Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 28-01-2015, nr. C-688/13
ECLI:EU:C:2015:46
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
28-01-2015
- Magistraten
S. Rodin, A. Borg Barthet, F. Biltgen
- Zaaknummer
C-688/13
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2015:46, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 28‑01‑2015
Uitspraak 28‑01‑2015
S. Rodin, A. Borg Barthet, F. Biltgen
Partij(en)
In zaak C-688/13,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 3 de Barcelona (Spanje), bij beslissing van 11 december 2013, ingekomen bij het Hof op 27 december 2013, in de procedure die is ingeleid door
Gimnasio Deportivo San Andrés SL, in liquidatie,
in tegenwoordigheid van:
Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS),
Fondo de Garantía Salarial,
geeft
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: S. Rodin, kamerpresident, A. Borg Barthet en F. Biltgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Gimnasio Deportivo San Andrés SL, in liquidatie, vertegenwoordigd door G. Atarés París, curator,
- —
de Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS), vertegenwoordigd door M. F. Mijares García-Pelayo als gemachtigde,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Banciella Rodríguez-Miñón als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Enegren en R. Vidal Puig als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
de navolgende
Beschikking
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82, blz. 16).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding dat Gimnasio Deportivo San Andrés SL, een vennootschap in liquidatie (hierna: ‘Gimnasio’), heeft ingeleid over de vraag welke van haar schulden naar aanleiding van de overdracht van haar activiteiten niet hoeven over te gaan op de verkrijgende onderneming.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2001/23 bepaalt:
‘Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie.’
4
Artikel 2, lid 1, van die richtlijn luidt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)
vervreemder, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel van de onderneming of vestiging verliest;
- b)
verkrijger, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel van de onderneming of vestiging verkrijgt;
[…]
- d)
werknemer, iedere persoon die in de lidstaat in kwestie krachtens de nationale arbeidswetgeving bescherming geniet als werknemer.’
5
Artikel 3 van richtlijn 2001/23, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II ervan, met als opschrift ‘Behoud van de rechten der werknemers’, luidt als volgt:
- ‘1.
De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, gaan door deze overgang op de verkrijger over.
De lidstaten kunnen bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na het tijdstip van de overgang hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen welke vóór het tijdstip van de overgang voortvloeien uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking.
[…]
- 3.
Na de overgang handhaaft de verkrijger de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden in dezelfde mate als in deze overeenkomst vastgesteld voor de vervreemder, tot op het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt, of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast.
De lidstaten kunnen het tijdvak waarin de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd beperken, mits dit tijdvak niet korter is dan één jaar.
- 4.
- a)
Tenzij de lidstaten anders bepalen, zijn de leden 1 en 3 niet van toepassing op de rechten van de werknemers op ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de wettelijke stelsels van sociale zekerheid van de lidstaten.
- b)
Zelfs indien zij overeenkomstig het bepaalde onder a) niet bepalen dat de leden 1 en 3 van toepassing zijn op dergelijke rechten, stellen de lidstaten de nodige maatregelen vast om de belangen van de werknemers, alsmede van de personen die de vestiging van de vervreemder reeds hebben verlaten op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, te beschermen met betrekking tot hun verkregen rechten of rechten in wording op ouderdomsuitkeringen, met inbegrip van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, uit hoofde van de in het bepaalde onder a) van dit lid bedoelde aanvullende stelsels.’
6
In artikel 4, lid 1, eerste zin, van die richtlijn is bepaald dat ‘[d]e overgang van de onderneming, vestiging of onderdeel van de onderneming of vestiging […] op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag [vormt]’.
7
Artikel 5 van richtlijn 2001/23, dat eveneens deel uitmaakt van hoofdstuk II, bepaalt:
- ‘1.
Tenzij de lidstaten anders bepalen, zijn de artikelen 3 en 4 niet van toepassing op een overgang van een onderneming, vestiging of een onderdeel van een onderneming of vestiging wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie (die een door een overheidsinstantie gemachtigde curator mag zijn).
- 2.
Indien de artikelen 3 en 4 van toepassing zijn op een overgang tijdens insolventieprocedures die zijn ingeleid ten aanzien van een vervreemder (ongeacht de vraag of deze procedures al dan niet zijn ingesteld met als doel de liquidatie van het vermogen van de vervreemder) en die onder toezicht staan van een bevoegde overheidsinstantie (die een door de nationale wetgeving omschreven curator mag zijn) kan een lidstaat bepalen dat:
- a)
onverminderd artikel 3, lid 1, de schulden van de vervreemder die het gevolg zijn van arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die verschuldigd zijn vóór de overgang of voor de inleiding van de insolventieprocedure, niet overgaan op de verkrijger, indien dergelijke procedures uit hoofde van de in de betrokken lidstaat geldende wetgeving een bescherming bieden die ten minste gelijkwaardig is aan die welke wordt voorgeschreven in situaties die vallen onder richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever [PB L 283, blz. 23], en/of dat
- b)
de verkrijger, de vervreemder of de persoon (personen) die de functies van de vervreemder uitoefenen enerzijds en de vertegenwoordigers van de werknemers anderzijds kunnen overeenkomen om, voor zover de geldende wetgeving of praktijk zulks mogelijk maakt, in de arbeidsvoorwaarden wijzigingen aan te brengen die bedoeld zijn om de werkgelegenheid veilig te stellen door het voortbestaan van de onderneming, de vestiging of onderdelen daarvan te verzekeren.
- 3.
Een lidstaat kan lid 2, onder b), toepassen in geval van een overgang waarbij de vervreemder overeenkomstig de nationale wetgeving in ernstige economische moeilijkheden verkeert, mits de situatie door een bevoegde overheidsinstantie erkend is en onder voorbehoud van rechterlijke toetsing, op voorwaarde dat zulke bepalingen op 17 juli 1998 reeds in de nationale wetgeving bestonden.
[…]
- 4.
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om misbruik van insolventieprocedures met het doel de werknemers van de in deze richtlijn bedoelde rechten te beroven, te voorkomen.’
8
Artikel 8 van deze richtlijn luidt:
‘Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers of om de toepassing van collectieve overeenkomsten of tussen de sociale partners gesloten akkoorden te bevorderen of mogelijk te maken die gunstiger zijn voor de werknemers.’
Spaans recht
9
De overgang van ondernemingen wordt geregeld door Real Decreto Legislativo 1/1995 van 24 maart 1995 houdende goedkeuring van de gecodificeerde tekst van de wet op het werknemersstatuut (Estatuto de los Trabajadores, BOE nr. 75 van 29 maart 1995, blz. 9654), zoals gewijzigd bij Ley 12/2001 van 9 juli 2001 (BOE nr. 164, van 10 juli 2001, blz. 24890; hierna: ‘werknemersstatuut’).
10
Artikel 44, lid 1, van het werknemersstatuut luidt:
‘De overgang van een onderneming, vestiging of zelfstandige productie-eenheid van die onderneming leidt niet automatisch tot beëindiging van de arbeidsbetrekking; de nieuwe werkgever treedt in de rechten en verplichtingen van de vorige werkgever uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de sociale zekerheid, met inbegrip van de pensioenverplichtingen, onder de in de toepasselijke bijzondere regeling gestelde voorwaarden en, in het algemeen, in alle verplichtingen inzake aanvullende sociale bescherming die de vervreemder is aangegaan.’
11
Overeenkomstig artikel 57 bis van het werknemersstatuut zijn bij een collectieve procedure echter de bijzondere voorwaarden van Ley 22/2003 Concursal van 9 juli 2003 (wet 22/2003 op het faillissement, BOE nr. 164 van 10 juli 2003, blz. 26905), zoals gewijzigd bij Ley 38/2011 van 10 oktober 2011 (BOE nr. 245 van 11 oktober 2011; hierna: ‘faillissementswet’), van toepassing bij wijziging, opschorting en collectieve beëindiging van arbeidsovereenkomsten en bij overgang van ondernemingen.
12
De faillissementswet voorziet in twee mogelijke uitkomsten voor een insolventieprocedure: een akkoord of een liquidatie. In de liquidatiefase zijn de artikelen 148 en 149 van die wet van toepassing. Krachtens deze artikelen geldt er een andere juridische regeling naargelang al dan niet een liquidatieplan is opgesteld en goedgekeurd.
13
Artikel 148, lid 1, van de faillissementswet bepaalt dat de curator bij het begin van de liquidatiefase een liquidatieplan moet indienen bij de rechter en dat dit plan er ‘zoveel mogelijk naar moet streven dat alle vestigingen, bedrijven en andere eenheden van de onderneming die in de insolventieprocedure is verwikkeld, voor de productie van goederen en de verlening van diensten als één geheel worden vervreemd’.
14
In artikel 148, lid 2, van de faillissementswet is bepaald dat het liquidatieplan moet worden goedgekeurd door de rechter, die ‘dat plan kan wijzigen of de liquidatie kan aanvaarden overeenkomstig de aanvullende regels’ van artikel 149 van de faillissementswet.
15
Artikel 149 van de faillissementswet bepaalt:
- ‘1.
Wanneer er geen liquidatieplan is goedgekeurd of, in voorkomend geval, voor de aspecten die niet in een dergelijk plan zijn geregeld, geschiedt de liquidatie als volgt:
- a)
Alle vestigingen, bedrijven en andere eenheden van de schuldenaar voor de productie van goederen of de verlening van diensten worden als één geheel vervreemd, behoudens wanneer de rechter op grond van een rapport van de curator van oordeel is dat in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de boedel eerst moet worden verdeeld of dat alle bestanddelen of sommige daarvan afzonderlijk te gelde moeten worden gemaakt. De vervreemding als geheel of, in voorkomend geval, van elke productie-eenheid, geschiedt bij veiling. Mislukt deze veiling, dan kan de rechter de rechtstreekse verkoop gelasten.
[…]
- 2.
Wanneer de in lid 1, onder a), bedoelde overdracht leidt tot het behoud van de identiteit van een economische eenheid, opgevat als een geheel van georganiseerde middelen met het oog op de voortzetting van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit, wordt dit arbeidsrechtelijk aangemerkt als een overgang van onderneming. In dat geval kan de rechter beslissen dat de verkrijger niet wordt gesubrogeerd in de onbetaalde salarissen of schadevergoedingen die reeds vóór de overgang opeisbaar waren en die overeenkomstig artikel 33 van het werknemersstatuut voor rekening van het Fondo de Garantía Salarial (loonwaarborgfonds) komen. Verder kunnen de overnemer en de vertegenwoordigers van het personeel, met het oog op de voortzetting van het bedrijf in de toekomst en het behoud van de werkgelegenheid, overeenkomsten tot wijziging van de collectieve arbeidsvoorwaarden sluiten.
- 3.
Het besluit tot goedkeuring van de vervreemding of de overdracht van de goederen of rechten, afzonderlijk of in gedeelten dan wel als onderdeel van een onderneming of een productie-eenheid, leidt tot het tenietgaan van alle ingediende pre-faillissementsvorderingen die geen bijzonder voorrecht genieten krachtens artikel 90.’
16
Volgens de verwijzende rechter bepaalt de elfde slotbepaling van de faillissementswet, tot wijziging van Ley 58/2003 General Tributaria van 17 december 2003 (algemene belastingwet; BOE nr. 302 van 18 december 2003, blz. 44987), dat de fiscale verplichtingen niet overgaan op of de aansprakelijkheid niet wordt verruimd ten aanzien van verkrijgers van bedrijven of economische activiteiten die toebehoren aan een schuldenaar die in een insolventieprocedure is verwikkeld, wanneer de overgang tijdens die procedure plaatsvindt. De socialezekerheidswetgeving kent echter geen overeenkomstige bepaling.
17
De Ley General de la Seguridad Social (algemene wet op de sociale zekerheid), in de gecodificeerde versie die is goedgekeurd bij Real Decreto Legislativo 1/1994 van 20 juni 1994 (BOE nr. 154 van 29 juni 1994, blz. 20658; hierna: ‘LGSS’), bevat een artikel 127, met als opschrift ‘Bijzondere gevallen van aansprakelijkheid voor uitkeringen’, waarvan lid 2 luidt als volgt:
‘In geval van overgang van de eigendom van het bedrijf, de nijverheid of de handel, is de verkrijger hoofdelijk met de vorige eigenaar of diens erfgenamen aansprakelijk voor de betaling van de vóór die overgang verschuldigde uitkeringen. Dezelfde aansprakelijkheid bestaat, zelfs bij kosteloze overgang of overgang zonder winstoogmerk, tussen de overdragende werkgever en de overnemer bij tijdelijke terbeschikkingstelling van personeel.’
18
Artikel 15 van de LGSS, zoals nadien gewijzigd, met als opschrift ‘Verplichtend karakter [van de bijdragen]’, bepaalt in lid 3 ervan:
‘Zijn verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichting tot betaling van de bijdragen en andere middelen van de sociale zekerheid de natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid die overeenkomstig de voor alle regelingen of middelen geldende bepalingen rechtstreeks gehouden zijn tot betaling daarvan, alsook degenen die hoofdelijk, subsidiair of als rechtsopvolger van laatstgenoemden aansprakelijk zijn voor feiten, nalaten, verrichtingen of rechtshandelingen die tot die aansprakelijkheden leiden, overeenkomstig enige wetsbepaling die verwijst naar de verplichtingen uit hoofde van de sociale zekerheid of deze niet uitdrukkelijk uitsluit, of krachtens overeenkomsten die niet in strijd zijn met de wet. Deze hoofdelijke, subsidiaire of uit rechtsopvolging voortvloeiende aansprakelijkheid wordt vastgesteld overeenkomstig de inningsprocedure van deze wet en de uitvoeringsbesluiten daarvan.’
19
Artikel 104 van de LGSS, zoals gewijzigd, met als opschrift ‘Persoon die verantwoordelijk is [voor de betaling]’, bepaalt in lid 1 ervan:
‘De werkgever is verantwoordelijk voor de nakoming van de bijdrageverplichting en betaalt zijn eigen bijdrage alsook die van zijn werknemers in hun geheel.
Ook hoofdelijk, subsidiair of uit hoofde van rechtsopvolging aansprakelijk zijn de personen of entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in de artikelen 15 en 127, leden 1 en 2, van deze wet.
De in artikel 127 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid wegens overgang van de eigendom van het bedrijf, de nijverheid of de handel, heeft betrekking op alle schulden die vóór de overgang zijn ontstaan. Van een dergelijke overgang is er zelfs sprake wanneer een werknemersvennootschap (‘sociedad laboral’) het bedrijf, de nijverheid of de handel voortzet, ongeacht of die vennootschap werknemers in dienst heeft die diensten hebben verricht voor de vorige onderneming.
Indien de werkgever een vennootschap of een entiteit is die ontbonden en geliquideerd is, gaan haar niet voldane bijdrageschulden aan de sociale zekerheid over op de vennoten of aandeelhouders, die binnen de grenzen van het aan hen toekomende liquidatiesaldo hoofdelijk gehouden zijn die te voldoen.
[…]’
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
Gimnasio is een handelsonderneming die zich voornamelijk bezighield met het beheer van de Escuela Laia, een middelbare school met meer dan 150 leerlingen.
21
Bij besluit van 2 september 2013 werd tegen Gimnasio een insolventieprocedure opgestart.
22
Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft de bevoegde rechterlijke instantie de overname goedgekeurd van Escuela Laia door Institució Pedagògica Sant Andreu SL, een vennootschap gevormd door een groep docenten van de school die als enige een overnamebod had uitgebracht. Deze vennootschap heeft zich ertoe verbonden om de werkzaamheden van Gimnasio voort te zetten en de arbeidsovereenkomsten met de werknemers ervan over te nemen.
23
Overeenkomstig dat besluit was de overname onderworpen aan ‘de volgende voorwaarden:
- 1)
Uiterlijk binnen 45 werkdagen na de kennisgeving van het onderhavige besluit moet worden overgegaan tot vaststelling van de aan de werknemers, uit welken hoofde ook, verschuldigde bedragen, zodat zij ter kennis kunnen worden gebracht van het Fondo de Garantía Salarial (loonwaarborgfonds) en het Fondo tot betaling ervan kan overgaan overeenkomstig artikel 33 van het werknemersstatuut.
[…]
- 5)
Uitdrukkelijk toegestaan is de overgang van de met de exploitatie van de productie-eenheid verband houdende overeenkomsten die de insolvente onderneming eventueel is aangegaan met derden, met name lastgevingen, verkooporders, franchiseovereenkomsten, woninghuurovereenkomsten, leveringen of diensten. De verkrijger zal aan de rechtbank mededeling doen van alle moeilijkheden die zich bij de overdrachten kunnen voordoen.
Uitdrukkelijk overeengekomen wordt dat door de overdracht alle eventueel op de over te dragen activa rustende lasten of schulden tenietgaan, met uitzondering van die welke zijn verbonden aan in het eindverslag vermelde bijzondere voorrechten. Op de schuldenaar gaan bijgevolg geen andere schulden over dan die welke zijn opgenomen in het bindende bod volgens de daarin vastgestelde voorwaarden, en de verkrijger of de door hem aangewezen entiteit treedt niet in de reeds bestaande belastingschulden van de insolvente onderneming en de reeds ontstane verplichtingen, te weten de eventuele schulden van de insolvente onderneming aan de Tesorería General de la Seguridad Social [algemene socialezekerheidskas; hierna: ‘TGSS’]. Van dit besluit wordt mededeling gedaan aan de Agencia Estatal de Administración Tributaria [rijksbelastingdienst] en aan de TGSS.
[…]’
24
Op 25 oktober 2013 heeft de TGSS bezwaar gemaakt tegen het overdrachtsbesluit van 15 oktober 2013, stellende dat dit besluit artikel 44 van het werknemersstatuut schendt door te bepalen dat de socialezekerheidsschulden van Gimnasio niet overgaan op de verkrijger.
25
Op 21 november 2013 heeft een groep voormalige werknemers van Gimnasio eveneens bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
26
Aangezien het onduidelijk is welke schulden de verkrijgende entiteit, in casu de Institució Pedagògica Sant Andreu SL, moet overnemen, heeft de Juzgado de lo Mercantil no 3 te Barcelona de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet de garantie voor de verkrijger van een onderneming in staat van insolventie of van een productie-eenheid daarvan dat de verplichtingen die voortvloeien uit vóór de overname van de productie-eenheid ontstane socialezekerheidsschulden of uit voormalige arbeidsovereenkomsten, niet op hem overgaan, wanneer de insolventieprocedure een bescherming biedt die ten minste gelijkwaardig is aan die waarin de gemeenschapsrichtlijnen voorzien, worden geacht enkel en uitsluitend te gelden voor de verplichtingen die rechtstreeks verband houden met de arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, of dient deze garantie met het oog op een volledige bescherming van de rechten van de werknemers en het behoud van de werkgelegenheid te worden verruimd tot schulden uit arbeidsovereenkomsten of socialezekerheidsschulden die vóór de overdracht aan een derde zijn ontstaan?
- 2)
Kan in ditzelfde kader van de bescherming van de rechten van de werknemers de rechter bij wie de insolventieprocedure aanhangig is en die uitspraak moet doen over de overgang van de productie-eenheid, de verkrijger daarvan niet alleen een garantie bieden voor de rechten uit arbeidsovereenkomsten, maar ook voor eventuele vóór de overgang ontstane schulden van de insolvente entiteit aan werknemers van wie de arbeidsovereenkomst reeds is beëindigd of aan de sociale zekerheid?
- 3)
Beschikt de verkrijger van een onderneming in staat van insolventie of van een productie-eenheid daarvan, die zich verbindt tot voortzetting van alle of een gedeelte van de arbeidsovereenkomsten en tot overname van de uit die overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen, over de garantie dat hem niet kunnen worden tegengeworpen noch op hem kunnen overgaan andere verplichtingen van de vervreemder die verband houden met de overeenkomsten of verhoudingen waarin hij wordt gesubrogeerd, in het bijzonder verplichtingen uit eerder ontstane arbeidsovereenkomsten of socialezekerheidsschulden?
- 4)
Kan richtlijn 2001/23, wat de overgang betreft van productie-eenheden of van ondernemingen die langs gerechtelijke of administratieve weg insolvent en in staat van liquidatie zijn verklaard, aldus worden uitgelegd dat zij niet alleen de bescherming van arbeidsovereenkomsten waarborgt, maar ook de zekerheid biedt dat de verkrijger niet hoeft in te staan voor schulden die zijn ontstaan vóór de overgang van die productie-eenheid?
- 5)
Is artikel 149, lid 2, van de faillissementswet, voor zover dit artikel ziet op de overgang van ondernemingen, de nationaalrechtelijke maatregel die artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 23/2001 vereist voor de toepassing van de daarin vastgestelde uitzondering?
- 6)
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is de beslissing van de insolventierechter inzake de met die garanties en waarborgen omgeven overgang onder alle omstandigheden bindend voor alle andere rechterlijke instanties of in administratieve procedures die eventueel tegen de nieuwe verkrijger kunnen worden ingeleid met betrekking tot schulden die zijn ontstaan vóór de datum van overgang, zodat artikel 44 van het werknemersstatuut de werking van artikel 149, leden 2 en 3, van de faillissementswet niet kan doorkruisen?
- 7)
Indien artikel 149, leden 2 en 3, van de faillissementswet echter niet als de uitwerking van de uitzondering van artikel 5 van richtlijn 23/2001 kan worden beschouwd, heeft de regeling van artikel 3, lid 1, van die richtlijn dan uitsluitend gevolgen voor de rechten en verplichtingen die strikt voortvloeien uit bestaande arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, zodat rechten of verplichtingen zoals die welke voortvloeien uit socialezekerheidsbijdragen of andere verplichtingen uit hoofde van arbeidsovereenkomsten die reeds vóór de inleiding van de insolventieprocedure zijn beëindigd, in geen geval geacht kunnen worden te zijn overgegaan op de verkrijger?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
27
Overeenkomstig artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over het antwoord op een dergelijke vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, te allen tijde op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.
28
Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.
29
Om te beginnen zij geconstateerd dat de verwijzende rechter met zijn vragen van het Hof wenst te vernemen of bepaalde voorschriften van de regeling van de betrokken lidstaat de voor de omzetting van richtlijn 2001/23 vereiste maatregelen vormen en, meer in het algemeen, of die voorschriften in overeenstemming zijn met het recht van de Unie.
30
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van een overeenkomstig artikel 267 VWEU ingeleide procedure volgens vaste rechtspraak niet bevoegd is om de nationale bepalingen uit te leggen en evenmin om te oordelen of de uitlegging daarvan door de autoriteiten van de betrokken lidstaat juist is (zie met name arrest Vueling Airlines, C-487/12, EU:C:2014:2232, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Voorts staat het niet aan het Hof om in het kader van de hem krachtens artikel 267 VWEU toekomende bevoegdheden uitspraak te doen over de verenigbaarheid van bepalingen van nationaal recht met het recht van de Unie (zie met name arrest Lombardini en Mantovani, C-285/99 en C-286/99, EU:C:2001:640, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Het Hof is echter wel bevoegd om de verwijzende rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die deze in staat stellen die verenigbaarheid te beoordelen bij de beslechting van het bij hem aanhangige geding (zie met name arrest Lombardini en Mantovani, EU:C:2001:640, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
In deze omstandigheden moeten de zeven vragen van de verwijzende rechter, die tezamen moeten worden onderzocht, in die zin worden opgevat dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die bepaalt of toestaat dat bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen waarbij de vervreemder in een insolventieprocedure is verwikkeld, de verkrijger niet hoeft in te staan voor de schulden die op de vervreemder rusten uit hoofde van arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, met inbegrip van die welke verband houden met het wettelijk stelsel van sociale zekerheid, voor zover deze schulden zijn ontstaan vóór de datum van overgang van de productie-eenheid. De verwijzende rechter wenst eveneens te vernemen of het dienaangaande relevant is dat de arbeidsbetrekkingen vóór die datum zijn beëindigd.
34
Voor de beantwoording van deze vragen zij meteen in herinnering gebracht dat richtlijn 2001/23, zoals blijkt uit overweging 3 en artikel 3 daarvan, tot doel heeft werknemers te beschermen door het behoud van hun rechten bij overgang van ondernemingen veilig te stellen (zie arrest Kirtruna en Vigano, C-313/07, EU:C:2008:574, punt 36).
35
Aangezien in de lidstaten nog verschillen bestaan inzake de mate van de bescherming van de werknemers op dit gebied, beoogt richtlijn 2001/23 echter om deze verschillen kleiner te maken door de nationale wetgevingen onderling aan te passen zonder evenwel een volledige harmonisatie tot stand te brengen (zie overwegingen 4 en 6 van richtlijn 2001/23 en arrest Amatori e.a., C-458/12, EU:C:2014:124, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Hoofdstuk II van richtlijn 2001/23 bevat blijkens het opschrift ervan, met name in de artikelen 3 tot en met 5, de voorschriften inzake het behoud van de rechten der werknemers.
37
Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn formuleert het beginsel volgens hetwelk de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder voortvloeien uit op de datum van de overgang bestaande arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, op de verkrijger overgaan.
38
Uit het genoemde oogpunt van het behoud van de rechten van de werknemers bepaalt richtlijn 2001/23 in de eerste plaats, in artikel 3, lid 3, ervan, dat de verkrijger na de overgang gehouden is om de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden in dezelfde mate te handhaven als in deze overeenkomst is vastgesteld voor de vervreemder, tot op het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt, of waarop een andere collectieve overeenkomst wordt toegepast (arrest Juuri, C-396/07, EU:C:2008:656, punt 32). In de tweede plaats bepaalt die richtlijn in artikel 4, lid 1, ervan dat de overgang van een onderneming op zich voor de vervreemder of de verkrijger geen reden is tot ontslag.
39
Deze beschermingsregels moeten als dwingend worden beschouwd zodat de lidstaten er niet van mogen afwijken in een voor de werknemers ongunstige zin (zie in die zin arrest Commissie/Italië, C-561/07, EU:C:2009:363, punt 46), behoudens de bij deze richtlijn vastgestelde uitzonderingen.
40
In de eerste plaats kunnen de lidstaten krachtens artikel 3, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 2001/23 het tijdvak beperken waarin de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd, mits dit tijdvak niet korter is dan één jaar.
41
In de tweede plaats bepaalt artikel 3, lid 4, onder a), van die richtlijn dat de leden 1 en 3 van dat artikel, tenzij de lidstaten anders bepalen, niet van toepassing zijn op de rechten van de werknemers op ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de wettelijke stelsels van sociale zekerheid van de lidstaten.
42
In deze context zij in herinnering gebracht dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat laatstgenoemde uitzondering op de toepassing van de leden 1 en 3 van artikel 3 van richtlijn 2001/23, die de verkrijger verplichten tot handhaving van zowel de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen als de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden, strikt moet worden uitgelegd, met inachtneming van de door die richtlijn nagestreefde algemene doelstelling om de rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen te vrijwaren (arrest Commissie/Italië, EU:C:2009:363, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Bijgevolg kunnen enkel de buiten de wettelijke stelsels van sociale zekerheid toegekende uitkeringen die limitatief zijn opgesomd in artikel 3, lid 4, onder a), van richtlijn 2001/23, aan de verplichting van overgang van de rechten van de werknemers worden onttrokken (arrest Commissie/Italië, EU:C:2009:363, punt 32).
44
Voorts zij erop gewezen dat zelfs wanneer de lidstaten die uitzondering toepassen, overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder b), van die richtlijn de in die bepaling neergelegde uitsluiting van de overgangsverplichting gepaard moet gaan met de vaststelling door de betrokken lidstaat van de maatregelen die noodzakelijk zijn om de belangen van de werknemers — met inbegrip van die welke de vestiging van de vervreemder reeds op het tijdstip van de overgang hebben verlaten — te beschermen met betrekking tot hun verkregen rechten of rechten in wording op ouderdomsuitkeringen en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van de in lid 4, onder a), bedoelde aanvullende stelsels (arrest Commissie/Italië, EU:C:2009:363, punt 31).
45
In de derde plaats mogen de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2001/23 van de eerste alinea van die bepaling afwijken door te bepalen dat de in die eerste alinea neergelegde voorschriften inzake ontslag niet van toepassing zijn op bepaalde welomschreven categorieën werknemers waarop de wettelijke voorschriften of het gebruik van de lidstaten inzake bescherming tegen ontslag geen betrekking hebben.
46
In de vierde plaats bepaalt artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 dat de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn in beginsel niet van toepassing zijn op een overgang van een onderneming wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke insolventieprocedure die is ingeleid om het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie te liquideren.
47
De lidstaten kunnen er echter voor kiezen, zoals blijkt uit artikel 5, leden 1 en 2, eerste zinsnede, om de artikelen 3 en 4 toe te passen op een overgang van een onderneming in het kader van een insolventieprocedure die is ingeleid tegen een vervreemder en die onder toezicht staat van een bevoegde overheidsinstantie.
48
Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van die facultatieve toepassing, staat artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/23 hem onder bepaalde voorwaarden toch toe om een aantal van de waarborgen van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2001/23 buiten toepassing te laten wanneer een insolventieprocedure is ingeleid onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie (arrest Commissie/Italië, EU:C:2009:363, punt 38).
49
Bijgevolg kan die lidstaat, in afwijking van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, krachtens artikel 5, lid 2, onder a) en b), van deze richtlijn bepalen dat de schulden van de vervreemder die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen en die verschuldigd zijn vóór de overgang of vóór de inleiding van de insolventieprocedure, niet overgaan op de verkrijger, op voorwaarde dat die procedure op grond van de wetgeving van die lidstaat een bescherming biedt die minstens gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden door richtlijn 80/987 en/of dat, voor zover de wetgeving of de gangbare praktijk dat toestaat, de arbeidsvoorwaarden bij overeenkomst kunnen worden gewijzigd om de werkgelegenheid te behouden door het voortbestaan van de onderneming te verzekeren.
50
Artikel 5 bepaalt eveneens, in lid 4 ervan, dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van insolventieprocedures met het doel de werknemers van de uit richtlijn 2001/23 voortvloeiende rechten te beroven.
51
Tot slot zij erop gewezen dat hoewel de in die richtlijn geformuleerde beschermingsregels — zoals in punt 39 van deze beschikking is overwogen — behoudens de in die richtlijn uitdrukkelijk neergelegde uitzonderingen dwingend zijn, artikel 8 van de richtlijn bepaalt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan het recht van de lidstaten om een voor de werknemers gunstigere regeling toe te passen of in te voeren.
52
Uit de voorgaande overwegingen volgt in de eerste plaats dat richtlijn 2001/23 voorziet in de basisregel dat op de verkrijger overgaan de rechten en verplichtingen uit een op de datum van de overgang van een onderneming bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking tussen de werknemer en de vervreemder. Zoals blijkt uit de bewoordingen en de structuur van artikel 3 van die richtlijn, omvat de overdracht aan de verkrijger van de schulden die ten tijde van de overgang van een onderneming op de vervreemder rusten, doordat hij werknemers in dienst heeft, alle rechten van deze werknemers, voor zover zij niet vallen onder een uitdrukkelijk in die richtlijn neergelegde uitzondering (zie naar analogie arrest Beckmann, C-164/00, EU:C:2002:330, punten 36 en 37).
53
Behoren bijgevolg tot die schulden niet alleen de salarissen en andere emolumenten die zijn verschuldigd aan de werknemers van de betrokken onderneming, maar ook de door de vervreemder verschuldigde bijdragen aan het wettelijk stelsel van de sociale zekerheid, aangezien een dergelijke schuld voortvloeit uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen met die vervreemder. Zoals ook uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 2001/23 volgt, impliceert een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking volgens die richtlijn immers een rechtsverhouding tussen de werkgevers en de werknemers waarbij de arbeidsvoorwaarden worden geregeld (arrest Kirtruna en Vigano, EU:C:2008:574, punt 41).
54
In de tweede plaats geldt die basisregel overeenkomstig artikel 5, lid 1, van die richtlijn niet voor het geval, zoals in het hoofdgeding, waarin de vervreemder in een insolventieprocedure is verwikkeld en onder het toezicht staat van een bevoegde overheidsinstantie van de betrokken lidstaat. In dat geval wordt de betaling van de uit de betrekking met de werkgever in staat van insolventie voortvloeiende vorderingen van de werknemers immers gewaarborgd door richtlijn 80/987.
55
In de derde plaats staat artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23, ondanks die in richtlijn 2001/23 vastgestelde uitzondering, elke lidstaat toe om met name artikel 3 van die richtlijn toe te passen op een overgang van een onderneming in het kader van een tegen de vervreemder ingeleide insolventieprocedure. Voor het geval een lidstaat gebruikmaakt van die mogelijkheid bepaalt artikel 5, lid 2, onder a), dat van artikel 3, lid 1, van die richtlijn aldus kan worden afgeweken dat de schulden van de vervreemder die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen en die verschuldigd zijn vóór de overgang of vóór de inleiding van de insolventieprocedure, niet overgaan op de verkrijger, evenwel op voorwaarde dat in die lidstaat een bescherming bestaat die ten minste gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden door richtlijn 80/987, welke richtlijn de instelling vereist van een mechanisme dat de betaling waarborgt van de schulden aan de werknemers uit hoofde van arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen met de insolvente werkgever. Met deze afwijkingsmogelijkheid kan niet alleen de betaling van de lonen van de betrokken werknemers worden gewaarborgd, maar kan ook de werkgelegenheid veilig worden gesteld door het voortbestaan van de onderneming in moeilijkheden te verzekeren.
56
In de vierde plaats staat het de lidstaten krachtens artikel 8 van richtlijn 2001/23 vrij om een andere regeling inzake de overgang van ondernemingen in te voeren of toe te passen, voor zover die voor de werknemers gunstiger is dan de regeling waarin die richtlijn voorziet. Een dergelijke handelwijze is immers in overeenstemming met het door die richtlijn nagestreefde doel dat in punt 34 van de onderhavige beschikking in herinnering is gebracht. Bijgevolg wordt een lidstaat, zelfs wanneer een marktdeelnemer een onderneming in staat van insolventie overneemt, niet de mogelijkheid ontnomen om artikel 3, lid 1, van die richtlijn toe te passen.
57
In de vijfde plaats blijkt zowel uit de bewoordingen van richtlijn 2001/23 als uit de door die richtlijn ingevoerde regeling dat, behalve de verplichting voor de lidstaten om de werknemers die de vestiging van de vervreemder op de datum van de overgang reeds hebben verlaten te beschermen met betrekking tot de verkregen rechten of de rechten in wording op de in artikel 3, lid 4, onder b), van die richtlijn bedoelde uitkeringen, de Uniewetgever geen regels heeft vastgesteld voor de schulden van de vervreemder die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen die op de datum van de overgang reeds zijn beëindigd. Een lidstaat kan, om dezelfde redenen als die welke in het vorige punt zijn uiteengezet, echter wel bepalen dat dergelijke schulden overgaan op de verkrijger.
58
Het staat aan de verwijzende rechter om het bij hem aanhangige geding tegen de achtergrond van die uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te beslechten door, rekening houdend met alle aspecten van de feitelijke en juridische situatie die tot dat geding heeft geleid, na te gaan of de in de betrokken lidstaat geldende regeling verenigbaar is met de vereisten van het Unierecht.
59
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat:
- —
wanneer de vervreemder bij overgang van een onderneming in een insolventieprocedure is verwikkeld onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie en de betrokken lidstaat ervoor heeft gekozen gebruik te maken van artikel 5, lid 2, van die richtlijn, deze richtlijn niet eraan in de weg staat dat deze lidstaat bepaalt of toestaat dat de schulden van de vervreemder die bestaan op de datum van de overgang of van de inleiding van de insolventieprocedure en die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, met inbegrip van die welke verband houden met het wettelijk stelsel van sociale zekerheid, niet overgaan op de verkrijger, op voorwaarde dat die procedure de werknemers een bescherming biedt die minstens gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden door richtlijn 80/987. Niets belet echter dat deze lidstaat bepaalt dat dergelijke schulden ook bij insolventie van de vervreemder door de verkrijger moeten worden gedragen;
- —
behoudens het bepaalde in artikel 3, lid 4, onder b), die richtlijn niet voorziet in verplichtingen met betrekking tot de schulden van de vervreemder die voortvloeien uit vóór de datum van overgang beëindigde arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, maar niet eraan in de weg staat dat de regeling van de lidstaten toestaat dat dergelijke schulden overgaan op de verkrijger.
Kosten
60
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen moet aldus worden uitgelegd dat:
- —
wanneer de vervreemder bij overgang van een onderneming in een insolventieprocedure is verwikkeld onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie en de betrokken lidstaat ervoor heeft gekozen gebruik te maken van artikel 5, lid 2, van die richtlijn, deze richtlijn niet eraan in de weg staat dat deze lidstaat bepaalt of toestaat dat de schulden van de vervreemder die bestaan op de datum van de overgang of van de inleiding van de insolventieprocedure en die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, met inbegrip van die welke verband houden met het wettelijk stelsel van sociale zekerheid, niet overgaan op de verkrijger, op voorwaarde dat die procedure de werknemers een bescherming biedt die minstens gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden door richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever. Niets belet echter dat deze lidstaat bepaalt dat dergelijke schulden ook bij insolventie van de vervreemder door de verkrijger moeten worden gedragen;
- —
behoudens het bepaalde in artikel 3, lid 4, onder b), die richtlijn niet voorziet in verplichtingen met betrekking tot de schulden van de vervreemder die voortvloeien uit vóór de datum van overgang beëindigde arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen, maar niet eraan in de weg staat dat de regeling van de lidstaten toestaat dat dergelijke schulden overgaan op de verkrijger.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑01‑2015