Rb. Arnhem, 02-12-2009, nr. 184633 / HA ZA 09-850
ECLI:NL:RBARN:2009:BL7460
- Instantie
Rechtbank Arnhem
- Datum
02-12-2009
- Magistraten
Mr. F.J. de Vries
- Zaaknummer
184633 / HA ZA 09-850
- LJN
BL7460
- Roepnaam
Ede/Budding
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBARN:2009:BL7460, Uitspraak, Rechtbank Arnhem, 02‑12‑2009
Uitspraak 02‑12‑2009
Mr. F.J. de Vries
Partij(en)
Vonnis van 2 december 2009
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. C.R. van Breevoort te Arnhem,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE EDE,
zetelend te Ede,
gedaagde,
advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.
Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
het tussenvonnis van 26 augustus 2009
- —
het proces-verbaal van comparitie van 18 november 2009.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser] heeft in april 2000 een perceel grond met woning gekocht aan de [a-straat] [1a] te [a-plaats] — hierna: het perceel. Daarvóór is er door een ambtenaar van de Gemeente aan [eiser] meegedeeld dat op het perceel een woning met een inhoud van 600 m3 en een bijgebouw met een inhoud van 50 m3 mochten worden gebouwd. Op het perceel stond een zogenaamde noodwoning met een geringe inhoud. Uit de voorschriften van het bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied’, zoals dat destijds gold, volgde dat de oppervlakte, inhoud en hoogte van de bestaande bebouwing als maximum gold. Dat had er in essentie mee te maken dat in de bij de voorschriften behorende inventarisatiekaart op het perceel alleen de bestaande woning was getekend en niet een (ruimer) bouwvlak, dit kennelijk in afwijking van de in de nabijheid liggende percelen.
2.2.
[eiser] heeft op 26 augustus 2000 een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning en een garage. Burgemeesters en wethouders van de Gemeente — hierna: B&W — hebben deze vergunning op 27 augustus 2001 verleend, daarbij onder meer voor de overschrijding van het bouwvlak toepassing gevend aan art. 19 lid 3 Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) — hierna: WRO (oud) — en overigens ook anticiperend op de herziening van het bestemmingsplan die dat najaar van kracht zou worden.
2.3.
De heer [buurman], die op het aangrenzende perceel woont, heeft bezwaar ingediend tegen de bouwvergunning. B&W hebben het bezwaar bij besluit van 28 mei 2002 gegrond geoordeeld en de vergunning ingetrokken. Zij hebben het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften 19 februari 2002 overgenomen dat erop neer kwam dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan en dat de afwijkingen met name van het bouwvlak zo verstrekkend waren dat het bouwplan niet met vrijstelling van art. 19 lid 3 WRO (oud) en art. 20 Besluit op de ruimtelijke ordening (oud) — hierna: BRO (oud) — kon worden vergund. Uit het besluit wordt de volgende passage geciteerd:
‘Dit betekent, dat op de aanvraag om bouwvergunning opnieuw een beslissing moet worden genomen. In eerste instantie is, teneinde de strijdigheid met het bestemmingsplan Agrarisch Buitengebied op te heffen gekozen voor het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dit middel is niet deugdelijk gebleken.
Door te kiezen voor het verlenen van een vrijstelling hebben wij impliciet aangegeven, dat de bouw van een woning naar onze mening niet op stedenbouwkundige bezwaren stuit. Wij hebben steeds aangegeven bereid te zijn een wijziging van de bestemmingsregeling, te weten aanpassing van de inventarisatiekaart, te willen bevorderen waardoor er een goede basis ontstaat voor het verlenen van de bouwvergunning. Binnenkort zal de procedure voor de vaststelling van een bestemmingsregeling worden gestart.
In afwachting van deze procedure zal, zoals met u is besproken, nog geen beslissing op uw aanvraag om bouwvergunning worden genomen.’
2.4.
In september 2001 had [eiser] zijn woning aan de [b-straat] te [a-plaats] verkocht en op 1 mei 2002 geleverd aan de koper. Hij is met zijn gezin gaan wonen in een huurwoning te [b-plaats]. [eiser] heeft de Gemeente bij brief van 15 mei 2002 aansprakelijk gesteld voor de extra kosten ten gevolge van de procedurefouten die aan het licht zijn gekomen naar aanleiding van de bezwaren van [buurman]. In die brief heeft hij de kosten begroot op € 4.927,47.
2.5.
De raad van de Gemeente heeft bij besluit van 19 december 2002 de herziening van het bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied’ vastgesteld. Gedeputeerde Staten van Gelderland — hierna: GS — hebben hieraan bij besluit van 19 augustus 2003 goedkeuring gehecht. Dit besluit is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State — hierna: de Afdeling — bij uitspraak van 23 december 2003 vernietigd, omdat GS een fout hadden gemaakt bij het ter inzage leggen van het bestemmingsplan. GS hebben op 14 september 2004 een nieuw goedkeuringsbesluit genoemd, dat voor zover het het perceel betreft, onherroepelijk is geworden. Ondertussen had [eiser] op 8 juli 2003 een nieuwe aanvraag voor een bouwvergunning ingediend. B&W hebben deze vergunning bij besluit van 21 september 2004 verleend, daarbij toepassing gevend aan art. 19 lid 2 WRO (oud). Deze bouwvergunning is onherroepelijk geworden.
2.6.
Uit een brief van de Gemeente aan [eiser] van 20 oktober 2004 worden de volgende passages geciteerd:
‘Ik ben het volkomen met u eens dat de gehele procedure tot nu toe erg lang heeft geduurd. Voorzover dit een gevolg is van gemeentelijk handelen, bied ik u hiervoor mijn excuses aan. (…)
Omdat u op goed vertrouwen de grond had gekocht en uw toenmalige woning had verkocht is u te kennen gegeven, dat aan u een vergoeding zou worden toegekend wegens extra door u te maken kosten. U heeft toen ook een schadeclaim ingediend bij de gemeente en deze is in handen gesteld van onze verzekeringsmaatschappij. (…)
Alles overziende kan alleen maar worden geconcludeerd, dat de hele procedure een aaneenschakeling is van vastgelopen procedures, fouten en miscommunicatie. (…)
Ten aanzien van het aspect van schadevergoeding ben ook ik van mening dat hier sprake is van een te lang slepende kwestie. Zoals u bekend is uw claim in handen gegeven van onze verzekeraar. Hangende deze procedure is het niet gebruikelijk dat de gemeente zich uitspreekt over uw claim. Ik vind het dan ook zeer vervelend u geen concreet antwoord te kunnen geven.
Voordat tot afwikkeling van uw claim kan worden overgegaan is het noodzakelijk dat u een onderbouwde claim indient. Hierin moet dan gespecificeerd worden aangegeven waaruit de door u geleden schade bestaat.
Omdat het een al zo lang slepende zaak zullen wij de nodige aandrang uitoefenen om te komen tot een afwikkeling en hierbij proberen te komen tot een eventuele voorschot-regeling.’
2.7.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 3 januari 2005 aan de Gemeente onder meer het volgende geschreven:
‘Al met al heeft het handelen en nalaten van uw gemeente voor cliënten onder meer tot gevolg gehad dat zij vanaf 1 mei 2002 huur hebben moeten betalen, extra kosten hebben gehad voor het aanvragen van een nieuwe bouwvergunning, het realiseren van hun bouwplan met drie jaar en een maand vertraagd is, zij extra verhuiskosten en herinrichtingskosten hebben moeten maken, alsmede dat zij fiscaal nadeel hebben geleden. Cliënten houden uw gemeente hiervoor aansprakelijk.’
2.8.
Op 31 mei 2005 heeft de Gemeente aan [eiser] een renteloze lening verstrekt van € 25.000,00. Art. 1 van de in verband daarmee getekende schuldbekentenis ter zake van een renteloze lening luidt als volgt:
‘De renteloze lening wordt verstrekt ter overbrugging van de periode tot verzekeraar van de gemeente Ede, m.b.t. de door schuldenaar ingediende schadeclaim betrekking hebben op de bouw van de woning [a-straat] [1a] te [a-plaats], tot uitkering overgaat.’
2.9.
In juni 2005 is [eiser] met zijn gezin in de woning aan de [a-straat] gaan wonen.
2.10.
De advocaat van [eiser] heeft in een brief aan ing. [expert], re van [A] B.V — hierna: GRT — van 31 juli 2006, de expert van de verzekeraar van de Gemeente, onder meer het volgende geschreven:
‘Ik dring er dan ook opnieuw op aan dat de gemeente een uitspraak omtrent aansprakelijkheid doet. Indien aansprakelijkheid wordt erkend kan vervolgens getracht worden in der minne tot een vaststelling van de schade te komen.’
2.11.
Claims Management Group Limited te 's‑Gravenhage, (de tussenpersoon van) de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Gemeente — hierna: CMGL, heeft in haar brief aan de advocaat van [eiser] van 27 oktober 2006 onder meer het volgende geschreven:
‘Naar aanleiding van uw brief van 31 juli jl. vragen wij uw aandacht voor het volgende.
Wij kunnen erkennen dat onze verzekerde, de gemeente Ede, verwijtbaar heeft gehandeld door uw cliënt het vertrouwen te geven dat hij op het betreffende perceel een nieuw bouwwerk zou kunnen (laten) bouwen.
Wel maken wij nog een voorbehoud met betrekking tot het causale verband tussen de door uw cliënt geclaimde schade en het verwijtbaar handelen alsmede of uw cliënt nog eigen schuld toekomt omdat hij reeds voordat de bouwvergunning onherroepelijk was zijn eigen woning verkocht had en daarmee een risico nam.’
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert — samengevat — veroordeling van de Gemeente tot betaling van EUR 75.905,45, vermeerderd met rente en kosten en verder een verklaring voor recht dat hij tegenover de Gemeente finaal gekweten is van zijn verplichting tot terugbetaling van € 25.000,00 uit hoofde van de schuldbekentenis ter zake van de renteloze lening van 31 mei 2005.
3.2.
De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
[eiser] stelt dat de aan hem door een gemeenteambtenaar gedane mededelingen omtrent de bebouwingsmogelijkheden op het perceel en het besluit van B&W van 27 augustus 2001 tot verlening aan hem van een bouwvergunning onrechtmatig tegenover hem zijn. Die bebouwingsmogelijkheden bleken in strijd met het bestemmingsplan te zijn en niet vergunbaar te zijn op grond van art. 19 lid 3 WRO (oud), zodat de vergunning wegens strijd met de wet bij besluit van 28 mei 2002 is herroepen. Hoewel de Gemeente en haar verzekeraar in de correspondentie in de aanloop naar deze procedure de aansprakelijkheid hadden erkend afgezien van een voorbehoud met betrekking tot het causale verband en eigen schuld, wordt deze aansprakelijkheid thans ontkend. Hierna zal blijken dat dit verweer ongegrond is en dat de Gemeente en haar verzekeraar dus terecht aansprakelijkheid hadden erkend.
4.2.
De Gemeente stelt dat [eiser] tot en met de dagvaarding de onrechtmatigheid van de gedragingen van de Gemeente verankerde in de inlichtingen die door een ambtenaar voorafgaande aan het aanvragen van de bouwvergunning zijn gegeven. In de akte houdende uitlating tevens houdende producties 20–22 — hierna: de akte — zou hij die grondslag hebben verlaten en zich hebben gebaseerd op de onrechtmatigheid van het primaire besluit van 27 augustus 2001. De Gemeente maakt bezwaar tegen deze wijziging van de grondslag van de eis.
4.3.
Van een dergelijke wijziging van de grondslag van de eis is geen sprake. In de kern genomen is het standpunt van [eiser] zowel in de dagvaarding als in de akte dat de Gemeente hem heeft verteld dat een bouwvergunning voor het door hem voorgenomen bouwplan mogelijk was, dat zij die bouwvergunning vervolgens daadwerkelijk heeft verleend, maar dat zij daarvan heeft moeten terugkomen omdat de bouwvergunning in strijd met de wet was verleend. Het verstrekken van onjuiste inlichtingen en het verlenen van een bouwvergunning in strijd met de wet zijn de verweten onrechtmatige gedragingen. Omdat er geen sprake is van een wijziging van eis, is er geen plaats voor een bezwaar tegen zo'n wijziging van eis.
4.4.
[eiser] heeft in de brief van zijn advocaat van 3 januari 2005 — zie 2.7 — de Gemeente aansprakelijk gehouden voor de schade door de vertraging in de verlening van de bouwvergunning en de schade in deze brief begroot. Deze brief is daarom een stuitingshandeling, als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW. Het beroep op verjaring faalt.
4.5.
De Gemeente heeft de bouwvergunning ingetrokken, omdat zij naar aanleiding van de bezwaren van de buurman van [eiser] en het advies van haar bezwaarcommissie alsnog tot het inzicht is gekomen dat de vergunning niet kon worden verleend met toepassing van de art. 19 lid 3 WRO (oud) joart. 20 BRO (oud) (de kruimelgevallenregeling). Dat betekent dat de bouwvergunning in strijd met deze wettelijke bepalingen en met art. 44 Woningwet is verleend. Het besluit van 27 augustus 2001 tot verlening van de vergunning en de daaraan voorafgaande, onjuiste mededelingen zijn daarom onrechtmatig tegenover [eiser]. Deze onrechtmatige daad kan aan de Gemeente worden toegerekend (HR 20 februari 1998, NJ 1998, 526, Boeder/Staat). Aan [eiser] kan, anders dan de Gemeente uitvoerig in de conclusie van antwoord heeft betoogd, de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit van 28 mei 2002 niet worden tegengeworpen (HR 10 april 2009, NJ 2009, 515, Barneveld/Sierkstra).
4.6.
Tijdens de comparitie heeft de Gemeente aangevoerd dat er reden is om de regel uit het arrest Barneveld/Sierkstra niet op dit geval toe te passen, omdat daar vaststond dat de gemeente Barneveld niet kon tegenwerpen dat Sierkstra geen beroep tegen het intrekkingsbesluit had ingesteld en ook dat die gemeente wel een bouwvergunning die in overeenstemming met het bestemmingsplan was, had kunnen verlenen. De passage uit het arrest waar het om gaat, luidt als volgt:
‘De regel dat degene die geen gebruik heeft gemaakt van de tegen een overheidsbesluit openstaande bestuursrechtelijke rechtsgang zich voor de burgerlijke rechter niet kan beroepen op de onrechtmatigheid van dat besluit, bestrijkt niet mede het hier aan de orde zijnde geval waarin het gaat om de positie van de aanvrager van een bouwvergunning die na daartegen door een derde gemaakt bezwaar door B&W wordt ingetrokken wegens strijd met de wet. Die aanvrager mag immers ervan uitgaan dat B&W juist hebben gehandeld en dat de hem verleende vergunning dus niet in strijd is met de wet. Met dat uitgangspunt is onverenigbaar dat hem in een procedure als de onderhavige zou kunnen worden tegengeworpen dat hij verzuimd heeft in een bestuursrechtelijke procedure desalniettemin de onrechtmatigheid van het desbetreffende besluit te doen vaststellen.’
4.7.
De door de Hoge Raad geformuleerde regel luidt algemeen. De casus uit die procedure vertoont grote gelijkenis met die uit deze zaak. Er is geen steun voor het onderscheid dat de Gemeente verdedigt. Het verweer wordt verworpen.
4.8.
De Gemeente stelt vervolgens dat er geen causaal verband is tussen de gegeven inlichtingen en de door [eiser] gestelde schade. Volgens haar is het uiterst onwaarschijnlijk dat [eiser] het perceel niet zou hebben gekocht als hij zou hebben geweten dat de bouwvergunning niet zonder vrijstelling als bedoeld in art. 19 WRO (oud) zou kunnen worden verleend. In dit verweer miskent de Gemeente in de eerste plaats dat [eiser] de gemeente niet alleen verwijt onjuiste inlichtingen te hebben gegeven, maar ook een bouwvergunning te hebben verleend die zij later heeft moeten intrekken. In de tweede plaats legt zij in het standpunt van [eiser] een nuance die er niet is. [eiser] heeft niet gesteld dat hem is verteld dat de bouwvergunning zonder gebruikmaking van de vrijstellingsregeling van art. 19 WRO kon worden verleend. Hij heeft gesteld dat hem is verteld dat hij voor zijn bouwplan een vergunning kon krijgen. Niet van belang is of deze vergunning met of zonder toepassing van de kruimelgevallenregeling kon geschieden. Toepassing van de kruimelgevallenregeling zou immers voor [eiser] geen vertraging opleveren.
4.9.
Vervolgens verweert de Gemeente zich met de stelling dat de vertraging die [eiser] bij de bouw van de woning heeft ondervonden, niet is veroorzaakt door inlichtingen van de Gemeente, maar door de beperkingen die voortvloeiden uit het planologische regime. Op grond daarvan moest immers op z'n minst de vrijstellingsprocedure van art. 19 lid 2 WRO (oud) worden doorlopen. Dit verweer mist de kern van de stelling van [eiser] dat hij schade heeft geleden, doordat de Gemeente eerst heeft gekozen voor een verkeerde procedure. Dáárdoor heeft hij schade geleden, schade die hij niet zou hebben geleden als de Gemeente meteen de juiste procedure zou hebben gevolgd.
4.10.
[eiser] heeft na het intrekkingsbesluit de oude vergunningaanvraag niet gehandhaafd, maar een nieuwe bouwvergunning aangevraagd, die was aangepast onder meer aan de inmiddels ingevoerde wijzigingen van het Bouwbesluit en kennelijk ook aan de vereisten die uit art. 19 lid 2 WRO (oud) volgden. Deze omstandigheid is van onvoldoende gewicht om de schade die na het indienen van de nieuwe aanvraag is ontstaan, niet als gevolg van de onrechtmatige daad van de Gemeente aan haar toe te rekenen. Ook in de zaak Barneveld/Sierkstra had De Berkenhorst een nieuwe bouwvergunningaanvraag ingediend. Voor zover de Gemeente een hierop ziend verweer heeft gevoerd, wordt dat verworpen.
4.11.
De Gemeente verweert zich verder met de stelling dat [eiser] de schade had kunnen voorkomen door gebruik te maken van de bouwvergunning en de bouw te voltooien, voordat deze zou zijn ingetrokken. Omdat legalisatie mogelijk was, zou de Gemeente niet handhavend hebben kunnen optreden. Omdat degene die bouwt op basis van een niet onherroepelijke bouwvergunning, dat doet op eigen risico (HR 29 april 1994, NJ 1997, 396, Schuttersduin), is de door de Gemeente voorgestelde schadebeperkingsmaatregel niet een redelijke die van [eiser] kon worden gevergd. Dit verweer faalt.
4.12.
De Gemeente voert aan dat uit het arrest Schuttersduin volgt dat de verkoop door [eiser] van zijn huis aan de [b-straat] op een tijdstip dat de bouwvergunning nog niet onherroepelijk is, voor zijn rekening komt, zodat de kosten van de huur van de woning aan de [c-straat] te [b-plaats] niet voor vergoeding in aanmerking komen. [eiser] had met de verkoop van zijn oude woning moeten wachten totdat de bouwvergunning onherroepelijk was geworden. Dit verweer is in de eerste plaats onverenigbaar met het in 4.11 weergegeven verweer, dat [eiser] maar had moeten bouwen op grond van een nog niet onherroepelijke bouwvergunning. Het verweer miskent in de tweede plaats de grenzen van de regel uit het arrest Schuttersduin. Er is geen plaats voor uitbreiding van de door de Hoge Raad gegeven regel voor bouwen op eigen risico tot de hier aan de orde zijnde situatie dat de vergunninghouder in anticipatie op de bouw van zijn nieuwe woning zijn oude woning reeds verkoopt en levert. Met de in het arrest Schuttersduin gegeven regel heeft de Hoge Raad een rem willen zetten op het oprichten van bouwwerken, waarvan tijdens of na de bouw zou komen vast te staan dat daartegen planologische of andere bezwaren bestaan. De hier aan de orde zijnde situatie is een andere. Het is in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk om de oude woning reeds te koop te zetten, als de nieuwe woning of de nieuwe kavel is aangekocht, ook als daarin/-op nog bouwvergunningplichtige werkzaamheden moeten worden verricht en de bouwvergunning nog niet onherroepelijk is. Daarmee beoogt de vergunninghouder de periode van dubbele woonlasten zo kort mogelijk te houden. Er is geen argument waarom dit gebruik onwenselijk is en zou moeten worden tegengegaan door bij toepassing van art. 6:101 BW te beslissen dat de vergunninghouder daardoor geheel voor eigen risico handelt… In een situatie als deze, waarin de verleende bouwvergunning later wordt ingetrokken wegens strijd met de wet, brengt dat mee dat de Gemeente aansprakelijk is voor de kosten van een vervangende woning en dat deze kosten niet als eigen schuld voor rekening van [eiser] blijven. De Gemeente miskent met dit verweer in de derde plaats dat zij heeft toegezegd deze kosten te vergoeden (zie de in 2.6 geciteerde brief van 20 oktober 2004). De Gemeente stelt nu dat dit aanbod coulancehalve was gedaan, hoewel dat niet in de brief staat. Zij heeft daarmee echter niet verklaard waarom die toezegging thans niet behoeft te worden nagekomen.
4.13.
De conclusie is daarom dat de Gemeente onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld en dat het beroep van de Gemeente op het ontbreken van causaal verband en eigen schuld faalt. Hierna zullen de schadeposten worden besproken. De Gemeente heeft in de conclusie van antwoord volstaan met een globale bespreking van deze schadeposten en voor het verweer over de hoogte van de schadeposten verwezen naar de correspondentie die de expert van haar verzekeraar, ing. [expert], re, van GRT heeft gevoerd met de advocaat van [eiser]. Deze summiere behandeling is wat onverwacht, omdat dit het onderwerp is waar partijen na vier jaar onderhandelen niet uit zijn gekomen. Zij voldoet niet aan de eisen die aan het verweer van de Gemeente kunnen worden gesteld. Van de rechter kan niet worden gevergd dat hij het verweer afleidt uit overgelegde correspondentie over een aantal jaren, waarin bovendien de standpunten ten gevolge van de onderhandelingen tussen partijen geleidelijk zijn aangepast en veranderd. Om te voorkomen dat dit debat pas in hoger beroep wordt gevoerd, zal de rechtbank het verweer niettemin zo goed mogelijk uit de brieven van [expert] proberen af te leiden.
4.14.
Voor het bepalen van de omvang van de schade moet de huidige, feitelijke situatie worden vergeleken met de hypothetische situatie zoals die zou zijn geweest als de Gemeente niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. De rechtbank gaat uit van de hypothetische situatie dat de Gemeente meteen de juiste procedure, te weten de vrijstellingsprocedure van art. 19 lid 2 WRO, zou hebben bewandeld. Volgens [eiser] zou hiermee een tijd van ongeveer 15 à 16 maanden mee zijn gemoeid. De Gemeente wijst op jurisprudentie van de Afdeling die 1,5 jaar aanvaardbaar vindt. Dat zou betekenen dat in de hypothetische situatie de vergunning zo'n 1,5 jaar na het aanvragen van de bouwvergunning op 26 oktober 2000 zou zijn verleend, dus rond april 2002. In werkelijkheid is de eerste bouwvergunning ingetrokken op 22 april 2002 en de tweede bouwvergunning verleend op 20 september 2004, een periode van twee jaar en vijf maanden. Dat is langer dan 1,5 jaar. Dat heeft ermee te maken dat het goedkeuringsbesluit van GS van 19 augustus 2003 door de Afdeling op 23 december 2003 is vernietigd, waardoor GS op 14 september 2004 een nieuw goedkeuringsbesluit hebben moeten nemen. Deze vertraging komt in de verhouding tussen [eiser] en de Gemeente voor rekening van de Gemeente.
4.15.
[eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij zou hebben afgezien van de aankoop van het perceel, als hij had geweten dat het zo lang zou duren. Hij heeft in dit verband verder verklaard dat zijn verhouding met buurman [buurman] slecht is. Aangenomen wordt dat het huidige standpunt mede daardoor wordt gekleurd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [eiser] het perceel ook zou hebben gekocht als hij van tevoren zou hebben geweten dat de bouwvergunning op een termijn van 1,5 jaar zou worden verleend. [eiser] heeft ook verklaard dat hij in dat geval zijn woning niet al in september 2000 zou hebben verkocht en dus ook niet een datum van levering in mei 2001 zou hebben afgesproken. De rechtbank acht dit aannemelijk. Zij gaat ervan uit dat [eiser] in dat geval de oude woning in de loop van 2002 zou hebben verkocht en geleverd. In dat hypothetische geval zou [eiser] dus geen woning hebben behoeven te huren. Dat betekent dat de door [eiser] betaalde huur als schade voor vergoeding in aanmerking komt. Ook komen de kosten van een extra verhuizing voor vergoeding in aanmerking. Tussen partijen is niet in geschil dat de som van de huurtermijnen € 29.382,44 bedraagt en dat de verhuiskosten € 149,33 belopen.
4.16.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat de in 2003 in werking getreden wijziging in het Bouwbesluit noopten tot aanpassing van het ontwerp en leidden tot hogere bouwkosten en evenmin dat de extra architectkosten € 1.654,03 en de extra bouwkosten € 10.210,05 bedragen. De Gemeente stelt zich echter op het standpunt dat tegenover de hogere bouwkosten een hoger comfort in de nieuwe woning en een hogere markt- en toekomstwaarde van de woning staan die als voordeel moeten worden verrekend. Zij erkent daarom een bedrag van € 5.105,03. Volgens [eiser] is er geen aanleiding voor voordeelsverrekening, omdat hij gedurende 37 maanden in een huurwoning heeft gewoond met weinig comfort, omdat de woning geen hogere markt- en toekomstwaarde heeft en omdat hij de woning voor eigen bewoning met zijn gezin heeft gebouwd. [expert] heeft in zijn brief van 25 september 2007 als belangrijke kostenverhogende factor vermeld dat in het gewijzigde Bouwbesluit verhoogde eisen voor plafondhoogten in verblijfsruimten gelden. Een concrete indicatie voor een hogere markt- en toekomstwaarde van de woning ontbreekt geheel. Dit verweer is daarom onvoldoende uitgewerkt. Dit betekent dat een schadepost van € 10.210,05 voor vergoeding in aanmerking komt.
4.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bouwkosten hoger zijn uitgevallen door de vertraging in de bouw en dat daarmee een bedrag van € 11.707,53 gemoeid is.
4.18.
De Gemeente heeft dus de hiervoor genoemde posten, afgezien van een deel van de met de wijziging van het Bouwbesluit samenhangende kosten, erkend. Niettemin is de Gemeente slechts bereid hiervoor een vergoeding te betalen van € 16.100,99. Zij baseert zich op een berekening van [expert] die als bijlage bij zijn brief van 25 september 2007 is gevoegd. [expert] heeft de uitgaven in de huidige situatie in een spreadsheet gezet, deze met een rekenrente van 6% opgerent naar eind mei 2005. Tevens heeft hij de uitgaven die zouden zijn gedaan, als de Gemeente geen onrechtmatige daad zou hebben gepleegd, in een spreadsheet gezet en deze op dezelfde wijze opgerent. Tenslotte heeft hij de twee bedragen van elkaar afgetrokken, waarna een verschil resteert van € 16.100,99. [eiser] heeft zich tegen deze methode van schadebegroting verzet.
4.19.
[expert] komt tot een laag bedrag, omdat hij in de berekening verdisconteert dat [eiser] een aanzienlijke besparing heeft gehad, doordat hij de kosten voor de bouw van de woning niet in 2001 heeft gemaakt, maar pas in 2005. Een voordeel mag alleen verrekend worden als het daadwerkelijk is genoten. [eiser] had geen geld dat hij in de periode waarin de vertraging voortduurde, had kunnen beleggen. Er zou wel een besparing zijn geweest, als [eiser] gedurende de vertragingsperiode geen hypotheekrente over de bouwkosten van de woning zou hebben moeten betalen. Uit de bijlagen 4a tot en met 4d bij de brief van de advocaat van [eiser] van 21 maart 2007 blijkt echter dat [eiser] in 2001 een bouwdepot had verkregen van de bank, waarover hij gedurende de vertragingsperiode rente heeft moeten betalen. Dat betekent dat [eiser] dus geen voordeel heeft gehad van het later moeten betalen van de bouwkosten. Aan de andere kant vormen deze kosten geen schade: bij het wegdenken van de onrechtmatige daad van de Gemeente had [eiser] deze kosten immers ook gehad. Dat betekent dat de post rente of fiscale schade van € 25.778,47 zal worden afgewezen.
4.20.
[eiser] is ondernemer. Hij stelt dat hij in de 37 maanden dat hij in de huurwoning woonde gemiddeld 10 uur per maand heeft besteed aan beslommeringen rondom de te verlenen bouwvergunningen, de wijziging van het bestemmingsplan, de verandering van het bouwplan, de tussentijdse verhuizing en de inrichting van een tijdelijke woning. Het gaat om 370 uur. Zijn boekhouder, de heer [boekhouder] van Administratiekantoor ‘[B]’ te [b-plaats], heeft in zijn brief van 17 april 2007 berekend dat de nettowinst van de onderneming van [eiser] € 60,20 per uur bedraagt. [eiser] beperkt zijn vordering tot € 12.025,00. De Gemeente stelt dat het bedrag onvoldoende is aangetoond. De rechtbank acht het aannemelijk dat de vertraging en alle daarmee gemoeide extra handelingen voor [eiser] een tijdsbesteding van in totaal 370 uur hebben meegebracht. De met deze inspanningen gemoeide kosten zijn te beschouwen als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter beperking van schade (art. 6:96 lid 2 sub a en b BW). Ook is aannemelijk dat [eiser] door deze inspanningen winst heeft gederfd van in ieder geval € 12.205,00, omdat [eiser] zijn inzet voor zijn onderneming heeft moeten beperken. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
4.21.
[eiser] stelt dat hij gedurende de vertragingsperiode dubbele lasten heeft gehad. Hij beperkt zijn vordering tot de hoogte van de afvalstoffenheffing over 2003 voor het perceel ([a-straat] [1a]) van € 528,00. De Gemeente heeft deze vordering niet betwist.
4.22.
[eiser] vordert kosten van rechtsbijstand over de periode van oktober 2004 tot januari 2009 van € 9.470,60. Uit het dossier blijkt dat de advocaat van [eiser] veel werkzaamheden heeft verricht om verkrijging van voldoening buiten rechte voor [eiser] te bewerkstelligen. De omvang van de kosten komen redelijk voor. Dit onderdeel zal worden toegewezen.
4.23.
Ten slotte vordert [eiser] wettelijke rente. Hij heeft de wettelijke rente over het gevorderde bedrag van € 75.905,45 tot de dag van dagvaarding begroot op € 18.201,85. [eiser] heeft gesteld dat hij bereid is deze post tot dit bedrag te beperken, omdat de schadeposten op verschillende momenten zijn opgekomen en halverwege een renteloze lening van € 25.000,00 is verstrekt. Deze begroting heeft de Gemeente niet betwist. In 4.19 is beslist dat de gevorderde renteschade van € 25.778,47 niet zal worden toegewezen. Dit komt ongeveer overeen met een derde van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de vereenvoudigde renteberekening, die leidt tot een conservatieve begroting van de gederfde rente, tot uitgangspunt nemen en daarom dit onderdeel schattenderwijs begrotend voor twee derden, te weten € 12.134,57, toewijzen.
4.24.
Het voorgaande leidt tot de volgende som:
1. | huurtermijnen | € | 29.382,44 |
2. | verhuiskosten | 149,33 | |
3. | architectkosten | 1.654,03 | |
4. | kosten Bouwbesluit | 10.210,05 | |
5. | indexering bouwkosten | 11.707,53 | |
6. | gederfde winst | 12.025,00 | |
7. | eigenaarslasten | 528,00 | |
8. | buitengerechtelijke incassokosten | € | 9.470,60 |
tussentotaal | € | 75.126,98 | |
Af: voorschot/renteloze lening | € | 25.000,00 | |
verschil | € | 50.126,98 | |
Bij: rente tot dagvaarding | € | 12.134,57 | |
Totaal | € | 62.261,55 |
4.25.
Het bedrag van € 62.261,55 zal worden toegewezen, vermeerderd met de daarover gevorderde wettelijke rente. De gevorderde verklaring voor recht zal ook worden toegewezen. [eiser] heeft er bij de schadebegroting immers rekening mee gehouden dat hij dit bedrag al van de Gemeente heeft ontvangen.
4.26.
De Gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
— | dagvaarding | EUR | 85,98 | |
— | vast recht | 2.070,00 | ||
— | salaris advocaat | 2.235,00 | (2,5 punten × tarief EUR 894,00) | |
Totaal | EUR | 4.390,98 | ||
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt de Gemeente om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 62.261,55 (tweeënzestig duizendtweehonderdéénenzestig euro en vijfenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 20 mei 2009 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
verklaart voor recht dat [eiser] jegens de Gemeente finaal gekweten is van zijn verplichting tot terugbetaling van € 25.000,00 uit hoofde van de renteloze lening van 31 mei 2005,
5.3.
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 4.390,98,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2009.