt vooral voldaan door het beantwoorden van de eerste deelvraag.5 Met de beantwoording van deze deelvraag probeer ik aan theorievorming te doen voor het oplossen van deze en vergelijkbare vraagstukken.6 Voor zover ik heb kunnen nagaan is een soortgelijke verklaring voor het aanvullen van subjectieve rechten in de literatuur nog niet gezocht.7 Hetzelfde geldt voor het merendeel van de stappen die ik zet om tot het antwoord te komen.
25. Het vereiste dat er wetenschappelijk en maatschappelijk belang bestaat bij beantwoording van de onderzoeksvraag valt in tweeën uiteen. Het wetenschappelijke belang is vooral gelegen in de theorievorming naar aanleiding van de eerste deelvraag over het aanvullen van subjectieve rechten en de aard van subjectieve rechten. Het maatschappelijk belang wordt voornamelijk gediend door het verschaffen van een kader waarbinnen kan worden beoordeeld of een bepaalde aanspraak al dan niet mee overgaat met een subjectief recht. In deel II wordt de bestaande doctrine op dit punt samengevat en bekritiseerd, hetgeen voor praktijkjuristen van nut kan zijn. In deel III wordt deze vraag beantwoord naar aanleiding van de in deel I ontvouwde theorie. In dit gedeelte hoop ik zowel de wetenschapper als de praktijkjurist tegemoet te komen; de eerste door bekende rechtsfiguren op een nieuwe manier in ons vermogensrechtelijk systeem te passen, de tweede door argumenten aan te dragen om vóór of tegen automatische overgang van bepaalde aanspraken te pleiten.