Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.2.1:3.4.2.1 Inleiding
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.2.1
3.4.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS479301:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De terminologie van het Burgerlijk Wetboek op dit punt, zo heeft de wetgever zelf onderkend, is niet geheel logisch zuiver. De rechtvaardiging voor de gekozen terminologie ligt in het spraakgebruik en de praktische bruikbaarheid om de zaak zelf te identificeren met de eigendom van de zaak. Zie TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 63. Zie ook Wichers 2002, p. 48-50; en Snijders & Rank-Berenschot 2012/35.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
73. Een nieuw eigendomsrecht ontstaat bij de verwerving van een roerende zaak die daarvoor nog niet bestond, zoals het geval is bij zaaksvorming, of geen zelfstandig bestaan leidde, zoals bij de afscheiding van bestanddelen en vruchten. De focus van deze paragraaf ligt op deze ontstaanswijzen. Ook indien de roerende zaak zelf reeds als een zelfstandige zaak bestaat, kan echter een nieuw eigendomsrecht op de zaak ontstaan. Een voorbeeld is het geval dat een zaak aan niemand toebehoort, een zogenoemde resnullius, hetzij doordat zij nog geen voorwerp van eigendom is geworden, hetzij omdat de eigendom daarvan is verloren, bijvoorbeeld door afstand (art. 5:18 BW).1 Het eigendomsrecht op de zaak is in dat geval toekomstig. Eerst door bijvoorbeeld toe-eigening door inbezitneming (art. 5:4 BW) wordt de zaak voorwerp van een eigendomsrecht.2 Deze categorie, de verkrijging van nieuwe rechten op reeds bestaande zaken, blijft hierna buiten beschouwing.
Het begrip zaak heeft overigens geen eenduidige betekenis in het Burgerlijk Wetboek. Met het begrip kan worden gedoeld op een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object (art. 3:2 BW), al dan niet zelfstandig (vgl. art. 3:4 lid 2 en 3:9 lid 4 BW), of op het eigendomsrecht op dit object (art. 5:1 en 3:1 BW).3 Slechts in deze laatste zin kan de zaak worden begrepen als een vermogensbestanddeel, als een goed dat aan iemand toebehoort. In het navolgende wordt met een roerende zaak dan ook gedoeld op het eigendomsrecht op de roerende zaak.4 In deze paragraaf zal het ontstaansmoment van dit eigendomsrecht worden behandeld.