NJB 2024/309
Contractuele uitlegbedingen
Een beschouwing (naar aanleiding) van HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1131
Marnix Snel, datum 05-02-2024
- Datum
05-02-2024
- Auteur
Marnix Snel1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS943162:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Alimentatie
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Staatsrecht / Rechtspraak
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Mr. dr. M.V.R. Snel is als onderwijsdirecteur verbonden aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Radboud Universiteit Nijmegen en verricht onderzoek binnen het Onderzoekscentrum Onderneming & Recht. Het bronnenonderzoek ten behoeve van deze bijdrage is afgerond op 14 december 2023.
F.J. de Vries, ‘Uitleg en cassatie’, NTBR 2023/46 maakt melding van 68 uitspraken van de Hoge Raad in de periode 1 januari 2021 tot en met 15 oktober 2023.
HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1131, RvdW 2023/857.
In de vaktijdschriften verschenen over dit arrest inmiddels noten van R.J.Q. Klomp, JOR 2023/281, E.P.C. Duinkerke, JIN 2023/139, P.H. Bossema-De Greef, JIN 2023/141, C.C. Zillinger Molenaar, JAR 2023/257 en K. Meijering & F. van de Pol, BR 2023/87 en de beschouwing van K.L. Maes, ‘Over de (on)mogelijkheid om het Haviltex-criterium contractueel uit te sluiten’, BB 2023/58. Tevens is aan het arrest aandacht besteed door T.H.M. van Wechem & J.G.J. Rinkes ‘Kroniek van het vermogensrecht’, NJB 2023/2441, p. 2800-2801, D.J. Beenders & E.A.J. Schoenmakers, ‘Over het Valerbosch-arrest en de uitleg van (commerciële) contracten’, ORP 2023/167, p. 16-17; en De Vries, a.w. 2023, p. 430-432 en H.N. Schelhaas & J.H.M. Spanjaard, ‘Uitsluitende of uitgesloten uitleg’, Contracteren 2024, afl. 3, p. 131-138. C.E. Drion, ‘Haviltexhaters’, NJB 2023/1698 besprak al de conclusie die aan het arrest voorafging.
C.E. Drion, ‘De innovatieve contractenmaker en de bewijsovereenkomst’, NJB 2004, afl. 1, p. 17; R.H.J. van Bijnen, ‘Aanvullend contractenrecht: Naar rechtsregels die de belangen van partijen optimaal verwezenlijken’, NJB 2004, afl. 40, p. 2087; M. Wolters, ‘Uitleg van schriftelijke overeenkomsten: Over de onzalige trend naar een primair taalkundige uitleg van contracten’, Contracteren 2009, afl. 1, p. 21; M.H. Wissink, ‘Vertrouwen op tekstuele uitleg’, ORP 2012, nr. 5, p. 30 e.v.; P.S. Bakker: Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (diss. Amsterdam VU) 2012, p. 80-83; H.N. Schelhaas, in: H.N. Schelaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen. Preadviezen 2016 Uitgebracht voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht 2016, p. 174 e.v.; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW A5) 2017/19; M. Uijen, ‘Münchhausen revisited: de bewijsovereenkomst als instrument voor contractenmakers’, Contracteren 2017, afl. 1, p. 20; P.S. Bakker, Contractsuitleg 2021/3.10; H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. nr. 20) 2022/9.3; R.P.J.L. Tjittes, Commercieel contractenrecht (Deel I: Totstandkoming en inhoud) 2022/8.5.
Conclusie A-G Valk 12 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:481.
Gegevens ontleend aan De Vries, a.w. 2023, p. 429.
Vgl. ook expliciet Klomp, a.w. 2023, p. 3634; en Van Wechem & Rinkes, a.w. 2023, p. 2801, noot 43 en Schelhaas & Spanjaard, a.w. 2023, p. 136.
W.L. Valk, ‘Verder denken over uitleg van rechtshandelingen’, NJB 2018/1360, p. 1956.
Hetgeen overigens het belang van de recente oproep van Van Vught in dit blad om de cassatiemiddelen ook steeds te publiceren onderschrijft. Zie K.A.M. van Vught, ‘Het doel heiligt de (cassatie)middelen’, NJB 2023/2889.
Conclusie A-G. Snijders 1 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:743 onder 3.5-3.6. De Hoge Raad deed de op uitleg betrekking hebbende klachten af met art. 81 RO, zie HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1427, RvdW 2023/996.
Anders De Vries, a.w. 2023, p. 432.
Zie bijvoorbeeld HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8198, NJ 2005/169, r.o. 3.3.3.
Rb. Limburg 9 november 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:10082.
Hof ’s-Hertogenbosch 11 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2799, r.o. 5.5.2.
De opsomming van de klachten is overgenomen van de Conclusie A-G Valk 1 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:743. Het volledige cassatiemiddel is gepubliceerd in RvdW 2023/857.
Conclusie A-G Valk 1 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:743 onder 3.14-3.16.
Dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn, wordt voor zowel de Haviltex-maatstaf als de cao-norm vooropgesteld in HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 (DSM/Fox), onder meer herhaald in HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687, NJ 2017/114 (FNV/Condor).
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes c.s./Haviltex), NJ 1981/635.
HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1059 (Gerritse/Has), NJ 1994/173.
Vgl. onder meer Asser/Sieburgh 6-III 2022/380.
Zie met name HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 (DSM/Fox), NJ 2005/493; en Schelhaas & Valk, a.w. 2022/1.2.6 (met verdere verwijzing en een bespreking van de kritiek die hierop wordt geuit).
Zie met name HR 5 april 2023, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx), NJ 2023/214; en Schelhaas & Valk, a.w. 2022/9.5.3.
Dat de aanwezigheid van een entire agreement clause een omstandigheid kan zijn die ertoe bijdraagt dat in een concreet geval als uitgangspunt beslissend gewicht aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van het contract dient te worden toegekend, volgt expliciet uit HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178 (Meyer/PontMeyer), NJ 2007/575.
Vgl. Tjittes, a.w. 2022/5.8.5.
Zie de bronnen vermeld in voetnoot 4.
Conclusie A-G Valk 12 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:481, onder 3.4, met verwijzing naar (een deel van) de literatuur genoemd in voetnoot 5 en voor wat betreft de rechtspraak naar Hof Arnhem-Leeuwarden 11 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:162, onder 5.5; Hof ’s-Hertogenbosch 6 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:879, onder 4.6-4.8; Hof Den Haag 17 december 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4790, onder 2.5-2.6; en Rb. Zwolle-Lelystad 29 augustus 2007, ECLI:NL:RBZLY:2007:BB5629, onder 4.4.
Zie expliciet Schelhaas, a.w. 2016, p. 174-175 en a.w. 2022/9.4, alsmede Tjittes, a.w. 2022/8.5.
Ibid.
Zie reeds Drion, a.w. 2004, p. 17 en meer recent onder meer Schelhaas, a.w. 2016, p. 175 en a.w. 2022/9.4, alsmede Tjittes, a.w. 2022/5.8.5.
Bakker, a.w. 2012, p. 80-83 en a.w. 2021/3.10.
Conclusie A-G Valk 12 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:481 onder 3.6.
Maes, a.w. 2023, p. 236-237 (verwijzend naar r.o. 3.2.1 en 3.2.2). Vergelijk ook Schelhaas & Spanjaard, a.w. 2023, p. 136.
Vgl. De Vries, a.w. 2023, p. 431.
Vgl. Meijering & Van de Pol, a.w. 2023, p. 601-602.
Ibid.
Het advies is onder meer ook gegeven door Van Wechem & Rinkes, a.w. 2023, p. 2800; en De Vries, a.w. 2023, p. 431 en Schelhaas & Spanjaard, a.w. 2023, p. 138. Minder negatief over het contractuele uitlegbeding dat de tekst van de overeenkomst doet prevaleren, is bijvoorbeeld M. Wallart, ‘Boilerplates naar Nederlands recht: deel 1’, ORP 2013, afl. 5, p. 35-36.
Vgl. reeds Asser/Hartkamp 4-II 1997/286.
HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1940 (Valerbosch), NJ 2020/435.
Zie onder meer HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx), NJ 2013/2014.
Vgl. Duinkerke, a.w. 2023, p. 1041, die erop wijst dat als het uitlegbeding in de onderhavige vaststellingsovereenkomst niet was opgenomen, hoger beroep en cassatie achterwege hadden kunnen blijven.
Zie hierover M.H. Wissink, ‘Wegcontracteren van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid’, Contracteren Special Willem Grosheide 2011, p. 24 e.v. en a.w, 2012, p. 31-33; alsook R.P.J.L. Tjittes, ‘De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid bij commerciële contracten’, in: P.J.M. von Schmidt auf Altenstad e.a. (red.), Middelen voor Meijer, Den Haag: Bju 2013, p. 396.
Vergelijk onder meer ook Schelhaas & Spanjaard, a.w. 2023, p. 136. Anders Klomp, a.w. 2023, p. 3634, die vervolgens toch zelf inschat wat partijen met de contractuele uitlegmaatstaf hebben bedoeld (hetgeen het door mij gemaakte punt onderstreept).
Vergelijk de vijf vormen van ‘objectieve uitleg’ zoals onderscheiden door Tjittes, a.w. 2022/2.3 en recent over de betekenis van het begrip ‘taalkundige betekenis van bewoordingen’, A.M.M. Hendrikx, Methoden van contractsuitleg (R&P nr. CA26) 2023/81.
Vgl. Schelhaas & Valk, a.w. 2022/9.4.
Zie daarover (en in het bijzonder ook over de onduidelijkheden die ook dit nog met zich brengt), M.J. Kroeze, ‘Het woordenboek als wet’, RMThemis 2018, afl. 4, p. 121-123.
Vgl. Wissink, a.w. 2012, p. 30. Maes, a.w. 2023, p. 237 lijkt er wat anders in te staan, wanneer zij in dit verband spreekt van ‘less is more’. Drion, a.w. 2023 spreekt een duidelijke voorkeur uit voor het spreken van ‘tekstuele uitleg’, omdat grammatica en taalkunde met uitleg in feite niets van doen hebben.
Immers: ‘woorden zijn op zichzelf nooit duidelijk’, aldus reeds P. Scholten, ‘Uitlegging van testamenten’, WPNR 1909/2058, p. 309-311 (daarna vele malen herhaald).
Zie voor een betwisting Klomp, a.w. 2023, p. 3635.
Vgl. Klomp, a.w. 2023, p. 3635; en Drion, a.w. 2023.
Vgl. ook De Vries, a.w. 2023, p. 431-432, die als een mogelijke verklaring ook nog noemt het in paragraaf 2 in fine genoemde verschil in opvatting over wat in cassatie wel en niet kan worden getoetst. Naar mijn opvatting is de Hoge Raad hier te kort door de bocht gegaan en zat de A-G op het juiste spoor. Weliswaar klaagt het cassatiemiddel niet over het feit dat het hof de contractuele uitlegmaatstaf aan de hand van een onjuiste maatstaf heeft uitgelegd, maar wél over het feit dat het hof de contractuele uitlegmaatstaf op een onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd. Ik kan het cassatiemiddel (onder 3.7 e.v.) niet anders begrijpen. Daarnaast: anders dan de eerste twee stellingen van de vrouw, die inderdaad zien op de bedoelingen die partijen hebben gehad met het begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’, ziet de derde stelling ten minste mede op de wijze waarop het hof de contractuele uitlegmaatstaf heeft uitgelegd. Het hof had die stellingen niet zonder nadere motivering mogen passeren. De Hoge Raad had moeten casseren. Vgl. ook Van Wechem & Rinkes, a.w. 2023, p. 2800 en Schelhaas & Spanjaard, a.w. 2023, p. 136.
De Vries, a.w. 2023, p. 431-431.
Zoals dat ook is toegestaan bij uitleg van een met elkaar in tegenspraak zijnde splitsingsakte en -tekening van een appartementencomplex: HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078, NJ 2013/522 en HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:337, NJ 2014/119.
Tjittes, a.w. 2022/8.5; en Schelhaas & Valk, a.w. 2022/9.2.
De uitspraak van de Hoge Raad van 25 augustus 2023 inzake een echtscheidingsconvenant waarin partijen een eigen maatstaf zijn overeengekomen voor de uitleg van de overeenkomst die afwijkt van de normaliter toepasselijke Haviltex-maatstaf heeft al vele pennen in beweging gebracht. Duidelijk is dat het antwoord op de vraag of partijen een contractuele uitlegmaatstaf kunnen overeenkomen voor de praktijk zeer relevant is. Dat die vraag in bevestigende zin moet worden beantwoord, was al voor deze uitspraak van de Hoge Raad heersende leer. Een formele bevestiging daarvan heeft het arrest niet gebracht maar ook geen reden om aan te nemen dat de Hoge Raad over de kwestie anders denkt. Maar het arrest zegt ook niets over andere belangrijke vragen die opkomen met betrekking tot de contractuele uitlegmaatstaf. In deze bijdrage wordt inzichtelijk gemaakt welke vraagstukken dat zijn en worden de bestaande opvattingen ten aanzien daarvan weergegeven waaraan auteur een eigen opvatting toevoegt.
1. Inleiding
Het leerstuk ‘uitleg van rechtshandelingen’ blijft vooralsnog aanleiding geven tot een flinke, constante stroom aan cassatiezaken.2Eén recente zaak die eruit springt, is de uitspraak van de Hoge Raad van 25 augustus 2023 inzake een vaststellingsovereenkomst (echtscheidingsconvenant) waarin partijen een eigen maatstaf zijn overeengekomen voor de uitleg van de overeenkomst die afwijkt van de normaliter toepasselijke Haviltex-maatstaf.3In deze bijdrage onderwerp ik deze uitspraak en het contractuele uitlegbeding aan een nadere beschouwing. Ik merk op dat ik niet de eerste ben die dat doet. De uitspraak van de Hoge Raad heeft inmiddels al de nodige pennen in beweging gebracht4en in de literatuur en rechtspraak die dateert van daarvoor, is al ruim aandacht geschonken aan de vraag of partijen kunnen overeenkomen op welke wijze een tussen hen gesloten overeenkomst wel en niet mag worden uitgelegd.5Daar komt nog bij dat aan de uitspraak een uiterst informatieve conclusie van A-G Valk is voorafgegaan.6In mijn beschouwing probeer ik al dit relevante bronmateriaal een plaats te geven en daarop voort te bouwen, met name door een aantal kwesties die (nog) niet volledig zijn uitgekristalliseerd verder te doordenken en ten aanzien daarvan eigen opvattingen te vormen.
2. Algemene opmerkingen vooraf
Voordat ik mijn beschouwing aanvang, acht ik het zinvol een aantal algemene opmerkingen te maken.
Het feit dat sprake is van een aanhoudende stroom aan cassatierechtspraak die mede het leerstuk ‘uitleg van rechtshandelingen’ betreft, kan de indruk wekken dat het leerstuk nog verre van uitgekristalliseerd is. Wie echter beter naar die rechtspraak kijkt, zal daarover op zijn minst twijfelen. Van de 68 uitspraken van de Hoge Raad over uitleg die tussen 1 januari 2021 en 15 oktober 2023 zijn gewezen, zijn er 52 afgedaan met artikel 81 RO.7Voor een substantieel deel van de zestien zaken die overblijven, geldt bovendien dat dit door een zetel van drie (in plaats van vijf) raadsheren is beslist, hetgeen erop duidt dat er in deze zaken geen (belangrijke) nieuwe rechtsvragen aan de orde zijn. Ook het arrest van 25 augustus 2023 is door een zetel van drie raadsheren beslist. Dit gegeven weeg ik mee in mijn duiding van deze uitspraak in paragraaf 4.8
Voorts van belang om op te merken is dat cassatierechtspraak over het leerstuk ‘uitleg van rechtshandelingen’ niet altijd even gemakkelijk te doorgronden is. Door Valk is ten aanzien van de cassatierechtspraak over uitleg van uitonderhandelde contracten, althans die tot 2018, vastgesteld dat zij gemeen heeft dat daarin uitsluitend overwegingen naar aanleiding van de cassatiemiddelen zijn opgenomen en vooropstellingen waarin de Hoge Raad uiteenzet hoe het in abstracto zit steeds ontbreken.9De gevolgen daarvan zijn, zo vervolgt hij, dat er niets anders opzit dan te trachten door close reading de precieze stand van het recht te bepalen, waarbij men ook nog eens gemakkelijk op het verkeerde been kan worden gezet. In hoeverre een en ander geldt voor na de publicatie van Valk gewezen arresten over het uitlegleerstuk heb ik niet onderzocht, maar in ieder geval geldt het voor het arrest van 25 augustus 2023. Ook dit gegeven speelt een rol bij de in paragraaf 4 volgende analyse van het arrest.
Het voorgaande maakt tevens dat voor een zinvolle analyse een goed begrip van wat met betrekking tot uitlegkwesties wel en niet in cassatie kan worden getoetst, onontbeerlijk is.10A-G Snijders heeft dit recent uiteengezet in zijn conclusie van 1 september 2023:11mits het cassatiemiddel daarover klaagt, kan in cassatie worden onderzocht (i) of de feitenrechter is uitgegaan van de juiste uitlegmaatstaf en (ii) of de wijze waarop de feitenrechter de uitlegmaatstaf in het concrete geval heeft toegepast begrijpelijk is. Bij het onderzoek onder (i) kan mede worden nagegaan of de feitenrechter is uitgegaan van de juiste betekenis van die maatstaf. Is de feitenrechter bijvoorbeeld zonder motivering voorbijgegaan aan een stelling die gelet op de van toepassing zijnde maatstaf essentieel is – dat wil zeggen volgens die maatstaf tot een andere uitleg leidt dan die van de feitenrechter –, dan volgt cassatie omdat dan de maatstaf is miskend, dan wel de uitspraak niet naar behoren is gemotiveerd, aldus Snijders. Het onderzoek onder (ii) is volgens Snijders naar zijn aard zeer beperkt. Cassatie vanwege de onbegrijpelijkheid van de wijze waarop de feitenrechter de uitlegmaatstaf heeft toegepast, is volgens hem slechts mogelijk indien hetzij de feiten of de stukken onmiskenbaar dwingen tot een ander oordeel dan het oordeel dat de feitenrechter heeft gegeven hetzij de feiten of de stukken het oordeel van de feitenrechter onmiskenbaar niet toelaten. De in de literatuur wel verdedigde opvatting dat de toepassing van de uitlegmaatstaf gemengd feitelijk-juridisch van aard is, wat betekent dat die toepassing binnen zekere grenzen wel op juistheid kan worden onderzocht in cassatie, weerlegt hij op overtuigende wijze.12De beperkte toets naar de begrijpelijkheid van de wijze waarop de feitenrechter de uitlegmaatstaf heeft toegepast, betekent in ieder geval dat het enkele feit dat een andere uitleg dan de door de feitenrechter gegeven uitleg evenzeer mogelijk of zelfs meer voor de hand liggend was geweest, niet tot cassatie kan leiden.13
3. De zaak
3.1. De feiten
Dat gezegd hebbende, ga ik nu in op het arrest van de Hoge Raad dat in deze bijdrage centraal staat. De feiten die daaraan ten grondslag liggen, zijn als volgt.
Na een scheiding sluiten voormalig echtgenoten een vaststellingsovereenkomst. In de considerans daarvan is het volgende beding opgenomen:
‘Bij de uitvoering van de onderhavige overeenkomst prevaleert de letterlijke tekst van deze overeenkomst, in afwijking van het Haviltex-criterium, boven eventuele partijbedoelingen zodat dat bij geschillen die onverhoopt op welke wijze dan ook uit deze overeenkomst mochten voortvloeien, ook wanneer slechts een der partijen een geschil aanwezig acht, de competente rechter de bepalingen zoals opgenomen in de onderhavige overeenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen en toe te passen.’
Tussen de ex-echtgenoten ontstaat een geschil over de uitleg van artikel 1.7 van de vaststellingsovereenkomst, dat bepaalt dat ‘de partneralimentatie zal eindigen op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op 24 mei 2021’. Op basis van de ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst geldende regels zou de vrouw op 24 mei 2022 AOW-gerechtigd worden. Door een wetswijziging is dat inmiddels 25 mei 2024 geworden. In rechte vordert de vrouw de datum te verlengen tot wanneer de man verplicht is aan haar partneralimentatie te betalen tot, primair, 25 mei 2024, subsidiair, 25 mei 2022.
3.2. Beoordeling in feitelijke instanties
In eerste aanleg oordeelde de Rechtbank Limburg dat de man gehouden is partneralimentatie te betalen tot 24 mei 2022.14Zij overweegt daartoe, kort gezegd, dat het begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ een welbekend begrip is in de maatschappij en dat daarmee wordt gedoeld op de juridische betekenis daarvan zoals bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, oftewel de AOW-leeftijd. Het in artikel 1.7 genoemde jaartal 2021 moet volgens haar worden gezien als een verschrijving, omdat (ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst) duidelijk was dat de vrouw de AOW-leeftijd van 65 jaar op 24 mei 2022 zou bereiken.
In hoger beroep verzoekt de man het hof dit oordeel van de rechtbank terug te draaien. De vrouw heeft zich hier tegen verweerd met de stellingen dat:
in de onderhandelingen tussen de (toenmalige) advocaten van partijen, die uiteindelijk hebben geleid tot de vaststellingsovereenkomst, partijen er steeds vanuit zijn gegaan dat de alimentatieverplichting van de man behoorde voort te duren tot aan het moment dat de vrouw zou beschikken over een AOW-uitkering;
zij altijd in loondienstverband in de fysiotherapiepraktijk van de man heeft gewerkt en daardoor geen ouderdomspensioen in eigen beheer en evenmin een prepensioen of vervroegd pensioen heeft opgebouwd;
indien bij de uitleg van de vaststellingsovereenkomst een taalkundige benadering wordt gehanteerd, kan worden geconstateerd dat de betreffende tekst een innerlijke tegenstrijdigheid bevat en dat de rechtbank daarom terecht heeft geconcludeerd dat de toevoeging van de datum 24 mei 2021 niet op zichzelf staat, dat de woorden ‘te weten’ nadrukkelijk zijn verbonden met deze datum en dat met het oog hierop de datum 24 mei 2021 te beschouwen is als een vergissing/verschrijving.
Het hof verwerpt dit verweer en beslist in het voordeel van de man. Het stelt daartoe voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat zij op grond van de considerans van de vaststellingsovereenkomst uitleg van bepalingen uit de overeenkomst conform de Haviltex-maatstaf hebben uitgesloten en dat, in het geval van een geschil, de rechter de bepalingen uit de overeenkomst uitsluitend ‘grammaticaal’ mag uitleggen. Dit leidt volgens het hof tot de volgende conclusie:
‘Het hof is op grond van de inhoud van artikel 1.7 van de vaststellingsovereenkomst van oordeel dat het enige gegeven dat in dit artikel niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, de daarin genoemde einddatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is. Het begrip pensioengerechtigde leeftijd is, naar het oordeel van het hof, wel op meerdere wijzen uit te leggen, hetgeen – gelet op de uitsluiting van het Haviltex-criterium – niet is toegestaan. De rechtbank is daarom met het oordeel (…) inhoudende dat uit de woorden “te weten” blijkt dat partijen hiermee bedoeld hebben om met de opgenomen datum een verduidelijking te geven van het moment waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken en dat sprake is geweest van een verschrijving wat de datum betreft, ten onrechte buiten de grammaticale uitleg van artikel 1.7 getreden. Dit brengt met zich dat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden vernietigd en dat het hof alsnog zal bepalen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw op 24 mei 2021 is geëindigd.’15
3.3. Beoordeling in cassatie
Tegen dit oordeel komt het cassatiemiddel met diverse klachten op. De meest vergaande klacht veronderstelt dat het niet mogelijk is om met een bepaling in een overeenkomst de toepasselijkheid van de redelijkheid en billijkheid geheel buiten werking te stellen en dat onder meer het gezichtspunt ‘de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een bepaalde voorgestane uitleg’ te allen tijde in de uitleg kan worden betrokken.
Onder andere onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over objectieve en grammaticale uitleg, klaagt het middel voorts dat ook indien partijen grammaticale of objectieve uitleg zijn overeengekomen, het niet aankomt op de betekenis van de woorden volgens het woordenboek op zichzelf, maar in plaats daarvan op de betekenis die de bewoordingen hebben indien zij worden gelezen in de context van de gehele uit te leggen bepaling en van de overeenkomst als geheel, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene dan wel andere uitleg en de betekenis van de gebruikte bewoordingen in de (desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer.
Ten slotte bevat het middel ook de klacht dat de wijze waarop het hof de door de vrouw aangevoerde stellingen heeft gepasseerd, onbegrijpelijk is.16
Het cassatiemiddel slaagt volgens de Hoge Raad niet. Hij oordeelt dat voor zover het middel klaagt dat het hof met zijn oordeel de grammaticale of objectieve uitlegmaatstaf zoals bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad heeft miskend door geen acht te slaan op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de door het hof aan artikel 1.7 gegeven uitleg, het eraan voorbijziet dat de considerans van de vaststellingsovereenkomst een eigen, contractuele, uitlegmaatstaf bevat.
Vervolgens merkt de Hoge Raad op dat het middel niet klaagt dat het hof de contractuele uitlegmaatstaf aan de hand van een onjuiste maatstaf of op onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd. Uitgaande van de uitleg die het hof aan de contractuele uitlegmaatstaf heeft gegeven, was het hof volgens de Hoge Raad niet gehouden om nader in te gaan op de hiervoor weergegeven stellingen van de vrouw, nu deze volgens de Hoge Raad betrekking hebben op de bedoelingen die partijen volgens de vrouw hebben gehad met het begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ in artikel 1.7 van de vaststellingsovereenkomst, welke bedoelingen op grond van de contractuele uitlegmaatstaf zoals door het hof uitgelegd, niet bij de uitleg van artikel 1.7 kunnen worden betrokken.
De overige klachten van het middel doet de Hoge Raad af met artikel 81 RO.
3.4. Afwijking van conclusie
De beslissing van de Hoge Raad wijkt in zoverre af van de conclusie van A-G Valk, dat laatstgenoemde tot het oordeel kwam dat het cassatiemiddel terecht klaagt dat de wijze waarop het hof (een deel van) de door de vrouw in hoger beroep aangevoerde stellingen heeft gepasseerd, onvoldoende begrijpelijk is.17Volgens de A-G is de respons van het hof op de stellingen van de vrouw die inhouden dat van de overeengekomen maatstaf van ‘grammaticale uitleg’ de stap wordt gezet naar een norm volgens welke gegevens die – kennelijk na grammaticale uitleg – voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, in het geheel geen rol mogen spelen, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Ook zonder nadere motivering onbegrijpelijk acht hij het feit dat het hof aan de (niet gemotiveerde) uitsluiting van sommige van de in de overeenkomst gebruikte woorden de gevolgtrekking verbindt dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat bepaalde woorden andere verduidelijken en dat de overeenkomst een verschrijving bevat. Ten slotte merkt hij nog op dat hij het zo begrijpt dat het hof meent dat volgens de toepasselijke uitlegmaatstaf niet relevant is waarvan partijen en/of hun advocaten wel of niet zijn uitgegaan en dat dit zelfs ook geldt indien de tekst van de overeenkomst een (voor beide partijen kenbare) verschrijving zou bevatten, maar het allerminst vanzelfsprekend acht dat dit (mede) de inhoud is van de door partijen overeengekomen uitlegmaatstaf, zodat een en ander motivering behoefde.
4. Analyse
4.1. Inleiding
In onderhavige zaak hebben de man en de vrouw met een contractuele uitlegmaatstaf sturing willen geven aan de wijze waarop het echtscheidingsconvenant wordt uitgelegd indien er zich tussen hen op enig moment een interpretatieverschil voordoet. In paragraaf 4.2 plaats ik deze vorm van sturing eerst in een breder kader. Ik ga in op de wens die kennelijk bij sommige contractspartijen leeft om niet (volledig) op het in de rechtspraak ontwikkelde regime voor de uitleg van overeenkomsten te vertrouwen en bespreek kort een aantal manieren waarop partijen nog meer trachten het toepasselijke uitlegregime te beïnvloeden. Daarna ga ik uitgebreid in op het geval van de overeengekomen eigen uitlegmaatstaf. In paragraaf 4.3 behandel ik de rechtsgeldigheid van een contractuele uitlegmaatstaf, in paragraaf 4.4 de vraag of het overeenkomen daarvan wel zo verstandig is en in paragraaf 4.5 het uitlegregime waaraan een dergelijk beding zelf is onderworpen. In paragraaf 4.6 ga ik vervolgens nog wat dieper in op de wijze waarop contractuele uitlegmaatstaven in de praktijk worden vormgegeven en wat zij wel en niet (kunnen) betekenen.
4.2. Contractuele beïnvloedingen van het toepasselijke uitlegregime
In de rechtspraak is in de loop der jaren een uitlegregime ontwikkeld, waarbij de wijze waarop een overeenkomst dient te worden uitgelegd in beginsel afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval. Uit de omstandigheden vloeit allereerst voort of de toepasselijke maatstaf de Haviltex-maatstaf of de cao-norm is. Vervolgens bepalen de omstandigheden ook hoe de toepasselijke maatstaf wordt toegepast.18Voor beide maatstaven geldt dat uitleg van de in de overeenkomst gekozen bewoordingen op grond van taalkundige argumenten weliswaar een belangrijke wijze van uitleg is, maar allerminst de enige. Bij de Haviltex-maatstaf komt het uiteindelijk aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten,19zodat in beginsel iedere omstandigheid in aanmerking komt waaraan een partij in redelijkheid enige verwachtingen omtrent de totstandkoming en inhoud van de overeenkomst heeft kunnen hechten. Bij de cao-norm gaat het om de betekenis die naar objectieve maatstaven uit de gekozen bewoordingen volgt,20hetgeen met zich brengt dat in beginsel alle objectief kenbare omstandigheden bij de uitleg een rol kunnen spelen.
De onzekerheid die een en ander met zich brengt over hoe in het geval van een interpretatieverschil de tussen hen gesloten overeenkomst moet en zal worden uitgelegd, zet sommige contractspartijen aan tot het treffen van maatregelen. Behalve het opnemen van een eigen, contractuele uitlegmaatstaf, komen in de praktijk nog een aantal andere ‘oplossingen’ voor. Ik bespreek er daar drie van.
Soms gaan contractpartijen zo ver dat zij in hun overeenkomst opnemen dat de (beperkende en aanvullende werking van de) redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn uitgesloten of dat de Nederlandse regels met betrekking tot de uitleg van overeenkomsten niet van toepassing zijn (zonder daar een eigen contractueel uitlegregime voor in de plaats te stellen). Naar huidig recht staat buiten twijfel dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet van toepassing kan worden uitgesloten en dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid weliswaar kan worden beperkt door zelf contractuele voorzieningen te treffen, maar niet geheel van toepassing kan worden uitgesloten.21Schelhaas verbindt aan dit gegeven de conclusie dat een beding dat de redelijkheid en billijkheid of de Nederlandse regels van uitleg – die volgens de heersende leer te beschouwen zijn als een toepassing/functie van de redelijkheid en billijkheid22 – van toepassing uitsluit, geen effect sorteert en dus ook de (wijze van) uitleg niet beïnvloedt. Ik acht haar daarin te strikt. Naar mijn opvatting kan de omstandigheid dat een dergelijk (ongeldig) beding onderdeel uitmaakt van een overeenkomst, wel degelijk een van de (vele) relevante omstandigheden zijn bij de uitleg van de overeenkomst waarvan het beding onderdeel uitmaakt. Of dat zo is en welke betekenis aan de aanwezigheid van een dergelijk (ongeldig) beding meer precies toekomt, hangt af van de omstandigheden van het geval en zal op zichzelf door uitleg moeten worden vastgesteld. Eén uitkomst kan mijns inziens dan bijvoorbeeld zijn dat in een concreet geval de aanwezigheid van een dergelijk beding bijdraagt aan de conclusie dat als uitgangspunt beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van het contract. Zelfs acht ik het niet ondenkbaar dat een hier bedoeld beding in voorkomende omstandigheden moet worden uitgelegd als een (ik verklap alvast: wel geldig) contractueel uitlegbeding.
Zeker in commerciële contracten wordt ook veel gebruikgemaakt van een zogenoemde entire agreement clause. In de praktijk komen vele variaties voor, maar het standaardtype beoogt duidelijk te maken dat het schriftelijke contract de gehele rechtsverhouding tussen partijen weergeeft en dat er geen andere afspraken (letters of intent, memoranda of understanding en andere precontractuele afspraken) tussen partijen ten aanzien van het onderwerp van het contract gelden. Over de entire agreement clause is inmiddels de nodige literatuur en rechtspraak verschenen. Daaruit volgt (te) kort gezegd dat het standaardtype entire agreement clause in beginsel niets zegt over de wijze waarop de overeenkomst moet worden uitgelegd, doch slechts de omvang van de contractuele afspraken vastlegt; in beginsel, omdat de aanwezigheid van de entire agreement clause wél een relevante omstandigheid kan zijn bij de uitleg van een overeenkomst waarvan deze clausule deel uitmaakt.23Voor de vraag of dit zo is en welke betekenis in een concreet geval aan zo’n clausule toekomt, geldt mutatis mutandis hetgeen ik hiervoor met betrekking tot het beding dat de redelijkheid en billijkheid uitsluit heb opgemerkt.24
Voorts komt in menig (commercieel) contract een no oral modification clause voor. In zijn standaardvorm houdt deze in dat een wijziging van contractuele afspraken pas effect heeft indien dit schriftelijk is vastgelegd. Een dergelijk beding brengt met zich dat omstandigheden en gedragingen die hebben plaatsgevonden nadat een schriftelijke overeenkomst tot stand is gekomen, (in beginsel) geen rol mogen spelen bij de uitleg van de overeenkomst. Los daarvan geldt mijns inziens dat de aanwezigheid van een no oral modification clause, evenzeer als de aanwezigheid van een beding dat de redelijkheid en billijkheid van toepassing uitsluit en een entire agreement clause, onder omstandigheden en door uitleg een omstandigheid kan zijn die bijdraagt aan de conclusie dat als uitgangspunt beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de overeenkomst waarin het is opgenomen.
4.3. Kunnen partijen rechtsgeldig een eigen uitlegmaatstaf overeenkomen?
Contractspartijen die het uitlegregime dat op de tussen hen gesloten overeenkomst van toepassing is, wensen te beïnvloeden, komen daartoe ook wel een eigen uitlegmaatstaf overeen. Gaan partijen hiertoe over, hetgeen in de praktijk in toenemende mate lijkt te gebeuren,25dan vindt dit doorgaans plaats vanuit de wens om de (letterlijke) tekst van de overeenkomst te laten prevaleren boven de bedoelingen die daarachter schuilgaan. Onderhavige zaak biedt daarvan een duidelijk voorbeeld.
De vraag rijst of een beding dat een contractuele uitlegmaatstaf bevat die afwijkt van de daarzonder toepasselijke uitlegmaatstaf, rechtsgeldig kan worden overeengekomen. Een groot deel van de (vele) reacties die de in deze bijdrage centraal staande uitspraak van de Hoge Raad op social media ontlokte, kondigde met de nodige bombarie aan dat de Hoge Raad deze vraag in bevestigende zin had beantwoord. Met de auteurs die dit arrest reeds annoteerden,26constateer ik echter dat de Hoge Raad op genoemde vraag geen, althans geen expliciet, antwoord geeft.
De conclusie van A-G Valk gaat op deze vraag wel expliciet in. Hij merkt terecht op dat de vraag minder spannend is dan zij lijkt, daar in literatuur en rechtspraak al geruime tijd heersende leer is dat partijen in beginsel rechtsgeldig de maatstaf kunnen bepalen aan de hand waarvan hun overeenkomst moet worden uitgelegd.27Redengevend daarvoor wordt vooral geacht dat het zelf kunnen bepalen van een contractuele uitlegmaatstaf een uitvloeisel is van het beginsel van contractsvrijheid en past bij het uitgangspunt dat het verbintenissenrecht slechts aanvullend van karakter is.28Naar mijn opvatting is daarmee reeds een afdoende onderbouwing gegeven. In de literatuur trof ik evenwel nog enkele andere argumenten aan. Zo is volgens Schelhaas het contractueel kunnen bepalen van een eigen uitlegmaatstaf in lijn met de uitlegnormen die de Hoge Raad zelf sinds het DSM/Fox-arrest hanteert. Zij wijst er in dit verband op dat de rechtspraak van de Hoge Raad erop neerkomt dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval soms een subjectievere, soms een objectievere, soms zelfs uitsluitend taalkundige uitleg kan worden gehanteerd, en dat het tegen deze achtergrond niet vreemd of bezwaarlijk is dat contractspartijen zelf kiezen welke kant van dat spectrum toepasselijk is op de door hen gesloten overeenkomst.29Van meer technische aard is ten slotte het argument dat een uitlegclausule altijd mede betrekking heeft op de bronnen van bewijs die bij de uitleg kunnen worden betrokken en daarmee ook te kwalificeren is als een bewijsovereenkomst, die – binnen bepaalde grenzen – toelaatbaar wordt geacht (artikel 153 Rv en artikel 7:900 lid 3 BW).30
In zijn conclusie wijst A-G Valk erop dat alleen Bakker een wat ander standpunt heeft verdedigd.31Kort gezegd behoort volgens Bakker de mogelijkheid voor partijen om te bepalen dat hun contract uitsluitend taalkundig, ‘naar de letter’ mag worden uitgelegd af te stuiten op het feit dat uitleg steeds met inachtneming van de dwingendrechtelijke grondnorm van redelijkheid en billijkheid dient plaats te vinden en dus niet uitsluitend naar de letter kan plaatsvinden. Mijns inziens terecht brengt de A-G daartegenin dat er geen goede reden is om aan te nemen dat er geen contractsvrijheid bestaat met betrekking tot de te hanteren maatstaf voor de uitleg van een overeenkomst en dat een contractueel overeengekomen uitlegmaatstaf geen uitsluiting van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid inhoudt, hetgeen, zo zagen wij reeds hiervoor, inderdaad niet is toegelaten.32
De Hoge Raad heeft het feit dat A-G Valk wél is ingegaan op de toelaatbaarheid van een eigen, contractuele uitlegmaatstaf, niet aangegrepen om zijn eigen opvatting over deze kwestie kenbaar te maken. Dat hoefde hij ook niet te doen, omdat het cassatiemiddel geen klacht bevatte die deze kwestie als zodanig aan de orde stelt. Desondanks had de Hoge Raad zich, bijvoorbeeld in een vooropstelling, over de kwestie kunnen uitspreken, maar dat heeft hij, geheel in lijn met de wijze waarop hij al geruime tijd rechtspreekt in kwesties over uitleg (zie paragraaf 2), dus niet gedaan.
Op het gevaar af te veel te willen lezen in het arrest van de Hoge Raad, zijn daarin evenwel enkele (impliciete) aanwijzingen te vinden voor het feit dat de Hoge Raad de heersende leer onderschrijft. Net als Maes, zie ik daarvoor een aanwijzing in het feit dat de Hoge Raad zonder meer vooropstelt dat hier een contractuele uitlegmaatstaf is overeengekomen waarin de Haviltex-maatstaf is uitgesloten, waarna hij dit vertrekpunt dragend maakt voor zijn conclusie dat de overwegingen van het hof voldoende zijn gemotiveerd en geen gebruikmaakt van voorbehouden, bijzinnen of enige vorm van relativering.33Een andere aanwijzing kan worden gevonden in het feit dat de Hoge Raad de klacht van de vrouw dat partijen de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de verschillende interpretaties als uitlegfactor niet kunnen wegcontracteren, met artikel 81 RO afdoet.34Ten slotte kan een aanwijzing worden gevonden in de overweging van de Hoge Raad dat voor zover het middel klaagt dat het hof de rechtspraak van de Hoge Raad die handelt over objectieve of grammaticale uitleg heeft miskend, het eraan voorbijgaat dat sprake is van een eigen, contractuele, uitlegmaatstaf. Uit deze overweging is mijns inziens overigens ook voorzichtig af te leiden dat op een eigen, contractuele uitlegmaatstaf in beginsel niet de algemene uitlegjurisprudentie van toepassing is.35
Gaat men ervan uit dat contractspartijen inderdaad in beginsel een eigen uitlegmaatstaf kunnen overeenkomen, dan is daarmee mijns inziens nog niet gezegd dat zonder meer in elke overeenkomst elke eigen uitlegmaatstaf door de beugel kan.36Hoe bijvoorbeeld te oordelen over het geval dat in een overeenkomst die in beginsel onder het regime van de cao-norm valt, is opgenomen dat ook de niet objectief kenbare bedoelingen van partijen bij de uitleg kunnen worden betrokken? Ik geef direct toe dat deze vraag een hoog theoretisch gehalte heeft, maar acht haar daarom dogmatisch niet minder interessant. In het licht van de achtergrond waartegen de cao-norm is geïntroduceerd – betrokkenheid van derden die de subjectieve bedoelingen van de contractopstellers niet kunnen kennen –, zou ik menen dat een dergelijk beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geoordeeld voor zover er een beroep op wordt gedaan door of jegens een partij die niet bij de totstandkoming van het contract betrokken is geweest.
4.4. Is het overeenkomen van een eigen uitlegmaatstaf verstandig?
Dat contractspartijen (in beginsel) rechtsgeldig een eigen uitlegmaatstaf overeen kunnen komen en dat zij deze mogelijkheid in de praktijk doorgaans benutten om tot uitdrukking te brengen dat de (letterlijke) tekst van de overeenkomst prevaleert boven de bedoelingen die daarachter schuilgaan, wil niet zeggen dat zij daaraan ook verstandig doen. Het advies om hiermee een grote mate van terughoudendheid te betrachten is waarschijnlijk aan dovemansoren gericht, maar daarmee niet minder belangrijk om te geven.37
Voor terughoudendheid spreekt mijns inziens met name dat in de rechtspraak door de jaren heen een uitgebalanceerd regime is ontwikkeld, waarmee in alle gevallen rechtvaardige resultaten kunnen worden bereikt. Die rechtspraak toont vele gevallen waarin de taalkundige betekenis van de in de overeenkomst gekozen bewoordingen nu juist niet leidde tot duidelijkheid, terwijl omtrent het overeengekomene in redelijkheid geen twijfel bestaat.38Het regime houdt dan ook in zorgvuldig afgewogen mate rekening met de mate waarin argumenten van taalkundige aard bij de uitleg worden betrokken. Het reikt te ver om de wijze waarop dit regime dit doet in deze bijdrage volledig weer te geven. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat wanneer op basis van de omstandigheden van het geval aannemelijk is dat partijen een zodanige mate van zorg hebben besteed aan de formulering van de tekst van de overeenkomst dat ervan mag worden uitgegaan dat de tekst de bedoelingen van partijen nauwkeurig en juist weergeeft, de rechter de overeenkomst voorshands aan de hand van taalkundige argumenten dient uit te leggen.39Levert uitleg aan de hand van taalkundige argumenten geen zinvol resultaat op of levert een van de contractspartijen voldoende bewijs aan voor het feit dat de op basis van taalkundige argumenten bereikte uitleg niet overeenstemt met hetgeen partijen hebben beoogd, dan wijkt de uitleg op basis van taalkundige argumenten voor een andere uitleg.40
Het spreekt voor zich dat het door contractspartijen overeenkomen dat de tussen hen gesloten overeenkomst slechts op basis van taalkundige argumenten mag worden uitgelegd in die gevallen waarin de omstandigheden er niet op wijzen dat de tekst van de overeenkomst de bedoelingen van partijen nauwkeurig en juist weergeeft, uitermate risicovol is en waarschijnlijk meer uitleggeschillen veroorzaakt dan voorkomt. Ook wanneer de omstandigheden er wél op wijzen dat de tekst van de overeenkomst de bedoeling van partijen nauwkeurig en juist weergeeft, is echter het overeenkomen van een eigen uitlegmaatstaf die van de in de rechtspraak aangebrachte nuanceringen is ontdaan, risicovol, zo maakt onderhavige zaak maar weer eens duidelijk.41Bovendien denk ik, situaties van bewuste misleiding daargelaten, dat contractspartijen die een grote mate van zorg hebben besteed aan de formulering van de contracttekst en daarom een hier bedoelde clausule opnemen, onvoldoende hebben stilgestaan bij de situaties waarop de in de rechtspraak ontwikkelde nuanceringen zien.
Bij het voorgaande komt nog dat een uitlegbeding waarmee de bedoelingen van partijen worden weggecontracteerd, ook onzekerheid biedt, omdat er als gevolg daarvan na uitleg van de overeenkomst doorgaans meer leemtes overblijven.42
4.5. Uitleg van de contractuele uitlegmaatstaf
Een volgende vraag is aan welk uitlegregime de overeengekomen uitlegmaatstaf zelf is onderworpen. Net zoals het in deze bijdrage besproken arrest van de Hoge Raad geen expliciet antwoord geeft op de vraag of contractspartijen een eigen uitlegmaatstaf kunnen overeenkomen, doet het dat ook niet ten aanzien van deze vraag.
Op het eerste gezicht lijkt het aannemelijk dat een contractuele uitlegmaatstaf moet worden uitgelegd met inachtneming van die maatstaf zelf. De uitlegmaatstaf is immers onderdeel van het contract waarvan zij bepaalt hoe dat moet worden uitgelegd.
Bij nadere beschouwing blijkt dit toch problematisch. Neem bijvoorbeeld de onderhavige zaak, waarin partijen voor ‘grammaticale uitleg’ hebben gekozen. Als ook ‘grammaticale uitleg’, grammaticaal moet worden uitgelegd, ontkomt men er niet aan zich op enig moment toch af te vragen wat partijen daarmee precies hebben beoogd. Dit temeer omdat ‘grammatica’, althans in zijn taalkundige betekenis, geen betekenis van woorden of zinnen aanwijst. Ik ben dan met A-G Valk geneigd aan te nemen dat voor de uitleg van een contractueel overeengekomen uitlegmaatstaf toch weer de Haviltex-maatstaf in beeld komt, óók als de contractuele uitlegmaatstaf deze nu juist heeft beoogd uit te sluiten.43Tegelijkertijd denk ik wel dat de toepassing van de Haviltex-maatstaf op de contractuele uitlegmaatstaf niet onbeïnvloed kan blijven door de contractueel overeengekomen uitlegmaatstaf. Als op basis van de overeengekomen uitlegmaatstaf al direct duidelijk is dat partijen uitlegargumenten van taalkundige aard belangrijk vinden, ligt het mijns inziens voor de hand om daarmee ook bij de uitleg van de uitlegmaatstaf rekening te houden. Zo bezien gaat het tot op zekere hoogte om communicerende vaten.
4.6. Varianten van contractuele uitlegmaatstaven en enige nadere reflecties daarbij
De bewoordingen waarin contractspartijen de wens tot uitdrukking brengen dat in het geval van een interpretatieverschil tussen hen, uitleg slechts kan plaatsvinden aan de hand van taalkundige argumenten, verschillen. In onderhavige zaak hanteerden partijen het begrip ‘grammaticale uitleg’, maar daarnaast komen ook begrippen als ‘letterlijke uitleg’, ‘tekstuele uitleg’, ‘taalkundige uitleg’, ‘objectieve uitleg’, enzovoort, voor.
Voor geen van genoemde begrippen geldt dat zij onder juristen, laat staan onder niet-juristen, een vastomlijnde betekenis hebben.44Alle duiden zij er inderdaad op dat partijen uitlegargumenten van tekstuele/taalkundige aard belangrijk vinden, maar daarmee is er nog altijd veel onduidelijk.45Sommigen zullen met deze begrippen bedoelen dat de betekenis van gebruikte woorden zoveel mogelijk die is, die de bekende woordenboeken daaraan toekennen.46Anderen zullen doelen op de betekenis die de bewoordingen hebben indien zij gelezen worden in de context van de gehele uit te leggen bepaling en de overeenkomst als geheel, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene dan wel de andere uitleg en de betekenis van de gebruikte bewoordingen in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer. En, als dat al duidelijk is, hoe dan om te gaan met een geval waarin de verkozen uitleg niet tot een zinvol resultaat leidt, zoals bijvoorbeeld het geval is wanneer er sprake is van een innerlijk tegenstrijdig beding? Een en ander maakt duidelijk dat contractspartijen, zo zij al een eigen uitlegmaatstaf overeenkomen, er goed aan doen deze zo precies mogelijk te formuleren.47Daarbij past wel de kanttekening dat hoe precies en uitgebreid men ook is, de gekozen bewoordingen nooit volledige duidelijkheid kunnen bieden.48
De innerlijke tegenstrijdigheid die in onderhavige zaak bestond tussen het begrip pensioengerechtigde leeftijd en de datum 24 mei 2021, loste het hof op door de contractuele uitlegmaatstaf van ‘grammaticale uitleg’ zo uit te leggen dat het voor meerderlei uitleg vatbaar begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ moest wijken voor de niet voor meerderlei uitleg vatbare datum. Nog los van de vraag of het begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ wel voor meerderlei uitleg vatbaar is, hetgeen betwistbaar is,49kan men zich afvragen of dit ‘opknippen’ van een bepaling in twee delen om dan per deel te beoordelen of dit duidelijk is of niet en vervolgens alleen het meest duidelijk deel te laten staan, wel (in het licht van paragraaf 4.5: de door partijen bedoelde) ‘grammaticale uitleg’ betreft.50Of stelliger dan dat: dat het de bedoeling van partijen is geweest dat als gevolg van de contractueel overeengekomen grammaticale uitleg een mogelijke verschrijving op deze manier van tafel wordt geveegd, is mijns inziens alleszins onzeker. Net als A-G Valk acht ik (mede in het licht van de stellingen die de vrouw in hoger beroep aanvoerde, zie paragraaf 3) zonder nadere motivering het oordeel van het hof dan ook onbegrijpelijk. Een verklaring voor het feit dat de A-G hierin wel aanleiding ziet om te casseren, maar de Hoge Raad niet, kan mijns inziens worden gevonden in een verschil in lezing van het cassatiemiddel tussen A-G en Hoge Raad.51
Ook De Vries acht de door het hof verkozen uitleg van de contractueel overeengekomen ‘grammaticale uitleg’ onbegrijpelijk.52Hij constateert dat het ‘grammaticaal uitleggen’ van een innerlijk tegenstrijdig beding ‘niet zo makkelijk is’. Vertrekkend vanuit die constatering, vermeldt hij vervolgens dat hij verdedigbaar acht dat in die gevallen ook de feitelijke kenmerken, die zijn te onderscheiden van de bedoelingen van partijen, voor de uitleg relevant worden.53Dit leidt volgens hem tot de conclusie dat de woorden ‘pensioengerechtigde leeftijd’ centraal zouden moeten staan in de zoektocht naar de juiste betekenis van het einddatumbeding en dat de datum van 24 mei 2021 als verduidelijking daarvan was opgenomen conmaar kennelijk een verschrijving bevatte, nu het een feit is dat de vrouw op 24 mei 2021 nog niet de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt.
Mij lijkt de door De Vries voorgestane oplossing wat te ver gezocht. Met de vaststelling dat het niet gemakkelijk is – of beter: onmogelijk – om een innerlijk tegenstrijdig beding ‘grammaticaal’ uit te leggen, ben ik het graag eens. Ik zou vervolgens echter aansluiting willen zoeken bij de literatuur over het contractuele uitlegbeding, die stelt dat wanneer er sprake is van een beding dat verplicht tot (een vorm van) taalkundige uitleg, maar die uitleg niet leidt tot een zinnig resultaat – hetgeen onder meer (maar niet uitsluitend) het geval is wanneer er sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid – de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid alsnog de toepassing van het in de rechtspraak tot ontwikkeling gekomen uitlegregime kan bewerkstelligen.54
5. Conclusies
Het moge duidelijk zijn dat het antwoord op de vraag of partijen een contractuele uitlegmaatstaf kunnen overeenkomen voor de praktijk zeer relevant is. Dat die vraag in bevestigende zin moet worden beantwoord, was al voor de uitspraak van de Hoge Raad van 25 augustus 2023 heersende leer. Een formele bevestiging daarvan heeft het arrest niet gebracht. Tegelijkertijd geeft het arrest ook geen enkele reden om aan te nemen dat de Hoge Raad over de kwestie anders dan de heersende leer denkt en zijn er zelfs signalen dat hij die leer onderschrijft. Ik plaatste bij dit alles wel de kanttekening dat een en ander niet betekent dat elk uitlegbeding in elke overeenkomst rechtsgeldig kan worden overeengekomen. Het arrest van de Hoge Raad zegt ook niets over andere belangrijke vragen die opkomen met betrekking tot de contractuele uitlegmaatstaf. In deze bijdrage heb ik inzichtelijk proberen te maken welke vraagstukken dit zijn – is het verstandig een eigen uitlegmaatstaf overeen te komen, aan de hand van welke maatstaf moet de contractuele uitlegmaatstaf worden uitgelegd en welke betekenis kan toekomen aan een uitlegbeding waarin partijen de wens tot uitdrukking te brengen dat hun overeenkomst slechts op grond van taalkundige argumenten kan worden uitgelegd – en ten aanzien daarvan de bestaande opvattingen weergegeven en daaraan een eigen opvatting toegevoegd.