Parketnummer 23-001553-22.
HR, 14-10-2025, nr. 23/03429
ECLI:NL:HR:2025:1560
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
23/03429
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1560, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:867
ECLI:NL:PHR:2025:867, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1560
- Vindplaatsen
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Rijden zonder rijbewijs, art. 107.1 WVW 1994. Aanwezigheidsrecht. Had hof nader onderzoek moeten doen naar eventuele detentie van verdachte, nu er voldoende redenen waren om aan te nemen dat verdachte was gedetineerd gelet op vermelding van detentieadres in p-v van tz. in hoger beroep? HR: art. 81.1 RO
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03429
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 augustus 2023, nummer 23-001553-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.J. Lamers bij schriftuur en aanvullende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde hechtenis van vier weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 107.1 WVW 1994. Berechting in afwezigheid van verdachte. Blijkt van detentie verdachte? AG meent dat vermelding van detentie verdachte in proces-verbaal ttz berust op kennelijke misslag. Ambtshalve: redelijke termijn van berechting in cassatie overschreden. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03429
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 21 augustus 2023 door het gerechtshof Amsterdam1.wegens "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van vier weken.
1.2
Namens de verdachte heeft M.J. Lamers, advocaat in Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof de zaak ten onrechte buiten aanwezigheid van de verdachte (op tegenspraak) heeft afgedaan, althans dat het hof – terwijl er voldoende redenen waren om aan te nemen dat de verdachte was gedetineerd – heeft nagelaten hier nader onderzoek naar te doen en/of het onderzoek ter terechtzitting te schorsen.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2023 houdt het volgende in:
“De verdachte, opgeroepen als:
[verdachte]
geboren [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
adres: [a-straat 1] [plaats]
thans gedetineerd te [penitentiaire inrichting] te [plaats]
is niet verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. F.S. Baardman, advocaat te Utrecht, die desgevraagd verklaart door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen. Voorts verklaart de raadsvrouw dat de verdachte op de hoogte is van de zitting, maar dat hij thans in Frankrijk is wegens het overlijden van zijn oom.”
2.3
Bij de stukken van het geding bevinden zich de betekeningsstukken betreffende de terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2023. Hieruit volgt dat de verdachte voor deze terechtzitting is opgeroepen op het adres [a-straat 1] [plaats] en dat de oproeping op dit adres aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Geen van de betekeningsstukken bevat een aanwijzing dat de verdachte op enig moment was gedetineerd.
2.4
De aantekening mondeling arrest van 21 augustus 2023 vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] te [plaats] . Deze aantekening maakt geen melding van een detentieadres.
2.5
Gelet op het voorgaande en mede gelet op de verklaring van de ter terechtzitting van 21 augustus 2023 aanwezige en door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw dat “de verdachte op de hoogte is van de zitting, maar dat hij thans in Frankrijk is wegens het overlijden van zijn oom”, ga ik er vanuit dat de zinsnede “thans gedetineerd te [penitentiaire inrichting] te [plaats] ” in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2023 een kennelijke misslag betreft. Dit vindt overigens ook bevestiging in het opgevraagde detentieoverzicht, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte in de periode tussen 9 februari 2023 en 18 maart 2024 niet gedetineerd is geweest.2.
2.6
De Hoge Raad zal het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 augustus 2023 verbeterd kunnen lezen. Daarmee komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen en faalt het.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van cassatie op 4 september 2023. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM zal worden overschreden. Dit behoeft evenwel niet te leiden tot strafvermindering als de Hoge Raad uiterlijk arrest wijst op 3 oktober 2025. De Hoge Raad kan dan volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.3.Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2025
Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, mag hier in cassatie acht op worden geslagen.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2 en 3.3.