Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.2.5
3.4.2.5 Afscheiding en splitsing van zaken
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480519:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Spath 2004, p. 91; en Spath 2010/109.
Vgl. Wichers 2002, p. 210.
Volgens Wichers 2002, p. 210, is doorslaggevend of het handelen naar verkeersopvattingen primair is gericht op het geven van een zekere vorm. Spath 2004, p. 98, bepaalt de grens tussen afscheiding/splitsing en zaaksvorming aan de hand van het belang van de geleverde inspanning voor het ontstaan van de nieuwe zaak.
Wichers 2002, p. 210 en 319-320, typeert dit als merkwaardig. Het Duitse recht kent daarentegen wel een uitdrukkelijke regeling in § 953 e.v. BGB.
Zie MO, Parl. Gesch. Boek 5, p. 17 en Spath 2004, p. 93-94. De wet bevat wel een aantal bepalingen die op afscheiding zien. Voor de afscheiding van vruchten valt te wijzen op art. 3:9 lid 4 en art. 5:17 BW. Art. 3:4 lid 2 BW benadrukt de mogelijkheid van afscheiding van bestanddelen in het algemeen.
Wichers 2002, p. 273 en 320; Spath 2004, p. 94; en Snijders & Rank-Berenschot 2012/41.
Art. 3:9 lid 1 BW.
Art. 3:9 lid 4 BW.
Art. 5:1 lid 3 BW. Zie ook het onder oud recht gewezen HR 17 oktober 1986, NJ 1987/985, m.nt. W.M. Kleijn (Van Olmen/Van Olmen) over de verkrijging van een pasgeboren veulen.
Vgl. de art. 3:201, 5:89 lid 1, 7:202 en 7:316 BW. Zie ook Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/80; en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/527-528.
Art. 3:120 lid 1 BW. Vgl. MvT, Parl. Gesch Boek 5, p. 115 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/528.
Vgl. de art. 3:123 (bezit), 3:124 (houderschap), 3:208 lid 2 (vruchtgebruik), 3:266 (hypotheek), 5:75 lid 3 (erfdienstbaarheid), 5:89 lid 3 (erfpacht), 5:105 lid 2 (opstal), 7:216 (huur) en 7:349 lid 1 BW (pacht).
Wichers 2002, p. 274; en Spath 2010/114-115. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/399.
Art. 2 lid 2 Mijnbouwwet.
Vgl. art. 5:20 lid 1, onderdeel b, BW en MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 219 (Mijnbouwwet), nr. 3, p. 50. Zie ook Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/94a.
Vgl. art. 5:20 lid 1, onderdelen c en d, BW. Zie ook Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/94a.
Art. 3 lid 1 jo. 2 lid 2 Mijnbouwwet.
Art. 3 lid 2 jo. 6 Mijnbouwwet.
Deze aanwijzing is a contrario ontleend aan de incompleetheid van een zaak zonder een bepaald object als aanwijzing voor de kwalificatie van dat object als bestanddeel. Vgl. HR 15 november 1991, NJ 1993/316 (Dépex/Curatoren Bergel); HR 27 november 1992, NJ 1993/317 (Ontvanger/Rabobank); HR 28 juni 1996, JOR 1996/107, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, NJ 1997/397 m.nt. P. van Schilfgaarde (Straalcabine) en HR 6 december 2012, JOR 2013/65, m.nt. A. Steneker, NJ 2013/571, m.nt. H.J. Snijders (Prorail/Rijswijk). Vgl. Wichers 2002, p. 83-87.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 72. Vgl. HR 6 december 2012, JOR 2013/65, m.nt. A. Steneker, NJ 2013/571, m.nt. H.J. Snijders (Prorail/Rijswijk) over de tijdelijkheid van een (hulp)constructie als een relevante aanwijzing.
Aan een definitieve fysieke scheiding staat feitelijk gelijk het geval dat de scheiding slechts kan worden ongedaan gemaakt met de aanwending van kosten of arbeid die in een onevenredige verhouding staan tot de waarde van de afgescheiden of gesplitste zaken.
80. Een andere wijze van ontstaan van roerende zaken is door afscheiding of splitsing. Van afscheiding kan worden gesproken indien een bestanddeel van een zaak zodanig wordt losgemaakt van de hoofdzaak dat het tot een nieuwe zelfstandige zaak verwordt. Naast de eigendom op de hoofdzaak ontstaat een nieuw eigendomsrecht op de afscheiden zaak. Van splitsing is sprake indien de bestanddelen van een zaak zodanig worden losgemaakt dat zij twee of meer nieuwe zelfstandige zaken verworden en de oorspronkelijke zaak tenietgaat.1
Afscheiding en splitsing van zaken houden nauw verband met zaaksvorming. Niettemin dienen deze figuren te worden onderscheiden. Dit onderscheid kan worden gemaakt langs de lijn van de vereisten voor zaaksvorming: een “nieuwe zaak” en “vorming” daarvan. Bij afscheiding en splitsing wordt een bestanddeel verzelfstandigd tot een zaak. Hierdoor ontstaat een nieuw eigendomsrecht en in zoverre een nieuwe zaak. Het is echter niet gezegd dat de afgescheiden of gesplitste zaak steeds een nieuwe zaak is in de zin van art. 5:16 BW. Niet steeds zal sprake zijn van een eigen, van die van de oorspronkelijke zaak te onderscheiden identiteit. In die gevallen kan van zaaksvorming geen sprake zijn.2 Voor zover de afscheiding of splitsing wel een nieuwe zaak oplevert in de zin van art. 5:16 BW – en dat zal niet zelden het geval zijn – is zij niet gevormd. Dit staat buiten kijf indien de afscheiding of splitsing heeft plaatsgevonden door natuurkrachten.3 Is de afscheiding of splitsing teweeggebracht door menselijk handelen, dan is het enige verschil met zaaksvorming dat dit menselijk handelen niet kan worden aangemerkt als vorming in de zin van art. 5:16 BW.4 De grens tussen afscheiding en splitsing enerzijds en zaaksvorming anderzijds is hierdoor vloeiend. Daarnaast is het denkbaar dat binnen een volledig productieproces de ene figuur de andere figuur voorafgaat of opvolgt.
Een algemene regeling voor de eigendomsverkrijging bij afscheiding en splitsing ontbreekt in het Burgerlijk Wetboek.5 Aan wie het nieuwe eigendomsrecht toekomt, is dan ook niet in algemene zin bepaald. De eigendomsverkrijging door afscheiding en splitsing is te beschouwen als een voorbeeld van een ontstaanswijze van goederen die niet rechtstreeks uit de wet volgt, maar meer indirect uit de wet mag worden afgeleid.6 Als hoofdregel wordt aangenomen dat de eigenaar van de oorspronkelijke zaak tevens eigenaar wordt van de afgescheiden of gesplitste zaken.7 Deze hoofdregel kent een aantal (wettelijke) toepassingen en uitzonderingen, waarvan hierna slechts de gevallen van vruchttrekking, wegneming en delfstofwinning worden behandeld.
81. Vruchttrekking is een bijzondere vorm van afscheiding van bestanddelen, voor zover zij ziet op natuurlijke vruchten. Onder natuurlijke vruchten moet worden begrepen roerende zaken die volgens de verkeersopvatting als vruchten van een andere zaak zijn aan te merken.8 Natuurlijke vruchten worden zelfstandig door hun afscheiding.9 Afgescheiden natuurlijke vruchten komen als uitgangspunt toe aan de eigenaar van de zaak waarvan zij zijn afgescheiden.10 Dit ligt anders indien een ander op grond van een genotsrecht op een zaak gerechtigd is tot de vruchten van die zaak.11 Hieronder zijn zowel zakelijke of persoonlijke genotsrechten begrepen. In aanmerking voor vruchttrekking komen de vruchtgebruiker, de erfpachter, de huurder en de pachter.12 De wet bevat een bijzondere regeling voor vruchten die van bomen op een naburig erf vallen; zij komen toe aan de degene die de vruchten van dat erf toekomt.13 Een ander bijzonder geval is de bezitter te goeder trouw; hij wordt gerechtigd tot de afgescheiden vruchten van de zaak die hij te goeder trouw bezit.14
82. Een andere bijzondere vorm van afscheiding betreft de uitoefening van een zogenoemd wegneemrecht (ius tollendi). De wet kent onder omstandigheden de bezitter, houder, vruchtgebruiker, hypotheekgever, eigenaar van een heersend erf, erfpachter, opstaller, huurder en pachter de bevoegdheid toe om door hem aan de zaak aangebrachte veranderingen en toevoegingen weg te nemen, mits dit leidt tot herstel in de oude toestand.15 Eerst met het verwijderen van het toegevoegde bestanddeel wordt het een zelfstandige roerende zaak. De uitoefening van het wegneemrecht leidt ertoe dat de persoon die bevoegd is tot wegneming een nieuw eigendomsrecht verkrijgt op de roerende zaak zodra hij hem wegneemt.16
83. Weer een bijzondere vorm van afscheiding betreft de winning van delfstoffen.17 Nog niet gewonnen delfstoffen worden door de wet geclassificeerd als onroerende zaken.18 Voor de eigendom van niet gewonnen delfstoffen moet worden onderscheiden tussen delfstoffen die op minder en op meer dan 100 meter onder het aardoppervlak aanwezig zijn. In het laatste geval is de Mijnbouwwet van toepassing met een bijzonder regime.19 Vaste delfstoffen op minder dan 100 meter onder het aardoppervlak zijn onderdeel van de eigendom van de grond.20 Gasvormige of vloeibare delfstoffen op deze diepte behoren, evenmin als water, niet toe aan de grondeigenaar; zij behoren niemand toe.21 De delfstoffen die dieper dan 100 meter onder het aardoppervlak aanwezig zijn, behoren toe aan de Staat.22
Door winning worden de delfstoffen tot zelfstandige roerende zaken.23 Bij het onttrekken van vaste delfstoffen die op minder dan 100 meter diepte liggen, gelden de algemene regels voor afscheiding en vruchttrekking. Gasvormige of vloeibare delfstoffen op deze diepte zullen – analoog aan de regeling voor grondwater – van rechtswege gaan toebehoren aan de eigenaar van de grond waar zich het werk bevindt waardoor zij aan de oppervlakte zijn gekomen, ongeacht wie de winning heeft uitgevoerd.24 Bij delfstoffen dieper dan 100 meter onder het aardoppervlak, wordt de eigendom door het winnen van deze delfstoffen verkregen door de vergunningshouder.25 Ontbreekt een vergunning, dan wordt aangenomen dat de gewonnen delfstoffen toebehoren aan de Staat.26
84. De eigendom van de afgescheiden of gesplitste zaak wordt verkregen met en door de afscheiding of splitsing. De afscheiding of splitsing wordt voltooid door de definitieve beëindiging van de status van de zaak als bestanddeel van een andere zaak. Ter bepaling van het tijdstip van de verkrijging kan in omgekeerde zin aansluiting worden gezocht bij de maatstaven van art. 3:4 BW voor bestanddeelvorming en de factoren die in dat kader relevant zijn. Een bijzondere aanwijzing voor de verzelfstandiging van de zaak is mijn inziens de omstandigheid dat de afgescheiden of gesplitste zaak vanuit het oogpunt van haar bestemming als compleet wordt beschouwd.27 Daarnaast komt betekenis toe aan de duurzaamheid van de fysieke scheiding. Indien de scheiding slechts tijdelijk is, kan de zaak nog steeds als bestanddeel worden aangemerkt.28 Een sterke aanwijzing richting de verzelfstandiging van de zaak is daarentegen gelegen in een fysieke scheiding van permanente aard.29