Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.4.1
4.1 Inleidende opmerkingen
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948321:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Buiten beschouwing blijft wat de concrete gevolgen zijn van het in de gemeenschap vallen van schulden. Zie daarover hetgeen in paragraaf 3.3.2.5 en paragraaf 3.5 van hoofdstuk 4 reeds is opgemerkt. Voor het overige zij verwezen naar de verschillende huwelijksvermogensrechtelijke handboeken. Zie voor een goed overzicht met name De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 152-154. Zie voorts Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/306-307; C.A. Kraan, Handboekhuwelijksvermogensrecht 2022, p. 139-154 en Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 246-252 en 278-284.
Deze uitzondering is bij de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen in artikel 1:94 lid 5 sub b oud BW opgenomen, en vervolgens ongewijzigd in artikel 1:94 lid 7 sub c BW geplaatst. Zie voor de redenen om deze uitzondering in artikel 1:94 lid 5 oud BW op te nemen Kamerstukken II 2005/06, 28 867, nr. 9, p. 16-17. Zie voor kritiek op deze bepaling S. Perrick, ‘Wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort’, WPNR 2015/7069 en onder punt 9 van zijn naschrift op B. Breederveld e.a., ‘Reactie op “Wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort” van prof. dr. S. Perrick in WPNR (2015) 7069’, WPNR 2015/7070. Zie tevens Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/311 en 315a.
Opgemerkt zij wel dat de quasi-legaten van artikel 4:126 BW op grond van artikel 4:7 lid 1 sub i BW als ‘schulden van de nalatenschap’ kwalificeren, zodat deze voor de erfgenaam als een ‘schuld die behoort tot een nalatenschap’ kwalificeren, en aldus buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen waarin hij mocht zijn gehuwd. Bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen vallen deze schulden op grond van bijzondere verknochtheid buiten de huwelijksgemeenschap, indien en voor zover de erfgenaam de nalatenschap onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Zie daarover paragraaf 4.3 hierna.
332. In de vorige paragraaf is ingegaan op de activa die krachtens erfrechtelijke titel en gift kunnen worden verkregen. In deze paragraaf gaat het om de passivadie krachtens erfrechtelijke titel of gift kunnen opkomen.1 De omvang van de beperkte gemeenschap van goederen wordt voor wat betreft de passiva beheerst door artikel 1:94 lid 7 BW. Voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen geldt artikel 1:94 lid 5 oud BW. Artikel 1:94 lid 7 BW bepaalt dat de gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden: a) betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen; b) die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd, en c) uit door een van de echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 4:126 lid 1 en 2 letter a en c BW. Artikel 1:94 lid 5 oud BW bepaalt dat de gemeenschap alle schulden betreft van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden: a) betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen, en b) schulden uit door een van de echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 4:126 lid 1 en 2 letter a en c BW.
333. Wat betreft de categorie schulden van artikel 1:94 lid 7 sub c en artikel 1:94 lid 5 sub b oud BW geldt dat dit schulden betreft die zijn ontstaan door giften des doods die dooreen echtgenoot zijn gedaan.2 Het gaat dus niet om schulden die voortvloeien uit een gift die aaneen echtgenoot is gedaan. In dit onderzoek staan de verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift in verhouding tot boedelmenging centraal. Het gaat daarbij om de omvang van de huwelijksgemeenschap van de erfgenamen, niet om de omvang van de door het overlijden van erflater ontbonden huwelijksgemeenschap met de langstlevende echtgenoot. Om die reden zal de uitzondering van artikel 1:94 lid 7 sub c BW en artikel 1:94 lid 5 sub b oud BW in deze paragraaf buiten beschouwing worden gelaten.3 In deze paragraaf komen dus alléén de uitzonderingen van artikel 1:94 lid 7 sub a en b BW en artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW aan de orde. Omdat de uitzonderingen van artikel 1:94 lid 7 sub a en artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW hetzelfde zijn zullen deze in paragraaf 4.2 geïntegreerd behandeld worden. Daarbij zal niet alleen worden onderzocht welke schulden onder deze categorie vallen, maar zal ook de reikwijdte van deze bepaling aan de orde komen wanneer een goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt. Daarnaast zal worden ingegaan op de vraag of een schuld deels wel, en deels, niet tot de huwelijksgemeenschap kan behoren. In paragraaf 4.3 zal vervolgens worden ingegaan op schulden die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot gerechtigd is (artikel 1:94 lid 7 sub b BW). Ook daar zullen de algehele wettelijke gemeenschap van goederen en de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen geïntegreerd behandeld worden. In paragraaf 4.4 zal tot slot worden ingaan op de (on)mogelijkheid van ‘schuldvervanging’.