De goede procesorde
Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.5.1:4.3.5.1 Inleiding
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.5.1
4.3.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS378687:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In hoger beroep geldt ingevolge art. 347 Rv dat partijen in beginsel slechts één conclusie kunnen nemen (ook al blijkt de appèlrechter in de praktijk veelal meerdere conclusies toe te staan). Nieuwe stellingen kunnen derhalve, in beginsel, alleen in die ene conclusie (memorie van grieven of antwoord) of bij pleidooi worden aangevoerd.
Daarover infra, par. 43.6.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
155. Hoewel de wettelijke regeling van het burgerlijk procesrecht wel voorschriften geeft voor het aantal conclusies dat partijen kunnen nemen, stelt zij maar weinig grenzen aan het moment waarop partijen, gegeven het aantal toegestane conclusies, nieuwe stellingen kunnen aanvoeren. Eiser dient er rekening mee te houden dat het moment waarop hij stellingen aanvoert die een verandering of vermeerdering van eis of de gronden daarvan inhouden, van belang kan zijn voor de vraag of die verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde en dus, ingevolge art. 130 Rv al dan niet toelaatbaar is.
Voor gedaagde geldt dat art. 128 lid 3 Rv eraan in de weg staat dat hij stellingen die een exceptief verweer opleveren nog met succes na zijn conclusie van antwoord in het geding kan brengen. Datzelfde artikel verhindert dat hij na de conclusie van antwoord nieuwe principale verweren kan voeren, indien hij niet reeds in die conclusie enig principaal verweer heeft gevoerd.,1
In verzoekschriftprocedures stelt de wet nog minder grenzen aan het moment waarop partijen nieuwe stellingen kunnen inbrengen. Weliswaar kan art. 130 Rv ook dan, door overeenkomstige toepassing via art. 283 Rv, grenzen stellen aan de mogelijkheden om laat in de procedure nog stellingen aan te voeren die een verandering of vermeerdering van verzoek inhouden, maar de eis van concentratie van verweer kent de wettelijke regeling van de verzoekschriftprocedure niet.
De jurisprudentie van de Hoge Raad leert echter dat de rechter naast de wettelijke beperkingen ook buitenwettelijke beperkingen stelt aan de mogelijkheid van een partij om op enig moment in het proces nog nieuwe stellingen te betrekken. Deze buitenwettelijke beperkingen worden veelal gegrond op de eisen van een goede procesorde of behoorlijke rechtspleging. Een blik op de rechtspraak van de Hoge Raad levert vooral voorbeelden op van beslissingen van appèlrechters om op deze grond laat aangevoerde stellingen buiten beschouwing te laten. Hoewel de art. 347 en 348 Rv een apart regime in het leven roepen voor de toelaatbaarheid van nieuwe stellingen in hoger beroep (in een dagvaardingsprocedure)2, is de betekenis van het oordeel van de Hoge Raad over deze uitspraken in hoger beroep niet noodzakelijkerwijs beperkt tot de procesgang in hoger beroep. Hieronder zullen dan ook arresten van de Hoge Raad aan bod komen waarin een oordeel is vervat dat tevens van betekenis kan worden geacht voor het moment waarop partijen in eerste aanleg nieuwe stellingen kunnen poneren. Uitspraken waarin oordelen zijn vervat die alleen van betekenis zijn voor processituaties in hoger beroep, komen in par. 43.6 aan bod.
In het navolgende wordt overigens geen uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen juridische stellingen en feitelijke stellingen. Men bedenke echter dat de vraag of de rechter voorbij mag gaan aan een laat geponeerde, zuiver juridische stelling onzinnig is, nu de rechter ingevolge art. 25 Rv gehouden is tot een ambtshalve aanvulling van rechtsgronden. Doorgaans zal een wijziging van de juridische grondslag van een eis, verzoek of verweer evenwel tevens een wijziging van de feitelijke grondslag inhouden.