Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.2.1
3.2.1 Verkrijgingen krachtens erfopvolging bij versterf
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948121:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie M.J.A. van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 25.
Zie over de erfopvolging bij versterf in het algemeen Asser/Perrick 4 2021/44-68 en M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 45-53.
Zie Asser/Perrick 4 2021/69 en M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 55-56. Zie voor een uitvoerige beschrijving van de totstandkomingsgeschiedenis van het huidige Boek 4 BW M.J.A. van Mourik, Handboek erfrecht 2020, p. 1-10.
Zie Asser/Perrick 4 2021/70 en M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 55. Zie over artikel 1167 oud BW W.D. Kolkman, ‘Ouderlijke boedelverdeling’, T&C Erfrecht civiel en fiscaal, commentaar op artikel 1167 Boek 4 BW (2021); M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 85-87 en Huijgen, Boelens, Reinhartz & Sonneveldt, Compendium erfrecht 2018/366-379. Zie voorts paragraaf 5.3 van hoofdstuk 5.
Zie Asser/Perrick 4 2021/70 en M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 55.
Zie Asser/Perrick 4 2021/70 en M.J.A. van Mourik, in: Handboek erfrecht 2020, p. 56.
Zie paragraaf 2.1 van hoofdstuk 3.
Zie met name paragraaf 4 van hoofdstuk 8.
285. Artikel 1:94 lid 2 sub a BW noemt als eerste uitzondering op de werking van boedelmenging ‘goederen die krachtens erfopvolging bij versterf’ zijn verkregen. De uitdrukking ‘bij versterf’ houdt in ‘enkel op grond van de wet’ (dus niet krachtens een uiterste wilsbeschikking).1 De erfgenamen bij versterf zijn de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, en de bloedverwanten van de erflater in de door artikel 4:10 lid 1 BW aangegeven volgorde. De wet roept daarbij de verwanten tot de nalatenschap uit eigen hoofde (artikel 4:10 lid 1 BW) of bij plaatsvervulling (artikel 4:10 lid 2 BW).2 Op grond van artikel 4:10 lid 1 BW roept de wet uit eigen hoofde tot de nalatenschap achtereenvolgens: 1) de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen met diens kinderen; 2) de ouders van de erflater tezamen met diens broers en zusters; 3) de grootouders van de erflater; en 4) de overgrootouders van de erflater. Daarbij erven degenen die tezamen uit eigen hoofde tot een nalatenschap worden geroepen voor gelijke delen (artikel 4:11 lid 1 BW). Plaatsvervulling geschiedt met betrekking tot personen die op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn of verwerpen, of wier erfrecht is vervallen (zie artikel 4:12 lid 1 BW). Zij die bij plaatsvervulling erven, worden staaksgewijze geroepen tot het erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen (zie artikel 4:12 lid 2 BW).3 Is sprake van een situatie waarin de erflater was gehuwd, en hij als erfgenamen bij versterf zijn echtgenoot en hun kinderen achterlaat, dan geldt daarbij nog wel het volgende.
286. Onder het huidige erfrecht is de positie van de langstlevende echtgenoot aanzienlijk versterkt ten opzichte van de positie die hij onder het oude erfrecht had.4 Die versterking is bereikt doordat de langstlevende echtgenoot op grond van Afdeling 4.3.1 BW van rechtswege alle goederen van de nalatenschap verkrijgt (zie artikel 4:13 lid 1 BW), terwijl ieder van de kinderen als erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten laste van die echtgenoot verkrijgt, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel (zie artikel 4:13 lid 3 BW). Met artikel 4:13 lid 1 BW heeft de wetgever tot stand gebracht wat erflaters onder het oude erfrecht op grond van artikel 4:1167 oud BW bij uiterste wilsbeschikking tot stand konden brengen (de zogenoemde ‘ouderlijke boedelverdeling)’.5Wat artikel 4:13 lid 1 BW tot stand brengt wordt ook wel ‘de wettelijke verdeling’ genoemd.6 Daarbij moet men zich dan wel realiseren dat van een werkelijke verdeling geen sprake is. Op grond van artikel 4:13 lid 1 BW gaan de goederen van de erflater rechtstreeks van de erflater op de langstlevende echtgenoot over, waarbij de kinderen van rechtswege een vordering op die echtgenoot verkrijgen. Er is dus géén sprake van een situatie waarbij op een ondeelbaar moment een gemeenschap van nalatenschap tussen de langstlevende echtgenoot en de kinderen bestaat, die door verdeling wordt beëindigd (zoals bij artikel 4:1167 oud BW wel het geval was, zie paragraaf 5.3 van hoofdstuk 5).7
287. Uit het voorgaande volgt dat een versterferfgenaam goederen van de erflater kan verkrijgen, dan wel een vordering in geld op de langstlevende echtgenoot. Is een versterferfgenaam in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, dan zullen deze goederen en/of vordering op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten zijn huwelijksgemeenschap vallen omdat deze als ‘krachtens erfopvolging bij versterf verkregen goederen’ kwalificeren. Dat geldt (uiteraard) óók wanneer de wettelijke verdeling van artikel 4:13 lid 1 BW niet van toepassing is, en er meerdere erfgenamen zijn. In dat geval ontstaat tussen de erfgenamen een gemeenschap van nalatenschap in de zin van artikel 3:189 lid 1 BW. Ieder van de erfgenamen verkrijgt dan een aandeel in de afzonderlijke goederen van de nalatenschap.8 Is een erfgenaam in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, dan zullen (de aandelen in) die goederen als ‘krachtens erfopvolging bij versterf verkregen goederen’ buiten de huwelijksgemeenschap vallen waarin hij is gehuwd. Op wat in dat geval rechtens is wanneer die gemeenschap wordt verdeeld, zal in hoofdstuk 8 uitvoerig worden teruggekomen.9