ECLI:NL:GHSHE:2023:1367 (parketnummer 20-000457-18).
HR, 02-09-2025, nr. 23/01769
ECLI:NL:HR:2025:1229
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-09-2025
- Zaaknummer
23/01769
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1229, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑09‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1367
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:546
ECLI:NL:PHR:2025:546, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1229
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine en/of MDMA, art. 10a.1.2 en 10a.1.3 Opiumwet. 1. Bewijsklachten opzet en medeplegen. Kon hof voor bewijs gebruik maken van stukken die zien op feiten waarvan verdachte is vrijgesproken? 2. Ondertekening bijlage bij arrest met daarin bewijsmiddelen, art. 365b.1 Sv. 3. Bewijsminimum, art. 342. Sv (unus testis). Vindt verklaring van getuige voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01722 en 23/01818.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01769
Datum 2 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2023, nummer 20-000457-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 27 maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 26 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.
Conclusie 20‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie ag. Medeplegen voorbereidingshandelingen productie amfetamine en/of MDMA (art. 10a OW). M1 klaagt tevergeefs dat het hof (delen van) bepaalde zaaksdossiers niet tot het bewijs had mogen bezigen. M2 klaagt tevergeefs dat aanvulling bewijsmiddelen niet is ondertekend. M3 falende klacht over schending van het bewijsminimum als bedoeld in art. 342.2 Sv. M4 over schending inzendtermijn slaagt. Conclusie strekt in verband met slagend middel over schending redelijke termijn tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf en tot verwerping van het overige (art. 81 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01769
Zitting 20 mei 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 28 april 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch1., door (gedeeltelijke) bevestiging van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2018, wegens “medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen” en “medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten slotte is een vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01722 en 23/01818. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak in het kort
2.
2.1
Uit de vaststellingen van het hof blijkt het volgende. In de nacht van 28 op 29 juni 2016 werd aan de [a-straat] te [plaats] [medeverdachte 1] aangehouden nadat hij uit een BoRent bestelbus was weggerend. In deze bestelbus werden 45 jerrycans met 1.125 liter zoutzuur aangetroffen. Dit zoutzuur was – naar later bleek – op 28 juni 2016 in een loods op de [b-straat 1] te [plaats] overgetapt vanuit twee 1.000 liter vaten. Deze 1.000 liter vaten waren onderdeel van een grotere batch die [medeverdachte 2] , via [medeverdachte 3] , op verzoek van de verdachte in zijn loods had laten opslaan. De betreffende vaten werden op 14 en 15 juni 2016 met een door [medeverdachte 4] (zaak 23/01818) gehuurde vrachtwagen bij de loods afgeleverd. De verdachte is op twee momenten bij de vaten in de loods aanwezig geweest, onder meer om deze te tellen. De vaten bleken 20.000 liter aceton, 20.000 liter zoutzuur en 750 liter MDMAafval te bevatten.
2.2
Het bedrijf dat de hiervoor genoemde bestelbus had gehuurd bleek bij Bo-Rent ook een heftruck te hebben gehuurd. Deze heftruck was geleverd op [c-straat 1] te [plaats] , waar zich eveneens een loods bevond. In deze aan [medeverdachte 5] (zaak 23/01722) onderverhuurde loods werden eveneens vaten aangetroffen met chemicaliën die passen bij de productie van amfetamine en/of MDMA.
Het eerste middel
3.
3.1
Het middel klaagt, althans zo begrijp ik, dat het hof ten onrechte (delen van) zaaksdossier 1 ( [a-straat] [plaats] ) en zaaksdossier 3 ( [b-straat 1] te [plaats] ) tot het bewijs heeft gebezigd. Uit de resterende – op zaaksdossier 2 ( [c-straat 1] te [plaats] ) betrekking hebbende – bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte met opzet heeft gehandeld noch dat sprake was van medeplegen, aldus de steller van het middel.
3.2
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 te [plaats] en/of [plaats] en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland (in een bestelbus Mercedes Sprinter, [kenteken] en/of een loods/bedrijfshal op het perceel [b-straat 1] te [plaats] )
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/ of inlichtingen, tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)
- (op zijn (bedrijfs)naam) een loods/bedrijfshal op het perceel [b-straat 1] te [plaats] , gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of
- (op zijn (bedrijfs)naam) een of meerdere voertuigen (een Mercedes Sprinter [kenteken] en/of een Toyota Aygo 8-XLJ-42 en/ofeen vrachtauto met oplegger met kenteken(s) [kenteken] / [kenteken] en/of een heftruck en/of een pallettruck) gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of
- een (grote) hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder, 45 jerrycans van 25 liter bevattende zoutzuur (aangetroffen in een Mercedes Sprinter voorzien van [kenteken] ) en/of
- een grote hoeveelheid jerrycans en/of (IBC) containers en/of (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen, waaronder zoutzuur en/of aceton en/of MDMA afval (aangetroffen op de [b-straat 1] te [plaats] ) en/of
- een hoeveelheid laboratoriummaterialen, waaronder (lege) jerrycans en/of trechters en/of veiligheidsmaskers en/of handschoenen en/of veiligheidsbrillen (aangetroffen op de [b-straat 1] te [plaats] ) en/of
- geschreven bescheiden (recepten) betrekking, hebbend op en/of verband houdend met de productie, van MDMA en/of amfetamine, in elk geval een of meer middel(en) voorkomend op lijst I behorende bij de Opiumwet (aangetroffen in een Mercedes Sprinter voorzien van [kenteken] ),
(zaken 1 en 3)”
3.3
Daarvan is bewezenverklaard dat hij:
“in de periode van 08 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 te [plaats] en andere plaatsen in Nederland
tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben verschaft en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)
- een loods op het perceel [b-straat 1] te [plaats] , gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking en
- een of meerdere voertuigen (een Mercedes Sprinter [kenteken] en/of een Toyota Aygo [kenteken] en/of een vrachtauto met oplegger met kenteken(s) [kenteken] / [kenteken] en/of een heftruck gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en
- een grote hoeveelheid jerrycans en (IBC) containers en andere soorten verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen, waaronder zoutzuur en/of aceton en/of MDMA afval aangetroffen op de [b-straat 1] te [plaats] voorhanden gehad en
- een hoeveelheid laboratoriummaterialen, waaronder lege jerrycans en trechters en veiligheidsmaskers en handschoenen en veiligheidsbrillen aangetroffen op de [b-straat 1] te [plaats] voorhanden gehad.”
3.4
Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep
Namens de verdachte is bij akte van 7 februari 2018 onbeperkt hoger beroep tegen het vonnis ingesteld.
De verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken, te weten voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op de pleegplaats en/of locatie [plaats] (zaakdossier 1) en [b-straat 1] te [plaats] (zaakdossier 3).
Het hof is, met de advocaatgeneraal en de verdediging, van oordeel dat dit beschermde vrijspraken betreffen.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dat tegen de beschermde vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.”
3.5
Aan het arrest is een “Bijlage: De bewijsmiddelen, zakelijk weergegeven” gehecht. Deze houdt onder meer het volgende in:
“I.De bewijsmiddelen dienen te worden gebezigd met betrekking tot het bewijs van dat feit en de verdachte waarop het - blijkens de inhoud - betrekking heeft.”
3.6
In de toelichting op het middel wordt gewezen op het onder 3.4 weergegeven oordeel van het hof dat “de verdachte door de rechtbank partieel vrijgesproken [is], te weten voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op de pleegplaats en/of locatie [plaats] (zaaksdossier 1) en [b-straat 1] te [plaats] (zaaksdossier 3)” en dat “dit beschermde vrijspraken betreffen”. Daarnaast wordt gewezen op de onder 3.5 weergegeven overweging van het hof in de bijlage houdende de bewijsmiddelen. Gelet op laatstgenoemde overweging en gelet op de omstandigheid dat de beschermde vrijspraken niet meer aan het oordeel van het hof waren onderworpen, had het hof de bewijsmiddelen die in de bijlage onder “zaaksdossier 1 – [a-straat] [plaats] ” en “zaaksdossier 3 – [b-straat 1] te [plaats] ” zijn opgenomen niet tot het bewijs mogen bezigen, zo lijkt de steller van het middel te betogen.
3.7
Het middel berust deels op een verkeerde lezing van het arrest en heeft deels betrekking op een kennelijke verschrijving van het hof. Daarover het volgende.
3.8
Weliswaar overweegt het hof dat de rechtbank heeft vrijgesproken van het feit dat is gepleegd aan de [b-straat 1] in [plaats] (zie hiervoor onder 3.4), maar bij kennisneming van de hiervoor onder 3.3 geciteerde bewezenverklaring is evident dat de rechtbank dit feit wel degelijk bewezen heeft geacht. Onder andere wordt het adres daarin expliciet genoemd. Het hof heeft deze bewezenverklaring bevestigd en uit de behandeling van de feiten ter zitting van het hof volgt ook dat het hof in hoger beroep dit feit aan de orde achtte. De overweging van het hof dat de rechtbank heeft vrijgesproken van dit feit én dat dit een beschermde vrijspraak betreft, kan dan ook niet anders worden aangemerkt dan als een kennelijke verschrijving.2.De Hoge Raad kan het arrest in zoverre verbeterd lezen.
3.9
Daarmee faalt het middel ook voor zover het inhoudt dat het hof ten onrechte de bewijsmiddelen opgenomen in de bewijsbijlage onder “Zaakdossier 3 - [b-straat 1] te [plaats] ” aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd. Dat het hof zijn oordeel daarnaast baseert op de bewijsmiddelen onder “Zaakdossier 1 - [a-straat] [plaats] ” berust op een onjuiste lezing van het arrest. Bovenaan de bewijsmiddelenbijlage staat immers dat “de bewijsmiddelen dienen te worden gebezigd met betrekking tot het bewijs van dat feit en de verdachte waarop het - blijkens de inhoud - betrekking heeft” (cursivering toegevoegd, MvW). Kennelijk heeft het hof één bewijsmiddelenbijlage opgesteld voor meer dan één verdachte. Hoewel een dergelijke werkwijze het risico op onduidelijkheden in zich draagt, meen ik dat in dit geval helder is dat het hof slechts de bewijsmiddelen van zaakdossier 3 aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd.
3.10
Het middel faalt.
Het tweede middel
4.
4.1
Het middel klaagt dat de genoemde bewijsbijlage in strijd met art. 365b lid 1 Sv niet is ondertekend.
4.2
Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:
“Vonnis waarvan beroep
(…)
Mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, ziet het hof aanleiding om de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen te verbeteren en aan te vullen. Om redenen van efficiëntie en de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof evenwel de gehele bewijsvoering vervangen. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zullen worden opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht. De bewezenverklaring komt in zijn geheel te berusten op de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen.”
4.3
Het middel berust op de opvatting dat de bewijsbijlage een aanvulling op het arrest in de zin van art. 365a lid 2 Sv is. Die opvatting is onjuist. Het in het middel genoemde stuk betreft een aan het arrest gehechte bijlage die deel uitmaakt van het arrest zelf en waarop het in art. 365b lid 1 Sv bedoelde vereiste van ondertekening dus niet van toepassing is.
4.4
Het middel faalt.
Het derde middel
5.
5.1
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring in strijd met art. 342 lid 2 Sv steunt op de verklaring van slechts één getuige, te weten: de verklaring van [medeverdachte 2] (eigenaar van de loods aan de [b-straat 1] te [plaats] ).
5.2
Het hof heeft ten aanzien van het bewijs onder meer het volgende overwogen:
“Aanvullende bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is - op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord - in de kern aangevoerd dat de verdachte enkel behulpzaam is geweest bij het vinden van een loods voor [betrokkene 1] , een kennis van de verdachte. Daartoe heeft de verdachte contact opgenomen met [medeverdachte 3] , waarna de verdachte in contact is gekomen met [medeverdachte 2] . De verdachte is niet in de loods van [medeverdachte 2] in [plaats] aanwezig geweest, noch heeft hij ter zake van de verhuur van de loods [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] een vergoeding aangeboden. Het oordeel van de rechtbank, dat deze verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig ter zijde kan worden gesteld, vindt geen steun in de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder kan dit oordeel niet worden gegrond op de verklaringen van [medeverdachte 2] , daar deze wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat de ontkenning van de verdachte dat hij zich aan het hem tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt, wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
Gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 2] en bezigt het hof deze tot het bewijs.
Met de rechtbank leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte [medeverdachte 3] heeft benaderd met de vraag of hij een opslaglocatie beschikbaar had. De verdachte is vervolgens via [medeverdachte 3] in contact gekomen met [medeverdachte 2] , waarna in diens loods vaten met chemicaliën zijn opgeslagen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte op twee afzonderlijke momenten in de loods aanwezig is geweest. Eénmaal om de in de loods opgeslagen vaten te tellen en de andere keer heeft de verdachte zijn ongenoegen geuit over het feit dat door derden chemicaliën uit de vaten waren getapt. [medeverdachte 2] heeft de verdachte op een door de politie aan hem getoonde foto herkend.
De enkele omstandigheid dat [medeverdachte 2] bij gelegenheid van zijn eerste verhoor door de politie niet direct volledige openheid van zaken heeft gegeven en niet heeft verklaard dat hij via [medeverdachte 3] in contact is gekomen met de verdachte en dat [medeverdachte 2] daarbij de naam van [medeverdachte 3] ongenoemd heeft gelaten, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 2] . Daartoe overweegt hef hof als volgt.
[medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte 3] zijn zwager is en dat hij vanwege deze familieband aanvankelijk niet belastend over [medeverdachte 3] heeft willen verklaren; “hij wilde [medeverdachte 3] er niet bij lappen en hem buiten schot houden". Omdat het er evenwel op enig moment op leek dat [medeverdachte 3] buiten schot zou blijven en [medeverdachte 2] door toedoen van [medeverdachte 3] met de verdachte in contact is gekomen en zo bij het tenlastegelegde betrokken is geraakt, heeft [medeverdachte 2] alsnog besloten om het gehele verhaal te vertellen en heeft hij verklaard dat hij via [medeverdachte 3] met de verdachte in contact gekomen.
Het hof acht deze door [medeverdachte 2] aangedragen reden waarom hij tijdens zijn eerste verhoor door de politie niet heeft verklaard dat hij via zijn zwager [medeverdachte 3] in contact is gekomen met de verdachte plausibel. Het hof houdt daarbij tevens rekening met andere uit het dossier naar voren komende bevindingen die de verklaring van [medeverdachte 2] ondersteunen:
- de omstandigheid dat uit zendmastgegeven naar voren komt dat de telefoon van de verdachte op twee afzonderlijke momenten een zendmast in de omgeving van de loods aanstraalt, wat steun biedt aan de verklaring van [medeverdachte 2] , die verklaard heeft dat de verdachte tweemaal in de loods is geweest;
- de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij en [medeverdachte 2] voor de verhuur van de loods een geldbedrag kregen aangeboden, zodat ook dit onderdeel van de verklaring van [medeverdachte 2] steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Gelet op het vorenoverwogene – en onder verwijzing naar de bewijsmiddelen – stelt het hof de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.”
5.3
Het hof heeft – niet onbegrijpelijk – overwogen dat de verklaring van [medeverdachte 2] steun vindt in i) de zendmastgegevens, waaruit blijkt dat de telefoon van de verdachte op twee afzonderlijke momenten een zendmast in de omgeving van de loods aan de [b-straat 1] te [plaats] aanstraalt en in ii) de verklaring van [medeverdachte 3] , die onder meer inhoudt dat hij voor de verhuur van de loods een geldbedrag kreeg aangeboden. Van schending van art. 342 lid 2 Sv kan alleen al daarom geen sprake zijn. Dat de zendmastgegevens op zichzelf niet uitsluiten dat de verdachte niet daadwerkelijk in de betreffende loods is geweest, maakt dat niet anders.
5.4
Het middel faalt.
Het vierde middel
6.
6.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
6.2
Het middel slaagt. Namens de verdachte is op 2 mei 2023 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 9 februari 2024 door de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn met een ruim een maand is overschreden, hetgeen tot strafvermindering dient te leiden.
Afronding
7.
7.1
Het eerste, tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt.
7.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 2 mei 2023. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase ook in die zin is overschreden. Ook dat dient te leiden tot strafvermindering.
7.3
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑2025
Ik wijs erop dat de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep voor zaakdossier 1 en 3 niet terugkomt in het dictum van het arrest.