Hof Arnhem-Leeuwarden, 26-11-2019, nr. 200.249.691/01
ECLI:NL:GHARL:2019:10275
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
26-11-2019
- Zaaknummer
200.249.691/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2019:10275, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 26‑11‑2019; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2019:3709, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 25‑04‑2019; (Tussenbeschikking)
- Vindplaatsen
JPF 2019/95
Uitspraak 26‑11‑2019
Inhoudsindicatie
Beroepschrift door belanghebbende zelf ingediend. Advocaat dient binnen de hersteltermijn, maar buiten de appeltermijn vervolgens een 'eigen' beroepschrift in. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.249.691/01
(zaaknummer rechtbank 6915056 VC VERZ 18-52)
beschikking van 26 november 2019
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de betrokkene,
advocaat: mr. D.J. Kap te Groningen,
en
[verweerster1] B.V. (de huidige curator),
kantoorhoudende te [B] ,
verweerster in hoger beroep,
en
[verweerster2] ,
wonende te [A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: [verweerster2] ,
advocaat: mr. M. Mook te Groningen.
Als informant is aangemerkt:
[de curator] (de beoogde curator),
kantoorhoudende te [A] .
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof heeft op 25 april 2019 een tussenbeschikking gegeven, waarbij [verweerster2] als belanghebbende is aangemerkt.
1.2
Het hof heeft de volgende processtukken ontvangen:
- het beroepschrift met productie(s), ingediend door de betrokkene, ingekomen op 31 oktober 2018;
- het beroepschrift met productie(s), ingediend door mr. Kap, ingekomen op 7 februari 2019;
- een brief van mr. [C] (in haar functie als curator) van 25 februari 2019;
- een brief van mr. Mook van 26 februari 2019 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Kap van 6 mei 2019 met productie(s);
- het verweerschrift van mr. Mook met productie(s);
- het verweerschrift van de curator met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Mook van 21 oktober 2019 met productie(s).
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
de feiten
2.1
De betrokkene heeft op 31 oktober 2018, de laatste dag van de beroepstermijn, zelf een beroepschrift ingediend tegen de bestreden beschikking van de rechtbank van 31 juli 2018. Omdat het beroepschrift niet is ingediend door een advocaat heeft het hof de betrokkene in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Op 7 februari 2019, een dag voor het verstrijken van de verlengde hersteltermijn, heeft mr. Kap namens de betrokkene een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift is niet gelijkluidend aan het oorspronkelijk ingediende beroepschrift.
2.2
Het hof heeft de belanghebbenden in deze zaak vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Mr. Mook heeft hierop bij brief van 21 oktober 2019 namens [verweerster2] gereageerd. Zij heeft aangegeven dat het door de advocaat ingediende beroepschrift niet gelijkluidend is aan het door de betrokkene zelf ingediende beroepschrift zodat het verzuim niet is hersteld en betrokkene niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn hoger beroep. Van de andere belanghebbenden heeft het hof geen reactie ontvangen.
2.3
De belanghebbenden hebben desgevraagd allen aangegeven dat de op 7 november 2019 geplande zitting geen doorgang hoeft te vinden en dat de zaak op het punt van de ontvankelijkheid op de stukken kan worden afgedaan.
de beoordeling
2.4
Artikel 281 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat indien een verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, de rechter de verzoeker de gelegenheid geeft binnen een door hem te stellen termijn dit verzuim te herstellen en dat indien de verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik maakt, hij in het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze bepaling is ingevolge artikel 362 Rv van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.
2.5
Herstel van het verzuim als bedoeld in artikel 281 Rv is slechts mogelijk door een exemplaar van het oorspronkelijk ingediende beroepschrift alsnog door een advocaat te laten ondertekenen en indienen. Dit volgt onder andere uit ECLI:NL:HR:2009:BI0773 en ECLI:NL:HR:2018:219.
2.6
Omdat het hiervoor bedoelde verzuim niet op de juiste wijze is hersteld, immers
het door mr. Kap ingediende beroepschrift is niet gelijkluidend aan het door de betrokkene ingediende beroepschrift, zal het hof de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
3. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, A.W. Beversluis en
G.M. van der Meer, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 26 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 25‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Curatele. Echtgenote rechthebbende is belanghebbende in procedure tot wijziging van de curator op grond van artikel 1:798 lid 1 Rv.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.249.691/01
(zaaknummer rechtbank 6915056 VC VERZ 18-52)
beschikking van 25 april 2019
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de betrokkene,
advocaat: mr. D.J. Kap te Groningen.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de curator] B.V.,
kantoorhoudende te [B] ,
verder te noemen: de curator.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 31 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 31 oktober 2018;
- een brief van mr. [C] (in haar functie als curator) van 25 februari 2019;
- een brief van mr. M. Mook van 26 februari 2019 met productie(s).
3. De feiten
3.1
De betrokkene is geboren [in] 1950.
3.2
Bij beschikking van 9 december 2015 heeft de kantonrechter in de rechtbank
Noord-Nederland, locatie Groningen, de betrokkene onder curatele gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en wegens gewoonte van drankmisbruik. Daarbij is [de curator] B.V., kantoorhoudende te [B] , tot curator benoemd. Deze beschikking is in hoger beroep bekrachtigd op 1 november 2016.
3.3
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 18 mei 2018, heeft de betrokkene verzocht de bij beschikking van
9 december 2015 benoemde curator, [de curator] B.V. te
[B] , te ontslaan en tot curator te benoemen: de Stichting [D] , kantoorhoudende aan de [a-straat 1] te [A] .
4. De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene van 18 mei 2018 afgewezen.
4.2
De betrokkene is met meerdere grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 juli 2018. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De betrokkene verzoekt de beslissing van 31 juli 2018 te vernietigen en rechtdoende primair te bepalen dat [de curator] BV als curator van de betrokkene wordt ontslagen onder benoeming van een andere curator, subsidiair naast Veen en Veste Bewind BV een mede-curator te benoemen, een en ander voor zover mogelijk en relevant uitvoerbaar bij voorraad te verklaren met veroordeling van de kosten van deze procedure door de curator. Bij wege van incident verzoekt de betrokkene de Stichting [D] tot (tweede) curator te benoemen en de hierna te noemen mevr. [E] niet als belanghebbende in deze procedure aan te merken.
5. De motivering van de beslissing
Belanghebbende
5.1
Allereerst heeft de betrokkene in zijn beroepschrift gegriefd tegen de juridische positie van mevrouw [E] (hierna: [E] ), wonende te [A] , in deze procedure. [E] is de echtgenote van de betrokkene. In die hoedanigheid heeft de kantonrechter [E] op grond van artikel 798 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aangemerkt als belanghebbende. De betrokkene is het daarmee niet eens. De griffier van het hof heeft de curator en [E] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de stelling van de betrokkene dat [E] geen belanghebbende is in deze zaak.
Bij de hiervoor onder 2 genoemde brieven van 25 en 26 februari 2019 hebben respectievelijk de curator en mr. Mook namens [E] hun standpunten hierover laten weten. Beiden zijn van mening dat de kantonrechter [E] terecht als belanghebbende heeft aangemerkt.
5.2
Op grond van artikel 798 lid 1 Rv wordt in zaken betreffende het personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken, - kort gezegd - onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Artikel 798 lid 2 Rv bepaalt - voor zover hier van belang - dat in zaken van curatele onder belanghebbenden bovendien worden verstaan de echtgenoot en de kinderen van degene wiens curatele het betreft.
5.3
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat [E] in deze procedure als belanghebbende dient te worden aangemerkt, zij het op een andere grond. De betrokkene heeft terecht betoogd dat de werking van artikel 798 lid 2 Rv uitsluitend het instellen en het opheffen van - voor zover hier van belang - de curatele betreft. [E] is echter belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. Ook al leven de betrokkene en [E] al lange tijd gescheiden en is hun relatie ernstig gebrouilleerd, zij zijn nog altijd getrouwd en hebben een (in elk geval deels) gemeenschappelijk vermogen. Zodoende raakt de ondercuratelestelling van de betrokkene en de wijziging van de curator direct ook de financiële belangen van [E] . De visie van [E] zal daarom bij de beslissing op het wijzigingsverzoek van de betrokkene worden meegewogen. De griffier zal haar in de gelegenheid stellen een verweerschrift in te dienen tegen het beroepschrift.
6. De beslissing
Het hof, alvorens verder te beslissen:
merkt mevrouw [E] , wonende te [A] , bijgestaan door mr. M. Mook te Groningen, in deze procedure aan als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, J.D.S.L. Bosch en
G.M. van der Meer, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 25 april 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.