RBP 2025/44
Procesrecht. Treft het gezag van gewijsde ook nieuwe feitelijke omstandigheden van na de eerdere uitspraak?
HR 25-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:667
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 april 2025
- Magistraten
Mrs. G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons
- Zaaknummer
24/00086
- Conclusie
A-G mr. T. Hartlief
- JCDI
JCDI:BSD15802:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:667, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1131, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑10‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑01‑2024
- Wetingang
Art. 236 Rv
Essentie
Procesrecht. Gezag van gewijsde. Arbeidsongeschiktheid.
Treft het gezag van gewijsde ook nieuwe feitelijke omstandigheden van na de eerdere uitspraak?
Samenvatting
Verweerder, een rijinstructeur, liep in 2015 een verkeersongeval op. Klaverblad erkende aansprakelijkheid. In een eerdere procedure werd vastgesteld dat verweerder 3,6% arbeidsongeschikt was als gevolg van het ongeval. In die eerste procedure werd geoordeeld dat de door verweerder gebruikte morfine niet noodzakelijk was om te kunnen zitten, gelet op de toenmalige medische informatie. Dit vonnis kreeg gezag van gewijsde. Nadien werd bij verweerder morfineafhankelijkheid vastgesteld, met onthoudingsklachten en functionele beperkingen, waarna het CBR hem rijongeschikt verklaarde wegens misbruik ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.