Einde inhoudsopgave
Beleidsregels cameratoezicht
3.7 Noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit
Geldend
Geldend vanaf 02-02-2016
- Redactionele toelichting
De datum van afkondiging is de datum van de Staatscourant. Deze beleidsregels zijn herplaatst (19-02-2016).
- Bronpublicatie:
02-02-2016, Stcrt. 2016, 4971 (uitgifte: 02-02-2016, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
02-02-2016
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
02-02-2016, Stcrt. 2016, 4971 (uitgifte: 02-02-2016, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Een belangrijk vereiste van een gerechtvaardigde verwerking van persoonsgegevens door middel van cameratoezicht op basis van artikel 151c Gemeentewet betreft de noodzakelijkheid van de verwerking. Cameratoezicht mag namelijk pas worden ingezet indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is (artikel 151c, lid 1, Gemeentewet). Hierbij spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijke rol.
Het proportionaliteitsbeginsel houdt in dat de inbreuken op de belangen van de betrokkenen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel.1. Ingevolge het subsidiariteitsbeginsel moet het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt niet op een andere, voor de betrokkenen minder nadelige, wijze kunnen worden verwerkelijkt.2.
Concreet betekent dit dat telkens nauwkeurig zal moeten worden afgewogen welke openbare plaatsen wel, en welke niet, worden aangewezen voor cameratoezicht. Een enkele en ongemotiveerde verwijzing naar de gehele binnenstad geeft geen blijk van een dergelijke zorgvuldige afweging.3. Cameratoezicht kan immers alleen worden ingezet in gebieden waar er een bovengemiddeld risico bestaat op verstoringen van de openbare orde.4. Daarbij baseert de burgemeester zich op informatie van de politie. Deze informatie geeft de burgemeester een beeld van de veiligheidssituatie van een gebied. Ook kan de burgemeester zich baseren op de zogenoemde Integrale Veiligheidsmonitor.5.
Ook brengt dit met zich mee dat cameratoezicht ter handhaving van de openbare orde slechts mag worden ingezet indien ook andere maatregelen zijn getroffen.6. Minder vergaande maatregelen moeten onvoldoende effectief zijn en deze maatregelen kunnen redelijkerwijs niet worden uitgebreid. Tevens mogen niet meer en langer camera's worden ingezet en niet meer personen en/of plaatsen in beeld worden gebracht dan strikt noodzakelijk is voor de gestelde doeleinden (dataminimalisatie). Dit betekent dat de gemeente alleen continu cameratoezicht mag instellen wanneer niet kan worden volstaan met opnames gedurende bepaalde periodes. Bovendien mag door de camera's niet meer van de openbare ruimte worden bestreken dan het gebied dat door de gemeenteraad en de burgemeester expliciet is aangewezen. Het is niet toegestaan dat camera's video-opnames maken van privévertrekken, zoals van tuinen en het interieur van woonhuizen, of op andere wijze een ongerechtvaardigde inbreuk maken op de privésfeer van burgers.7.
Cameratoezicht in een openbaar toilet maakt een te grote inbreuk op de persoonlijke levenssferen van de betrokkenen. Cameratoezicht in deze ruimte voldoet daarmee niet aan het vereiste van proportionaliteit en is dus niet toegestaan.
Voorts geldt dat het plaatsen van camerabeelden op internet vaak niet noodzakelijk is. De belangen van de betrokkenen kunnen hierdoor immers onevenredig worden geschaad doordat de beelden voor een ieder toegankelijk zijn (disproportioneel).
De noodzaak van de gegevensverwerking moet aanwezig zijn gedurende het gehele verwerkingsproces en dus niet slechts op het moment dat de verwerking begint. Artikel 151c Gemeentewet bepaalt expliciet dat de burgemeester het besluit tot cameratoezicht intrekt zodra de inzet van camera's niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde (lid 5). Dit betekent dat de burgemeester zich regelmatig ervan moet vergewissen of het cameratoezicht nog steeds noodzakelijk is.8. Wat ‘regelmatig’ is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn onder meer de ernst van de situatie waarvoor en de omgeving waarbinnen het cameratoezicht wordt ingesteld en eventuele veranderingen van de omstandigheden.
Heimelijk cameratoezicht
Heimelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet is niet toegestaan. De aanwezigheid van camera's moet op duidelijke wijze kenbaar zijn voor een ieder die het betreffende gebied betreedt (artikel 151c, lid 6, Gemeentewet). De camera's zelf hoeven echter niet zichtbaar te zijn.9.
Voorbeeld noodzakelijk In een uitgaansgebied vinden 's nachts in het weekend vaak ongeregeldheden plaats. De betreffende gemeente heeft reeds extra verlichting aangebracht en de politie surveilleert vaker. Deze maatregelen blijken echter onvoldoende effect te sorteren, waardoor de gemeente heeft besloten tot het inzetten van cameratoezicht. De camera's staan alleen aan gedurende de nachtelijke uren in het weekend. De gemeente heeft hiermee de noodzaak (proportionaliteit en subsidiariteit) van het cameratoezicht aangetoond. |
Voorbeeld niet langer noodzakelijk Sinds de opening van een discotheek vinden er geregeld ongeregeldheden plaats. De betreffende gemeente besluit uiteindelijk tot de inzet van cameratoezicht voor een bepaalde tijdsduur ter handhaving van de openbare orde. Voordat deze tijdsduur afloopt, sluit de discotheek voorgoed zijn deuren. Ondanks dat de bepaalde tijdsduur voor het cameratoezicht nog niet is verstreken, moet de gemeente zich ervan vergewissen of het cameratoezicht nog noodzakelijk is, nu de discotheek is gesloten (verandering van omstandigheden). |
Voetnoten
Kamerstukken II 2012/13, 33 582, nr. 3, p. 14 en nr. 6, p. 15.
De Integrale Veiligheidsmonitor is een bevolkingsonderzoek naar veiligheid, leefbaarheid en slachtofferschap dat gemeenten een beeld geeft van de veiligheidsbeleving van hun inwoners en hun wensen en behoeften op het gebied van veiligheid. Kamerstukken II 2012/13, 33 582, nr. 6, p. 13–14 en 18 en Kamerstukken I 2014/15, 33 582, B, p. 8.
Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 440, nr. 3, p. 11, Kamerstukken II 2004/05, 29 440, nr. 66, p. 4227 en 4228 en Kamerstukken II 2004/05, 29 440, nr. 30, p. 1434.
Zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 582, nr. 3, p. 14 en 15 en Kamerstukken II 2003/04, 29 440, nr. 3,p. 11–12.
Zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 582, nr. 3, p. 5–6 en nr. 6, p. 23.