Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/2.3.1
2.3.1 Algemeen
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS391799:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie D. 8,4,12 (Paulus): ‘Wanneer een perceel grond ten behoeve van een ander perceel met een erfdienstbaarheid is belast, volgen de erfdienstbaarheden de grond, ook als deze verkocht [en geleverd] is’.
Het antwoord op de vraag of erfdienstbaarheden al dan niet moeten worden beschouwd als van de eigendom afgescheiden bestanddelen, is omstreden. Uit D. 50,16,25 (Paulus) valt een ontkennend antwoord af te leiden. Ik houd de leer inhoudende dat erfdienstbaarheden moeten worden gezien als een nieuw en zelfstandig recht voor de meeste juiste. Zie uitvoerig over de constructie van het beperkte recht Mollema, diss. 2013, p. 13-60 en hierna par. 7.2.2.
Zie D. 8,1,1 (Marcianus). Hierna zal duidelijk worden dat het bundelen van beide categorieën weinig zinvol is omdat ertussen grote verschillen bestaan. De Romeinse juristen lijken reeds tot dit inzicht te zijn gekomen omdat de personele en reële dienstbaarheden op verscheiden plaatsen in het Corpus Iuris zijn geregeld.
Thans is het woord servituut synoniem met erfdienstbaarheid. De term personele dienstbaarheden is immers niet meer gebruikelijk.
Het door Marcianus naargelang van de functie gemaakte onderscheid tussen landelijke en stedelijke erfdienstbaarheden is klassiek en heeft na de klassieke tijd zijn betekenis verloren. Zie ook Gaius 2,14.
Zie D. 8,1,15,1 (Pomponius). Zie voor overige kenmerken van erfdienstbaarheden Kaser I (1971), p. 442 en 443 en Windscheid/Kipp I (1906), p. 1061-1067.
Het onderscheid tussen zaak en persoon is gelegen in het subject van het recht. Personele dienstbaarheden zijn evenzogoed goederenrechtelijke rechten.
Daarnaast kan ook het recht van gebruik (usus) worden genoemd, hetgeen een bijzondere vorm is van ususfructus. Zie Kaser I (1971), p. 454. De wijze van vestiging en beëindiging is dezelfde. Zie D. 7,1,3,3. (Gaius).
Zie D. 7,1,1 (Paulus) en Kaser I (1971), p. 450.
Zie Van Oven 1948, p. 154.
Zie D. 7,1,3,1 (Gaius).
De term emphytheusis is afkomstig uit het oostelijke (Griekstalige) gedeelte van het Romeinse rijk, waar van oudsher een recht in gebruik was dat soortgelijk was aan het Romeinsrechtelijke ius perpetuum in agro verticali. Beide rechten versmolten tot één erfpachtsrecht waarbij de Griekse naam in stand is gebleven. Zie voor de totstandkoming uitgebreid Van Oven 1948, p. 163-165.
Zij hebben in het klassieke Romeinse systeem geen belangrijke plaats ingenomen en hun regelingen zijn in het casuïstisch opgezette Corpus Iuris om die reden nogal beperkt van omvang. Toch zijn ze in het ius commune blijven voortleven en ze zijn dan ook in zwang bij de Pandektisten.
Zie Van Oven 1948, p. 165. Later konden beide rechten overigens ook op particuliere grond worden gevestigd. Zie Kaser/Wubbe, p. 145.
Zo verkrijgt een erfpachter van rechtswege de vruchten en draagt hij ook de lasten. Verder mag de erfpachter zijn recht vervreemden en bezwaren. Zie Windscheid/Kipp I (1906), p. 1110 en 1111.
Het goederenrechtelijke karakter in de klassieke tijd is weliswaar omstreden, in het ius commune daarentegen onomstreden. Zie Windscheid/Kipp I (1906), p. 1107.
Zie voor de goederenrechtelijke positie van de vruchtgebruiker Kaser I (1971), p. 451 en zie hierna onder 2.3.2 voor die van de erfpachter en opstaller.
Van oudsher bestaat de behoefte om bepaalde rechten te kunnen uitoefenen op een zaak van een ander. Zo kan bijvoorbeeld degene die de grond van zijn buurman wenst te bewandelen om zich aldus een kortere verbinding tot de verkeersweg te verschaffen, een recht van overpad op de grond van de buurman doen vestigen. Een dergelijk recht dat deze laatstgenoemde buurman alsdan verleent op zijn zaak (en niet een recht tegen zijn persoon met betrekking tot de zaak), heeft goederenrechtelijke werking met als gevolg dat het recht ook tegen eventuele nieuwe eigenaren van de grond kan worden ingeroepen.1 Men spreekt in dit verband van beperkte goederenrechtelijke genotsrechten. Deze beperkte rechten moeten worden beschouwd als nieuwe zelfstandige rechten die naast het eigendomsrecht bestaan.2
Onder de verschillende goederenrechtelijke genotsrechten in het Romeinse recht – die grote gelijkenissen vertonen met de genotsrechten naar huidig recht – nemen de dienstbaarheden (servituten) de belangrijkste plaats in. Deze worden naar Justinianus’ codificatie onderscheiden in twee categorieën:
‘Dienstbaarheden zijn hetzij personeel, zoals het recht van gebruik en het recht van vruchtgebruik, hetzij reëel, zoals de landelijke en stedelijke erfdienstbaarheden.’3
De ene categorie servituten4 (reële) bestaat uit dienstbaarheden op een perceel grond ten behoeve van een naburig perceel, hetgeen wij nu verstaan onder erfdienstbaarheden.5 Een erfdienstbaarheid is een beperking van het eigendomsrecht die tot gevolg heeft dat de eigenaar iets moet dulden waar-tegen hij op grond van zijn eigendomsrecht zou kunnen optreden of iets moet nalaten wat hij op grond van zijn eigendomsrecht zou mogen doen. Een erfdienstbaarheid mag dus niet bestaan in een verplichting om iets te doen.6
De andere categorie dienstbaarheden bestaat uit persoonlijke gebruiksrechten, dat wil zeggen dat zij niet toekomen aan een grondeigenaar, maar aan een persoon als zodanig en derhalve uiterlijk bij zijn dood eindigen.7 Het meest voorkomend persoonlijk gebruiksrecht is het recht van vruchtgebruik (ususfructus).8 Dit is het recht om een goed van een ander te gebruiken in de meest ruime zin van het woord en de vruchten ervan te plukken, voor zover hierdoor geen verandering wordt aangebracht in het wezen van het goed.9 De eigenaar die een goed in vruchtgebruik geeft, behoudt slechts wat genoemd wordt de ‘bloot eigendom’, omdat hij wordt ontbloot van alle profijt van het goed.10 Naast het feit dat een vruchtgebruik ook op roerende goederen betrekking kan hebben,11 is een beduidend verschil met erfdienstbaarheden dat het vruchtgebruik het exclusieve gebruik van het goed omvat. In het geval dat er een erfdienstbaarheid is gevestigd, behoudt de eigenaar van het lijdende erf de bevoegdheid om – zij het met inachtneming van het beperkte recht – alle handelingen ten aanzien van zijn zaak verrichten. Een vruchtgebruiker heeft daarentegen met uitsluiting van de eigenaar het recht op het volledig gebruik en de vruchten van het goed.
Ook de rechten van erfpacht (emphyteusis12) en opstal (superficies) hebben hun grondslag in het Corpus Iuris.13 Zij hebben met het recht van vruchtgebruik gemeen dat zij de gerechtigde een volledig gebruiksrecht verschaffen met als gevolg dat de eigenaar slechts de bloot eigendom overhoudt. De rechten van erfpacht en opstal zijn ontstaan vanuit de behoefte van de overheid om grond te exploiteren zonder de eigendom prijs te geven.14 Een erfpachter, wiens bevoegdheden voor de overeengekomen duur in grote mate overeenstemmen met die van een eigenaar,15 mag de zaak niet verwaarlozen en is gehouden tot betaling van een overeengekomen jaarlijkse canon. Een recht van opstal houdt de bevoegdheid in om op de grond van een ander een gebouw te plaatsen en te gebruiken. Beide rechten worden beschermd met een actio in rem en zijn daarmee goederenrechtelijke rechten.16 Een belangrijk verschil met vruchtgebruik is dat de vruchtgebruiker houder is van het goed – weliswaar beschermd met bijzondere, aan die van de bezitter analoge, interdicten – terwijl de erfpachter en de opstaller in de goederenrechtelijke positie van bezitter tot het goed staan.17