NJB 2025/1798
Transactie, art. 74 Sr: zodanige transactie is een publiekrechtelijke overeenkomst, die berust op wilsovereenstemming tussen het openbaar ministerie en de verdachte. Het Wetboek van Strafrecht bevat geen regeling die bepaalt of en, zo ja, onder welke omstandigheden een dergelijke transactie kan worden vernietigd met een beroep op een wilsgebrek, in het bijzonder bedrog of dwaling. Er is echter geen bepaling van het Wetboek van Strafrecht of enige andere geschreven of ongeschreven regel van straf- of publiekrechtelijke aard die zich ertegen verzet dat de civielrechtelijke bepalingen over bedrog (art. 3:44 BW) en dwaling (art. 6:228 BW) – op grond van de zogeheten schakelbepalingen (art. 3:59 BW resp. art. 6:216 BW) – overeenkomstige toepassing vinden op een transactie in de zin van art. 74 Sr. Evenmin verzet de aard van de strafrechtelijke transactie zich zonder meer tegen een dergelijke overeenkomstige toepassing. Op grond van een en ander moet worden aangenomen dat een strafrechtelijke transactie als bedoeld in art. 74 Sr in beginsel kan worden vernietigd met een beroep op overeenkomstige toepassing van de civielrechtelijke bepalingen over bedrog en dwaling. Zie ook NJB 2025/1790
HR 13-06-2025, ECLI:NL:HR:2025:898
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 juni 2025
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, M.J. Borgers, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink, F. Posthumus
- Zaaknummer
24/01027
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:898, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑06‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:316, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑03‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑03‑2024
- Wetingang
Essentie
Transactie, art. 74 Sr: zodanige transactie is een publiekrechtelijke overeenkomst, die berust op wilsovereenstemming tussen het openbaar ministerie en de verdachte. Het Wetboek van Strafrecht bevat geen regeling die bepaalt of en, zo ja, onder welke omstandigheden een dergelijke transactie kan worden vernietigd met een beroep op een wilsgebrek, in het bijzonder bedrog of dwaling. Er is echter geen bepaling van het Wetboek van Strafrecht of enige andere geschreven of ongeschreven regel van straf- of publiekrechtelijke aard die zich ertegen verzet dat de civielrechtelijke bepalingen over bedrog (art. 3:44 BW) en dwaling (art. 6:228 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.