Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/41:41 Regeling vrijwel ongewijzigd; jurisprudentie
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/41
41 Regeling vrijwel ongewijzigd; jurisprudentie
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455802:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922, NJ 2012, 316, m.nt. C.J.M. Klaassen en JBPr 2012, 25, m.nt. G. van Rijssen (Boekhoorn/Cyrte). Zie hierover verder nr. 236.
HR 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3345, NJ 2004, 18, m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2003, 20, m.nt. E.F. Groot (Uiterlinden/Van Zijp); HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8610, NJ 2004, 584 en JBPr 2004, 30, m.nt. E.F. Groot (Wustenhoff/Gebuis); HR 11 februari 2005, ECLI:NL: HR:2005:AR6809, NJ 2005, 442, m.nt. W.D.H. Asser en JBPr 2005, 21, m.nt. E.F. Groot (Frog/ Floriade).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Behalve een andere nummering – het voorlopig getuigenverhoor is thans geregeld in art. 186-193 Rv – en redactionele wijzigingen, bracht de wetswijziging in 2002 weinig verandering in de regeling van het voorlopig getuigenverhoor. Noemenswaardig is op deze plaats1 het vervallen van de beperking die gold in geval van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van een geregistreerd partnerschap (art. 214 lid 2 Rv (1988)).
Van veel meer belang is de rechtspraak over de karakterisering en de verschillende afwijzingsgronden van het voorlopig getuigenverhoor in de periode vanaf 2002. In dit hoofdstuk wordt deze rechtspraak slechts kort aangestipt, om in met name hoofdstuk 5 en 6 uitgebreid aan de orde te komen.
In 2011 heeft de Hoge Raad in de beschikking Boekhoorn/Cyrte de in de beschikking Saueressig/Forbo gegeven – vooral op het voorafgaand aan een procedure te houden voorlopig getuigenverhoor gerichte – karakterisering aangevuld:
“dat een voorlopig getuigenverhoor ertoe strekt de verzoekende partij bewijs te verschaffen van feiten en omstandigheden die zij niet alleen in een eventueel te beginnen maar ook in een reeds aanhangige procedure zou hebben te bewijzen, dan wel de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen meer zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of deze voort te zetten (vgl. laatstelijk HR 22 februari 2008, LJN BB5626, NJ 2010/542, rov. 3.6.1, en HR 22 februari 2008, LJN BB3676, NJ 2010/543, rov. 3.5.2).
Hetgeen aldus ten aanzien van de positie van de verzoeker van het voorlopige getuigenverhoor is gezegd, geldt in gelijke mate voor de wederpartij die in het voorlopig getuigenverhoor is verschenen en daarin op grond van art. 189 in verbinding met art. 168 Rv recht heeft op het leveren van tegenbewijs.”2
Daarnaast is het aantal afwijzingsgronden vergroot. Vanaf de herontdekking van het voorlopig getuigenverhoor in de jaren 70 van de vorige eeuw tot aan een aantal, tussen 2002 en 2005 gewezen arresten van de Hoge Raad3 werd een aan de wettelijke eisen voldoend verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor door de rechter slechts afgewezen op grond van misbruik van bevoegdheid. Het middel werd onder andere daardoor enorm populair. Door de toename van het aantal voorlopige getuigenverhoren manifesteerden zich echter ook de nadelen van het middel. De Hoge Raad heeft daarom in de genoemde arresten de afwijzingsgronden van het voorlopig getuigenverhoor uitgebreid, waardoor de rechter meer mogelijkheden heeft gekregen om een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor af te wijzen en de nadelen daarvan beter te ondervangen (zie verder par. 6.3).