Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.3.2
4.4.3.2 Waarborgfunctie
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364822:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Klaassen 2010, p. 64 en 65 voor o.a. verdere verwijzingen. Zie daarnaast Timmerman 2005, par. 3c en Van Veen 2011, p. 120.
Timmerman 2005, par. 3c.
Van Schilfgaarde/Winter en Wezeman, nr. 8.
Zie par. 4.2.7.2 en Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 3.
Vgl. Kamerstukken 31 763, nr. 3 (MvT), p. 4.
Zie Van Veen 2011, p. 120 en 131, Meinema (Diss.) p. 18, 19 en 53-54 en Klaassen 2010, p. 66 t/m 68.
Zie Van Veen 2011, p. 131, Meinema (Diss.), p. 53-54, Klaassen (Diss.), p. 17 t/m 33 en Compendium 2013, p. 693.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 3 en 4. Zie ook p. 1 en 14.
Zie art. 2:192 lid 1 BW, art. 2:195 lid 1 en 4 BW, art. 2:340 BW (jo. art. 2:343 lid 2 BW).
Zie ook par. 4.2.4.2 en art. 2:81 BW en art. 2:192 lid 1 BW.
Alle auteurs die zich bezig houden met de vraag waarom wij dwingend vennootschapsrecht hebben, noemen steevast het waarborgen van belangen binnen en buiten de vennootschap.1
Wat betreft de belangen buiten de vennootschap wordt met name gedacht aan belangen van crediteuren en werknemers. Omdat zij geen zitting hebben in de organen van de vennootschap kunnen zij het gedrag van de vennootschap niet mede bepalen. Daardoor hebben zij ook geen of slechts beperkte invloed op de regels van de deelrechtsorde die (de organen van) de vennootschap zelf kan vaststellen. Dit betekent dat zij niet kunnen afdwingen dat de deelrechtsorde regels bevat die beogen om hun belangen te beschermen. Omdat de wetgever echter wel vindt dat bij het functioneren van de rechtspersoon rekening moet worden gehouden met de belangen van (onder andere) crediteuren en werknemers schrijft hij deze dwingendrechtelijk voor.2 De desbetreffende bepalingen vormen een tegenwicht tegen de beperkte aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouders voor de schulden van de vennootschap.3
Het gaat onder meer om de regel dat bestuurders en commissarissen zich bij de uitoefening van hun taak moeten richten op het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming.4 Het zij herhaald, dat dit onder meer inhoudt dat zij ook rekening moeten houden met het belang van stakeholders, als crediteuren en werknemers (ook de aandeelhouders profiteren hier overigens van).
Een ander voorbeeld zijn de dwingendrechtelijke beperkingen die de wetgever aan kapitaalsonttrekkingen uit de vennootschap heeft gesteld. Hierdoor wordt het belang van de crediteuren gediend, alsmede de continuïteit van de vennootschap bevorderd hetgeen onder meer gunstig is voor werknemers.
Ook eist de wet ten aanzien van vennootschappen die zo “groot” zijn dat zij aan de structuurcriteria voldoen dat zij beschikken over een onafhankelijke raad van commissarissen om de kwaliteit op de toezicht van het bestuur te bevorderen.5
Bij het waarborgen van de belangen binnen de rechtspersoon gaat het onder meer om het beschermen van belangen van aandeelhouders. Het is daarbij opmerkelijk dat in de opvattingen van de wetgever ook de (meerderheids) aandeelhouder bescherming behoeft. In par. 4.2 werd immers uiteengezet dat de meerderheid in de aandeelhoudersvergadering een machtige positie bekleedt. Zo kan deze de bevoegdheid om de statuten vast te stellen aanwenden om bevoegdheden naar zich toe te halen. De wetgever meent echter dat aandeelhouders tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen.6 Bij (met name grote) vennootschappen waarbij de aandeelhouders niet of nauwelijks bij het bestuur waren betrokken, slaagde het bestuur er vaak in om de bevoegdheden van de aandeelhoudersvergadering aan banden gelegd te krijgen. Daardoor werd in de ogen van de wetgever te veel macht geconcentreerd bij het bestuur. Dat werd tegengegaan door in de wet bevoegdheden dwingendrechtelijk aan de aandeelhoudersvergadering toe te kennen. Het gaat bijvoorbeeld om de bevoegdheid om de statuten te wijzigen en – bij vennootschappen waarop niet het volledige structuurregime van toepassing is – bestuurders te benoemen en te ontslaan.
Aldus ontstond een dwingendrechtelijk voorgeschreven stelsel van checks and balances dat niet alleen het belang van de aandeelhouders dient, maar ook het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming.7
Daarnaast bevat de wet dwingendrechtelijke bepalingen ter bescherming van individuele aandeelhouders die in een afhankelijke positie komen te verkeren, bijvoorbeeld omdat ze zich geconfronteerd zien met een meerderheid in de aandeelhoudersvergadering. Illustratief is de volgende passage uit de Memorie van Toelichting bij de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht:8
“De grotere vrijheid van inrichting heeft als gevolg dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de positie van minderheidsaandeelhouders. Zij lopen het risico dat de meerderheid als gevolg van de grotere vrijheid van inrichting de minderheid benadeelt. De wet biedt daarom een aantal minimumwaarborgen voor de bescherming van de minderheidsaandeelhouder. Anderzijds mag de bescherming van de minderheidsaandeelhouder niet ten koste gaan van de flexibilisering die met dit wetsvoorstel wordt nagestreefd. Het is inherent aan de besluitvorming in een algemene vergadering dat de minderheidsaandeelhouder zich in beginsel moet schikken in de besluitvorming door de meerderheid. Hierbij is van belang dat aandeelhouders zich in algemene zin in hun onderlinge verhoudingen moeten laten leiden door de redelijkheid en billijkheid (artikel 8). Slechts voor die gevallen waarin het risico bestaat dat het meerderheidsbelang wordt misbruikt of waar essentiële rechten van aandeelhouders in het geding zijn, ligt specifieke wettelijke bescherming van de minderheidsaandeelhouder in de rede.”
De in dit citaat genoemde wettelijke bescherming betreft dwingendrechtelijke bescherming. Ik noem enkele voorbeelden:
In par. 4.2.7.3 en het citaat hierboven kwam reeds ter sprake dat uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW een zorgplicht van meerderheidsaandeelhouders jegens minderheidsaandeelhouders voortvloeit. Aldus wordt de minderheid beschermd tegen de in par. 4.2 besproken verregaande macht van de meerderheid van de aandeelhoudersvergadering.
Een ander voorbeeld van de bescherming van individuele aandeelhouders is de dwingendrechtelijke regel dat een aandeelhouder niet tegen zijn wil kan worden gedwongen om genoegen te nemen met een prijs voor zijn aandelen die lager is dan de waarde die is vastgesteld door onafhankelijke deskundigen.9
Tevens stelt de wet paal en perk aan de mogelijkheden om in de statuten verplichtingen op te leggen aan aandeelhouders.10 Als het bijvoorbeeld gaat om verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard dient de aandeelhouder daarmee in te stemmen.