Hof Amsterdam, 31-03-2017, nr. 200.172.375/01 OK, nr. 200.172.375/02 OK
ECLI:NL:GHAMS:2017:1066
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
31-03-2017
- Zaaknummer
200.172.375/01 OK
200.172.375/02 OK
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2017:1066, Uitspraak, Hof Amsterdam, 31‑03‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:597, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:GHAMS:2016:1604, Uitspraak, Hof Amsterdam (OK), 22‑04‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2016:531, Uitspraak, Hof Amsterdam, 17‑02‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Wetingang
art. 355 Burgerlijk Wetboek Boek 2
art. 349a Burgerlijk Wetboek Boek 2
- Vindplaatsen
JOR 2017/196 met annotatie van mr. S.J. van Calker
OR-Updates.nl 2017-0131
OR-Updates.nl 2016-0162
JOR 2016/193 met annotatie van mr. P.D. Olden
AR 2016/1433
JOR 2016/193 met annotatie van mr. P.D. Olden
AR 2016/561
Uitspraak 31‑03‑2017
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; beëindiging van het aanvullende onderzoek wegens gebrek aan financiering; toewijzing van het verzoek van de rechtspersoon tot verhaal van de onderzoekskosten; art. 2:354 en 355 BW.
Partij(en)
beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummers: 200.172.375/01 OK en 200.172.375/02 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 31 maart 2017
inzake:
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaat: voorheen mrs. F.M. Peters en M.D. Hazenberg, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
thans mr. J.A. Zee, eveneens kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM I B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM II B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM III B.V.,
alle gevestigd te Hilversum,
VERWEERSTERS,
advocaten: mrs. M.W.E. Evers en R.Q Potter, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. [B] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: voorheen mr. C.J. Jager, kantoorhoudende te Amsterdam,
thans mr. Ü. Arslan, kantoorhoudende te Den Haag,
e n t e g e n
2. 2. [C] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. J.A. Meijer, kantoorhoudende te Den Haag,
e n t e g e n
3. [D] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: tot 20 november 2015 mrs. I.S. Oosterhoff en R.J.T. Kamstra, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, thans mr. C.F.J.M. Nelemans, kantoorhoudende te Schiphol-Rijk.
1. Het verloop van het geding
1.1
Partijen en andere (rechts)personen zullen hierna (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoeker als [A] ;
- -
verweersters 1 tot en met 4 ieder afzonderlijk als respectievelijk Leaderland TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III en gezamenlijk als Leaderland c.s. of de (Leaderland)vennootschappen;
- -
belanghebbende 1 als [B] ;
- -
belanghebbende 2 als [C] ;
- -
belanghebbende 3 als [D] ;
- -
belanghebbenden 1 tot en met 3 gezamenlijk (ook) als [B] c.s.;
- -
J.C. Jaakke als Jaakke of de bestuurder;
- -
E. Hammerstein als Hammerstein of de beheerder.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar in deze zaak gegeven beschikkingen van 18 maart 2014, 11 juli 2014, 24 juli 2014, 5 december 2014, 15 december 2014, 3 februari 2015, 28 april 2015, 29 mei 2015, 5 juni 2015, 22 juli 2015, 5 oktober 2015, 26 oktober 2015, 17 februari 2016 en 22 april 2016, alsmede naar de beschikkingen van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 29 mei 2015, 15 juni 2015 en 26 oktober 2015 en naar de beschikkingen van de raadsheer-commissaris van 14 januari 2015 en 25 maart 2015.
1.3
Bij haar beschikking van 18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer onder meer en voor zover hier van belang:
- een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. over de periode vanaf 1 oktober 2012;
- mr. F.D. Stibbe en drs. N. van der Noll (hierna ook aan te duiden als: de onderzoekers) benoemd tot onderzoekers;
- bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding [D] geschorst als bestuurder van Leaderland c.s.;
- bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding drs. B. van Haaren-van Duijn (hierna: Van Haaren) benoemd tot bestuurder van Leaderland c.s. en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Leaderland c.s. te vertegenwoordigen;
- vooralsnog voor de duur van het geding bepaald dat de aandelen die [B] , [C] en [A] houden in Leaderland c.s. met ingang van 18 maart 2014 ten titel van beheer zijn overgedragen aan Hammerstein.
1.4
Bij de beschikking van 15 december 2014 heeft de Ondernemingskamer Van Haaren (op haar verzoek) ontheven uit haar functie van bestuurder en Hammerstein als bestuurder aangewezen. Bij de beschikking van 3 februari 2015 heeft de Ondernemingskamer – voor zover hier van belang – Hammerstein (op zijn verzoek) ontheven uit zijn functie van bestuurder en mr. W.G. van Hassel (hierna: Van Hassel) aangewezen als bestuurder van Leaderland c.s.
1.5
Het verslag van het door de onderzoekers verrichte onderzoek met bijlagen (hierna: het onderzoeksverslag) is op 28 april 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd. Bij de op die dag gegeven beschikking heeft de Ondernemingskamer onder meer bepaald dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
1.6
Bij de beschikking van 5 juni 2015 heeft de Ondernemingskamer Van Hassel op zijn verzoek– nu naar zijn mening het werk als bestuurder hem onmogelijk werd gemaakt – ontheven uit zijn functie van bestuurder.
1.7
Bij de beschikking van 15 juni 2015 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer [A] gemachtigd om mededelingen uit het onderzoeksverslag te doen in het kader van de in die beschikking vermelde procedures aan de aldaar genoemde derden.
1.8
[A] heeft bij op 26 juni 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verstaan dat is gebleken van wanbeleid bij Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V;
2. te verstaan dat [B] , [C] en [D] verantwoordelijk zijn voor dit wanbeleid;
3. [D] te ontslaan als bestuurder van de Leaderland vennootschappen ex artikel 2:356 BW;
4. te vernietigen de besluiten genomen door (de) Leaderland (vennootschappen) rondom de opzegging en terugvordering van de leningsovereenkomsten door Peters Inc. ex artikel 2:356 BW;
5. te vernietigen de besluiten genomen door (de) Leaderland (vennootschappen) rondom de claim van “Soyuz Group” ex artikel 2:356 BW;
6. voor zover nodig, te vernietigen de besluiten die ten grondslag liggen aan de afstoting/vervreemding van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM ex artikel 2:356 BW;
7. [B] , [C] en [D] op grond van artikel 2:357 lid 2 BW te bevelen om mee te werken aan het herstel van het vermogen van de Leaderland vennootschappen, zich te onthouden van enige handeling die daaraan in de weg staat en zorg te dragen voor de ongedaanmaking van de gevolgen van de vernietiging van de besluiten tot afstoting/vervreemding van de deelnemingen Soyuz Corporation en Soyuz TTM, waaronder in ieder geval, binnen twee weken na vernietiging:
a. de handelsregisters te Rusland met betrekking tot de deelnemingen Soyuz Corporation en Soyuz TTM zodanig aan te passen dat deze in overeenstemming zijn met de werkelijkheid na vernietiging van de besluiten tot vervreemding;
b. het ertoe te leiden dat de aandelen van Soyuz TTM weer in het vermogen van Leaderland I, II en III komen en dat de deelneming die Leaderland voorheen in Soyuz Corporation hield eveneens weer terug in het vermogen van Leaderland komt;
c. elke andere ongedaanmakingshandeling te verrichten die nodig is om de Leaderland vennootschappen weer in de situatie te brengen van voor de transacties (dus voor 31 mei 2013),
een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 10 miljoen ineens per persoon en € 50.000 per persoon per dag of gedeelte daarvan dat die persoon geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan deze bevelen;
8. te bepalen dat de restitutieschuld aan Soyuz Corporation een natuurlijke verbintenis is, totdat Leaderland erin zal zijn geslaagd de in 2013 door haar aan Peters BVI gedane betalingen terug te ontvangen, althans Leaderland tot dat moment te verbieden enige restitutieschuld aan Soyuz Corporation te betalen;
9. de overdracht ten titel van beheer van de aandelen in het kapitaal van de Leaderland vennootschappen, die is bevolen op de voet van artikel 2:349a lid 2 BW bij de beschikking van 18 maart 2014, voort te zetten met Hammerstein als beheerder voor een periode van 2 jaar ex artikel 2:356 BW, althans voor een periode die de Ondernemingskamer geraden acht;
10. een tijdelijk statutair bestuurder aan te wijzen ( [A] of een buitenstaander) voor een periode van twee jaar (ex artikel 2:356 BW), althans voor de duur die de Ondernemingskamer geraden acht, en op grond van artikel 2:357 lid 2 BW deze bestuurder te instrueren dat hij het tot zijn taak mag rekenen om alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor het herstel van het vermogen van de Leaderland vennootschappen en de ongedaanmaking van de gevolgen van de vernietiging van de besluiten tot afstoting/vervreemding van de deelnemingen Soyuz Corporation en Soyuz TTM, en te streven naar een liquidatie binnen 2 jaar;
11. in tijdelijke afwijking van de statuten van de Leaderland vennootschappen een derde persoon aan te wijzen (Hammerstein of een commissaris) voor een periode van twee jaar (ex artikel 2:356 BW), althans voor de duur die de Ondernemingskamer geraden acht, en diegene de bevoegdheid toe te kennen tot goedkeuring van bepaalde in het verzoekschrift nader aangeduide bestuursbesluiten en te bepalen dat het salaris en de kosten van deze derde hoofdelijk ten laste komen van [B] , [C] en [D] ;
12. [B] , [C] en [D] te bevelen ten behoeve van de Leaderland vennootschappen zekerheid te stellen ter financiering van de nader te treffen voorzieningen, waaronder de kosten van de bestuurder, beheerder en eventuele te benoemen commissaris, voor de duur van de voorziening;
13. zodanige voorzieningen ex artikel 2:356 BW en/of onmiddellijke voorzieningen ex artikel 2:349a BW te treffen die de Ondernemingskamer geraden acht teneinde te bereiken dat ook op aandeelhoudersniveau voor de lange termijn een werkbare situatie blijft bestaan, waarbij een zodanige vennootschappelijke structuur wordt gecreëerd dat recht wordt gedaan aan de belangen van de onderneming alsmede zo veel mogelijk de kans wordt weggenomen dat impasses binnen de structuur blijven voorduren en/of [D] , [C] en [B] voor de Leaderland vennootschappen nadelige handelingen kunnen blijven verrichten; en
14. [B] c.s. althans Leaderland te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der beschikking.
1.9
Bij de beschikking van 22 juli 2015 heeft de Ondernemingskamer Jaakke als bestuurder van Leaderland c.s. aangewezen en – mede gelet op hetgeen is overwogen in de beschikking van 5 juni 2015 – partijen verboden om ongevraagd met de tijdelijke bestuurder contact op te nemen, tenzij door tussenkomst van hun advocaat, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per overtreding met een maximum van € 1.000.000.
1.10
Bij de beschikking van 5 oktober 2015 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [C] (dat werd ondersteund door [D] en [B] ) tot – onder meer – vervanging van de onderzoekers en het opnieuw doen uitvoeren van het onderzoek afgewezen.
1.11
Bij beschikking van diezelfde datum heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 100.250 en de vergoeding van de onderzoekers op genoemd bedrag bepaald, de omzetbelasting daarin niet begrepen.
1.12
Bij de beschikking van 26 oktober 2015 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] te bepalen dat het onderzoeksverslag ter inzage ligt voor een ieder (wederom) afgewezen.
1.13
Bij de beschikking van diezelfde datum heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer [A] gemachtigd om mededelingen uit het onderzoeksverslag te doen in het kader van de in die beschikking vermelde procedures aan de aldaar genoemde derden (anderen dan in 1.7 bedoeld).
1.14
[C] heeft bij op 28 oktober 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift de Ondernemingskamer verzocht nader onderzoek te gelasten, met name naar de gang van zaken rond de lening van Peters Inc. bij de afsplitsing, maar ook naar de rol van EFKO, de relatie tussen Peters Inc. en [B] en naar de langetermijncontracten, en voorts verzocht het verzoek van [A] tot vaststelling van wanbeleid af te wijzen en de in deze procedure getroffen onmiddellijke voorzieningen te beëindigen, met veroordeling van [A] in de kosten.
1.15
[B] heeft bij op 29 oktober 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift tevens houdende een verzoek tot het doen van nader onderzoek de Ondernemingskamer verzocht de onderzoekers te verplichten nieuw, althans nader onderzoek te verrichten naar de kwesties (i) EFKO en (ii) de langetermijncontracten, en voorts zowel de primaire als de subsidiaire verzoeken van [A] af te wijzen, met veroordeling van [A] in de proceskosten.
1.16
[D] heeft bij op 30 oktober 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek tot het doen van nader onderzoek de Ondernemingskamer verzocht bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (i) [A] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van deze procedure en (ii) de onderzoekers te bevelen nader (diepgaander) onderzoek uit te voeren naar het voorwerp van het tegenverzoek– kort gezegd de betrokkenheid van [A] bij EFKO en de kwestie van de langetermijncontracten –, met bepaling dat geen aanvullende financiering beschikbaar behoeft te worden gesteld voor dit onderzoek.
1.17
De onder 1.8 en onder 1.14-1.16 genoemde verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 19 november 2015. [A] heeft ter terechtzitting – ondersteund door Jaakke – een aanvullend verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen gedaan, waartegen de advocaten van de overige partijen verweer hebben gevoerd.
1.18
Ter zitting heeft de Ondernemingskamer [B] en [C] in de gelegenheid gesteld binnen een week te laten weten of zij, indien de Ondernemingskamer een nader onderzoek noodzakelijk zou achten, bereid zijn een dergelijk onderzoek te financieren. Mr. Oosterhoff – toenmalig advocaat van [D] – heeft ter zitting al namens [D] laten weten dat deze hiertoe niet bereid en in staat is.
1.19
Bij brief van 19 november 2015 hebben mrs. Oosterhoff en Kamstra zich onttrokken als advocaten van [D] .
1.20
Bij faxbrief van 26 november 2015 heeft mr. Jager – toenmalig advocaat van [B] - de Ondernemingskamer laten weten dat [B] bereid is te garanderen dat de kosten voor een aanvullend onderzoek zullen worden gefinancierd tot een maximum van € 50.000 exclusief btw. Dat aanvullend onderzoek zou zich conform de verzoeken moeten richten op (onder meer):
(i) de langetermijncontracten die door [A] zijn gesloten met de leveranciers, nadat er reeds een aandeelhoudersbesluit was genomen om dat niet te doen, en
(ii) de relatie van [A] met concurrent EFKO.
1.21
Bij brief van 17 december 2015 heeft mr. Peters – toenmalig advocaat van [A] – bericht niet langer op te treden voor [A] . Bij brief van 21 december 2015 heeft mr. Zee zich gesteld voor [A] en medegedeeld dat hij mrs. Peters en Hazenberg in deze zaak is opgevolgd als advocaat van [A] .
1.22
Bij de beschikking van 17 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer beslist op het onder 1.17 vermelde aanvullende verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen en heeft zij het verzoek toegewezen in voege als vermeld in het dictum van die beschikking. De onmiddellijke voorzieningen hebben betrekking op door [E] en [B] onbevoegd verrichte proceshandelingen.
1.23
Bij beschikking van 22 april 2016 heeft de Ondernemingskamer beslist op de onder 1.8 en onder 1.14-1.15 vermelde verzoeken. Het dictum van die beschikking luidt als volgt:
De Ondernemingskamer:
- beveelt een aanvullend onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V., alle gevestigd te Hilversum, met betrekking tot a) de vraag of [A] met het aangaan van de termijncontracten is afgeweken van het door [B] c.s. gestelde aandeelhoudersbesluit van 9 december 2008 en of voorzienbaar was dat die overeenkomsten zouden leiden tot schade voor Leaderland c.s. of vanwege daaraan verbonden risico’s (zoals wijziging van het fiscale regime) onverantwoord waren en, indien vraag a) bevestigend wordt beantwoord, b) de vraag of [A] mogelijk betrokken is bij/werkzaam is voor de concurrerende onderneming EFKO;
- benoemt (wederom) mr. F.D. Stibbe te Amsterdam en drs. N. van der Noll te Oosthuizen teneinde het onderzoek te verrichten;
- stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 50.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
- bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V., en dat zij, dan wel – gelet op diens toezegging – S.I. [B] , voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoekers voor de aanvang van hun werkzaamheden zekerheid dienen te stellen;
- verstaat dat uit het verslag van het onderzoek in deze zaak blijkt van wanbeleid van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. in de periode vanaf 1 oktober 2012, met betrekking tot de verkoop van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM, een en ander als nader omschreven in rechtsoverweging 4.17;
- stelt vast dat [D] en [B] hiervoor verantwoordelijk zijn;
- verklaart Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. niet-ontvankelijk in hun verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2:354 BW;
- ontslaat met ingang van heden [D] als bestuurder van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V.;
- vernietigt de bestuursbesluiten strekkende tot vervreemding van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM;
- verlengt de benoeming van mr. J.C. Jaakke te Amsterdam tot bestuurder van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. met een periode van twee jaar;
- bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurder ten laste komen van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V.;
- bepaalt dat de aandelen die [B] , [C] en [A] houden in Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. voor de duur van twee jaar ten titel van beheer overgedragen blijven aan mr. E. Hammerstein te Amsterdam;
- bepaalt dat het salaris en de kosten van deze beheerder van aandelen ten laste komen van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V.;
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
1.24
Bij e-mail van 12 september 2016 hebben de onderzoekers de Ondernemingskamer bericht geen zicht te hebben op zekerstelling van de funding van het onderzoek door [B] en hebben zij om die reden verzocht hen te ontheffen uit hun benoeming.
1.25
Bij brief van 16 september 2016 heeft de Ondernemingskamer aan partijen bericht dat met ingang van die dag mr. G.C. Makkink in plaats van mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar is benoemd tot raadsheer-commissaris.
1.26
Op 3 oktober 2016 heeft [C] op het in 1.24 genoemde verzoek gereageerd en zijnerzijds tevens verzoeken gedaan en daarbij producties overgelegd. Zijn conclusie luidt dat de Ondernemingskamer een raadsheer-commissaris zal benoemen, de onderzoekers niet-ontvankelijk zal verklaren in hun verzoek tot ontheffing dan wel dit zal afwijzen en de onderzoekers onmiddellijk zal ontheffen uit hun benoeming, zonder kosten en met de verplichting tot terugbetaling van reeds door hen gedeclareerde en ontvangen bedragen, nader op te maken bij staat en dat de Ondernemingskamer nieuwe onderzoekers zal benoemen en de in productie 6 van genoemd processtuk genoemde getuigen zal horen, kosten rechtens.
1.27
Op 4 oktober 2016 heeft [B] (met inmiddels mr. Arslan als advocaat) zich uitgelaten over de voortzetting van de procedure en een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen gedaan. Hij heeft laten weten niet bereid te zijn de kosten van het aanvullend onderzoek te financieren. Hij heeft de Ondernemingskamer verzocht: I. de enquêteprocedure op de kortst mogelijke termijn te staken en zowel de beheerder als de tijdelijk bestuurder op de kortst mogelijke termijn uit hun functies te ontheffen, II. alle (tussen)beschikkingen in de onderhavige enquêteprocedure te vernietigen, althans ongeldig te verklaren, III. [A] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn enquêteverzoek, IV. kosten rechtens.
1.28
Bij faxbrief van 4 oktober 2016 heeft mr. Zee namens [A] laten weten geen bezwaar te hebben tegen ontheffing van de onderzoekers uit hun functie en zich op het standpunt gesteld dat de onder 1.26 weergegeven verzoeken van [C] dienen te worden afgewezen.
1.29
Op 6 oktober 2016 hebben Leaderland c.s. de Ondernemingskamer verzocht (i) bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [B] en [D] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Leaderland c.s. van een bedrag gelijk aan de kosten van het onderzoek van € 100.250,- (exclusief btw), met wettelijke rente, althans te bepalen dat Leaderland c.s. de kosten van het onderzoek van € 100.250,- geheel kunnen verhalen op [B] en [D] en (ii) [B] en [D] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 200.172.375/02.
1.30
Bij e-mailbericht van 11 oktober 2016 heeft Stibbe correspondentie tussen hem en (de raadslieden van) [B] toegezonden uit de periode 27 mei – 12 september 2016, met betrekking tot de financiering van het aanvullend onderzoek. Bij brief van 21 oktober 2016 heeft mr. Meijer – onder overlegging van een productie – hierop namens [C] gereageerd en medegedeeld dat deze reactie hoort bij het op 3 oktober 2016 door hem ingediende stuk.
1.31
Op 13 december 2016 heeft [C] een nadere reactie en akte overlegging stukken, met producties, ingediend. Onder meer heeft hij hierbij op de onder 1.29 vermelde verzoeken van Leaderland c.s. gereageerd en heeft hij geconcludeerd hij tot afwijzing daarvan.
1.32
Bij verweerschrift, tevens aangepast verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, met productie, bij de griffie ingekomen op 5 januari 2017, heeft [B] de onderdelen II en III van het petitum van zijn onder 1.27 vermelde verzoek aangepast en aangevuld aldus dat het petitum komt te luiden (iets verkort weergegeven) dat de Ondernemingskamer wordt verzocht: I zoals onder 1.27 vermeld, II. alle (tussen)beschikkingen in de onderhavige enquêteprocedure te vernietigen, althans ongeldig te verklaren, althans te verstaan dat aan eerdere beschikkingen geen rechtskracht toekomt, althans alle besluiten van de Leaderland-vennootschappen die genomen zijn op grond van de gewezen beschikkingen te vernietigen dan wel de tenuitvoerlegging daarvan op te schorten, III. [A] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn enquêteverzoek althans een onafhankelijke onderzoeker te laten onderzoeken of [A] ten tijde van het door hem ingediende enquêteverzoek voldeed aan de kapitaalseis als genoemd in artikel 2:346 sub b BW, IV kosten rechtens. Voorts heeft [B] geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van de Leaderland-vennootschappen hem te veroordelen in de onderzoekskosten, kosten rechtens.
1.33
Bij verweerschrift tegen het door [B] gedane verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, bij de griffie ingekomen op 5 januari 2017, hebben Leaderland c.s. geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van [B] in zijn verzoeken, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [B] in de kosten van deze procedure.
1.34
Bij verweerschrift tegen het door [C] gedane verzoek tot benoeming van een raadsheer-commissaris en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, eveneens bij de griffie ingekomen op 5 januari 2017, hebben Leaderland c.s. geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van [C] in zijn verzoeken, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [C] in de kosten van deze procedure.
1.35
Bij verweerschrift met producties, bij de griffie ingekomen op 5 januari 2017, heeft [A] de Ondernemingskamer verzocht alle verzoeken van [B] en [C] af te wijzen en het verzoek van de Leaderland-vennootschappen als ook dat van de onderzoekers toe te wijzen.
1.36
[B] heeft op 12 januari 2017 een akte overleggen productie 2 tevens houdende akte van aanvulling op verweerschrift van 5 januari 2017 bij de griffie ingediend, met conclusie dat hij in zijn verweer volhardt, kosten rechtens.
1.37
De onder 1.24, 1.26, 1.27, 1.29 en 1.32 genoemde verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 19 januari 2017. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van partijen nader toegelicht. De toelichtingen zijn gegeven door mr. Zee voornoemd voor [A] , door mrs. Evers en Potter voornoemd voor Leaderland c.s., door mr. Meijer voornoemd voor [C] en door mr. Arslan voornoemd en diens kantoorgenoot mr. Y. Ersoy voor [B] . De advocaten hebben zich daarbij bediend van pleitnotities, die zij hebben overgelegd. Namens [D] is mr. Nelemans aanwezig geweest, maar deze heeft niet het woord gevoerd. Zijdens [A] zijn nog aanvullende producties 13 en 14 overgelegd. Mr. Meijer heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging van productie 14, aangezien deze pas op 16 januari 2017 is toegezonden. Mr. Zee heeft zich ter zake gerefereerd. [A] , [C] en [B] waren in persoon ter zitting aanwezig. Datzelfde geldt voor Jaakke, Hammerstein en Stibbe. De aanwezigen hebben opmerkingen gemaakt en vragen van de Ondernemingskamer beantwoord.
2. De feiten
De Ondernemingskamer blijft bij hetgeen zij in haar beschikking van 22 april 2016 onder 2.1 tot en met 2.23 ten aanzien van de feiten heeft overwogen. De Ondernemingskamer volstaat met verwijzing naar haar zojuist genoemde beschikking.
3. De gronden van de beslissing
Beoordeling van de onder 1.24, 1.26, 1.27, 1.29 en 1.32 vermelde verzoeken
Positie van [A]
3.1
Het verzoek van de verste strekking is het verzoek van [B] om [A] alsnog niet ontvankelijk te verklaren in zijn oorspronkelijke enquêteverzoek, op de grond dat [A] ten tijde van het indienen van zijn inleidende verzoekschrift niet aan de kapitaaleis van art. 2:346 lid 1(b) BW voldeed. Volgens [B] hield [A] op de datum van het enquêteverzoek geen aandelen in het geplaatste kapitaal van de Leaderland-vennootschappen. Hij stelt dit uit “betrouwbare bronnen” te hebben vernomen en voert aan dat, nu [A] niet door middel van een van handtekening van de bestuurder en stempel voorzien afschrift uit de aandeelhoudersregisters heeft aangetoond dat hij enquêtebevoegd was, de Ondernemingskamer hem niet ontvankelijk had moeten verklaren in zijn verzoek.
3.2
De stelling van [B] dat [A] ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek niet aan de kapitaaleis voldeed, kan inhoudelijk niet meer aan de orde komen. In de eerste fase procedure is het aandeelhouderschap van [A] niet betwist. In de eerste fase beschikking van 18 maart 2014 staat als feit vermeld (onder 2.2) dat [A] 25% van de aandelen in Leaderland c.s. hield. Tegen de beschikking stond beroep in cassatie open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat eraan in de weg de enquêtebevoegdheid van [A] thans nog ter discussie te stellen. Voor zover [B] heeft beoogd op de voet van artikel 390 jo. 382 e.v. Rv herroeping van genoemde beschikking te verzoeken, geldt dat uit zijn stellingen niet valt af te leiden dat hij eerst binnen de termijn van drie maanden voor 4 oktober 2016 (de datum van het stuk waarin hij zich voor het eerst beroept op niet ontvankelijkheid van [A] in zijn enquêteverzoek) met de door hem gestelde positie van [A] bekend is geworden. De door hem vermelde mededeling van Jaakke van 3 oktober 2016 dat de originele aandeelhoudersregisters momenteel niet beschikbaar zijn, zegt in dat verband onvoldoende, reeds omdat [B] (in zijn verweerschrift/verzoekschrift van 5 januari 2017) tevens stelt dat hij al ernstige twijfels had naar aanleiding van kopieën van de aandeelhoudersregisters die hij – zoals volgt uit het verweerschrift van [A] van 19 januari 2017 onder 68 en de daarbij overgelegde productie 9 – zelf in 2013 in een procedure heeft overgelegd.
3.3
Ten overvloede overweegt de Ondernemingskamer dat de stelling dat [A] , anders dan in de eerste fase beschikking is aangenomen, ten tijde van de indiening van het enquêteverzoek geen aandeelhouder van de Leaderlandvennootschappen was, ook veel te vaag is. [B] doet een niet nader gespecificeerd beroep op “betrouwbare bronnen”, maakt melding van een strafrechtelijk onderzoek in Rusland naar frauduleus handelen van [A] en stelt dat [A] zich ook bij eerdere gelegenheden van vervalste documenten heeft bediend. Dit is onvoldoende om als concrete onderbouwing van zijn stelling te kunnen dienen. Ook het citaat in de pleitnota van mr. Arslan uit een brief d.d. 16 januari 2017 van een opsporingsambtenaar bij het Russische ministerie van Binnenlandse Zaken, is te weinig specifiek. Daarin staat dat door het onderzoek in de strafzaak het aandeelhouderschap van [A] niet is vastgesteld, maar onduidelijk is waarop deze uitlating is gebaseerd. Daarbij komt dat [B] blijk geeft van de onjuiste opvatting dat de inschrijving in het aandeelhoudersregister bepalend is voor het aandeelhouderschap.
Positie onderzoekers en beëindiging onderzoek
3.4
Bij haar beschikking van 22 april 2016 heeft de Ondernemingskamer een aanvullend onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. bevolen met betrekking tot a) de vraag of [A] met het aangaan van de termijncontracten is afgeweken van het door [B] c.s. gestelde aandeelhoudersbesluit van 9 december 2008 en of voorzienbaar was dat die overeenkomsten zouden leiden tot schade voor Leaderland c.s. of vanwege daaraan verbonden risico’s (zoals wijziging van het fiscale regime) onverantwoord waren en, indien vraag a) bevestigend wordt beantwoord, b) de vraag of [A] mogelijk betrokken is bij/werkzaam is voor de concurrerende onderneming EFKO. De Ondernemingskamer heeft daarbij (wederom) mr. F.D. Stibbe en drs. N. van der Noll benoemd om het onderzoek te verrichten. Zij heeft het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 50.000 (exclusief btw) en bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Leaderland c.s. en dat Leaderland c.s., dan wel – gelet op diens toezegging – [B] , voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoekers voor de aanvang van hun werkzaamheden zekerheid dienen te stellen. In haar beschikking heeft de Ondernemingskamer ervan melding gemaakt (rechtsoverweging 4.5) dat zij ter zitting aan de orde heeft gesteld dat, indien er geen uitzicht is op financiering van een nader onderzoek, dit onderzoek niet van de grond zal komen en het gelasten daarvan in dat geval reeds daarom niet opportuun is. Desgevraagd hebben [D] en [C] zich toen niet bereid verklaard de kosten van een nader onderzoek te financieren en heeft de advocaat van [B] bij faxbericht van 26 november 2015 laten weten dat [B] bereid is de kosten van aanvullend onderzoek, gericht op de gestelde langetermijncontracten en de relatie van [A] met EFKO, tot een maximum van € 50.000 te garanderen.
3.5
Vastgesteld kan worden dat [B] die toezegging niet is nagekomen. De onderzoekers hebben bij e-mail van 12 september 2016 bericht dat zij hebben getracht de door [B] toegezegd funding voor het onderzoek zeker gesteld te krijgen, maar dat dit niet is gelukt en dat zij er geen vertrouwen in hebben dat dit alsnog gaat gebeuren. Zij verzoeken de Ondernemingskamer hen te ontheffen uit hun benoeming. Naar aanleiding van een e-mail van de raadsman van [C] van 15 september 2016 hebben zij bij e-mail van 11 oktober 2016 nog nadere correspondentie uit de periode 27 mei 2016 - 12 september 2016 toegezonden die betrekking heeft op de funding. [B] heeft in reactie op het ontheffingsverzoek laten weten dat hij niet langer bereid is het aanvullend onderzoek te financieren. Hij acht dit niet meer zinvol en verzoekt beëindiging van het onderzoek. Boradavko heeft een aantal verzoeken gedaan die betrekking hebben op het aanvullende onderzoek en de personen van de onderzoekers, maar zijnerzijds niet alsnog (zekerheid voor de) financiering aangeboden.
3.6
De Ondernemingskamer overweegt dat nu Leaderland c.s. zelf niet over de benodigde fondsen beschikken en geen van de bij Leaderland betrokkenen bereid is de kosten van het aanvullend onderzoek (voor) te financieren, er geen zicht op is dat dit onderzoek daadwerkelijk zal kunnen plaatsvinden. Gelet hierop, zal de Ondernemingskamer de onderzoekers, conform hun verzoek, ontheffen uit hun benoeming. Het vorenstaande brengt tevens mee dat de enquête dient te worden beëindigd.
3.7
Bij deze stand van zaken ontvalt het belang aan een aantal door [C] en [B] gedane verzoeken respectievelijk de relevantie van een aantal door hen ingenomen stellingen, waaronder de verzoeken en stellingen die betrekking hebben op (de personen van) de onderzoekers en de raadsheer-commissaris. Een aantal van deze verzoeken stuit bovendien af op het gegeven dat het op 28 april 2015 gedeponeerde verslag van de onderzoekers reeds ten grondslag ligt aan de beslissingen van de Ondernemingskamer die in de (deel)beschikking van 22 april 2016 zijn genomen. Deze beslissingen zijn deels in het dictum van die beschikking neergelegd en kunnen derhalve in deze procedure niet meer aan de orde komen. Terugkomen van deze beslissingen is derhalve reeds op processuele gronden niet mogelijk. Voor zover [C] en [B] zich daarmee niet konden verenigen, hadden zij daartegen beroep in cassatie dienen in te stellen. Waar het gaat om bezwaren van [C] tegen de totstandkoming van het verslag en beschuldigingen van vooringenomenheid van de onderzoekers zijn deze overigens deels ook reeds eerder door hem opgeworpen en door de Ondernemingskamer verworpen.
Verzoeken van [C] tot benoeming raadsheer-commissaris en tot het horen van getuigen
3.8
Gelet op het hiervoor overwogene gedeeltelijk ten overvloede, overweegt de Ondernemingskamer nog het volgende.
- De stelling van [C] – ondersteund door [B] – dat er ‘van een tegenstrijdig belang tussen onderzoekers en de raadsheer-commissaris is gebleken’ omdat een van de onderzoekers als partner per 1 juni 2016 is toegetreden tot het advocatenkantoor waar ook de echtgenoot van de (toenmalige) raadsheer-commissaris werkzaam is, miskent, wat hier verder van zij, dat het verslag op genoemde datum reeds ruim een jaar voordien ter griffie was gedeponeerd en de raadsheer-commissaris na de beschikking van 25 maart 2015 (waarin zij heeft geoordeeld dat een verzoek tot het stilleggen van het onderzoek buiten haar bevoegdheid als raadsheer-commissaris viel) als raadsheer-commissaris geen bemoeienis meer met de zaak heeft gehad, terwijl zij na oktober 2015 geen deel meer heeft uitgemaakt van een samenstelling van de Ondernemingskamer die over de zaak heeft geoordeeld. In reactie op het door de advocaat van [C] op 15 september 2016 geuite bezwaar tegen de toenmalige raadsheer-commissaris heeft de Ondernemingskamer op 16 september 2016 aan partijen bericht dat in haar plaats mr. G.C. Makkink is benoemd tot raadsheer-commissaris.
- Nu het onderzoek wordt beëindigd zijn bezwaren tegen de huidige raadsheer-commissaris (die erop neerkomen dat de voorzitter van de Ondernemingskamer niet tevens raadsheer-commissaris kan zijn) niet meer aan de orde.
- Het verzoek van [C] strekkende tot een getuigenverhoor door de Ondernemingskamer met betrekking tot de vraag naar de betrokkenheid van [A] bij EFKO berust niet op de wet, nu dit alleen kan worden verzocht door een onderzoeker in het kader van een lopend onderzoek (art. 2:352a BW).
Het verzoek van [B] tot ontheffing van de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder en beheerder van aandelen van hun taak
3.9
[B] heeft verzocht de tijdelijke bestuurder en de tijdelijke beheerder van aandelen van hun taak te ontheffen. Concrete bezwaren tegen het handelen van de beheerder heeft hij niet aangevoerd. De bezwaren tegen de bestuurder heeft hij, tegenover het verweer daartegen van Leaderland c.s., onvoldoende nader toegelicht. Zo heeft hij met betrekking tot zijn klacht dat niet is gereageerd op verzoeken om informatie over Leaderland c.s., de reactie van de bestuurder dat hij dergelijke verzoeken nooit heeft gekregen, niet weersproken. Voorts heeft hij aangevoerd dat de tijdelijke bestuurder geen zakelijke activiteiten verricht en de vennootschappen aan hun lot overlaat. De bestuurder heeft gemeld lege vennootschappen zonder enige administratie te hebben aangetroffen. Ook de eerste tijdelijke bestuurder Van Haaren heeft in haar verslag van 13 november 2014 (bijlage 16 bij het onderzoeksverslag) al laten weten dat de Leaderlandvennootschappen geen activiteiten meer ontplooiden. Welke zakelijke activiteiten nog zouden resteren heeft [B] , die mede in het licht van hetgeen in de beschikking van 22 april 2016 over zijn rol is overwogen geacht moet worden op de hoogte te zijn van de stand van zaken bij de Leaderlandvennootschappen ten tijde van het uitspreken van de beschikking van 18 maart 2014, niet opgehelderd. [B] heeft voorts niet nader geconcretiseerd welke zakenrelaties door de bestuurder zouden zijn benaderd – anders dan IOI Lodders Croklaan, met wie de bestuurder contact heeft gehad – en welke valselijke en ongefundeerde beschuldigingen tegen die zakenrelaties dan wel tegen IOI Lodders Croklaan zouden zijn geuit. Zijn opstelling jegens [A] (tegen wie hij volgens [B] actie moet ondernemen), zijn optreden in de Russische procedures en het ten laste van [B] leggen van beslagen ter verhaal van dwangsommen geven, in het licht van het verweer van de bestuurder en hetgeen eerder in deze procedure naar voren is gekomen, geen grond voor het oordeel dat de bestuurder in redelijkheid niet tot zijn handelwijze heeft kunnen komen. Dat de bestuurder de Ondernemingskamer belangrijke informatie heeft onthouden, is niet gebleken. Voor toewijzing van het verzoek bestaat derhalve geen grond.
Onderzoekskosten
3.10
Leaderland c.s. hebben verzocht [D] en [B] hoofdelijk te veroordelen in de onderzoekskosten en in de kosten van de procedure op de voet van art. 2:354 BW. Zoals in de beschikking van 22 april 2016 is overwogen blijkt uit het verslag van wanbeleid en zijn [D] en [B] daarvoor (respectievelijk als bestuurder en als feitelijk bestuurder) verantwoordelijk te achten. Dat hun een persoonlijk verwijt valt te maken van het wanbeleid, ligt reeds in de overwegingen ter zake besloten: zij zijn degenen die het ertoe hebben geleid dat de Leaderlandvennootschappen zijn ontmanteld en dat in dat kader (vrijwel) alle activa zonder voldoende en betrouwbare waarderingen zijn verkocht aan aan [B] en [C] gelieerde partijen. De vordering is – zoals toe te lichten: deels – toewijsbaar.
3.11
De Ondernemingskamer acht niet de volledige onderzoekskosten toewijsbaar, nu het wanbeleidoordeel – zoals hierna nog zal blijken – alleen is gebaseerd op het ‘leeghalen’ van de vennootschap en de onderzoekers ook overige onderwerpen hebben onderzocht (de hierna nog te bespreken kwesties van Peters Inc. en de Soyuz-claim). Nu al het onderzochte echter onderling samenhing en het zwaartepunt lag bij het ‘leeghalen’, acht de Ondernemingskamer toewijzing van 75% van de onderzoekskosten passend, derhalve een bedrag van € 75.187,50 exclusief btw. Het betreft aansprakelijkheid voor dezelfde schade, zodat [D] en [B] hoofdelijk zullen worden veroordeeld. De (gevorderde) rente zal worden toegewezen als verzocht.
3.12
De omstandigheid dat [A] de kosten van het onderzoek heeft betaald, staat niet aan toewijzing van het verzoek van Leaderland c.s. in de weg. De onderzoeker heeft ter zitting verklaard dat is gefactureerd aan Leaderland en dat via het kantoor van mr. Peters (de voormalige advocaat van [A] ) is betaald. [B] heeft dit bij gebrek aan wetenschap betwist. Nader onderzoek naar de feitelijke toedracht kan echter achterwege blijven, nu de vordering met kennelijke instemming van [A] door Leaderland c.s. is ingesteld. Deze heeft immers het verzoek van Leaderland c.s. ondersteund en alleen subsidiair aanspraak gemaakt op betaling.
Overige verzoeken
3.13
Partijen hebben nog diverse andere verzoeken tot de Ondernemingskamer gericht, die er met name toe strekken een oordeel over die onderwerpen kenbaar te maken. Dit betreft echter onderwerpen die buiten het bestek van de onderhavige enquêteprocedure vallen dan wel onderwerpen die niet dragend zijn voor enige thans te nemen beslissing, zoals de gang van zaken rond de procedure in Rusland, de gang van zaken rond de splitsing en (in verband met het verbeuren van dwangsommen) het al dan niet voldaan hebben aan bevelen in eerdere beschikkingen. De Ondernemingskamer laat deze onderwerpen verder buiten bespreking.
Productie 14 [A]
3.14
Mr. Zee heeft op 16 januari 2014 productie 14 (een processtuk in een Belgische procedure) aan de Ondernemingskamer doen toekomen. Mr. Meijer heeft tegen toelating van deze productie bezwaar gemaakt. Dit stuk is volgens de toelichting van mr. Zee ter zitting overgelegd ter adstructie van het inhoudelijke standpunt van [A] over de splitsing. Zoals hiervoor overwogen, laat de Ondernemingskamer dit onderwerp hier buiten bespreking. In het midden kan dus blijven of de productie al dan niet kan worden toegelaten.
Slotsom en proceskosten
3.15
Slotsom van het vorenstaande is dat het ontheffingsverzoek van de onderzoekers zal worden toegewezen, dat het onderzoek zal worden beëindigd en dat het verzoek van Leaderland c.s. tot hoofdelijke veroordeling van [B] en [D] in de onderzoekskosten deels zal worden toegewezen. Ook het verzoek van Leaderland c.s. om [B] en [D] hoofdelijk in de kosten van de procedure te veroordelen is toewijsbaar. De verzoeken van [C] en [B] zullen worden afgewezen, met hun veroordeling in de aan de zijde van Leaderland c.s. en [A] gevallen proceskosten, waarbij de Ondernemingskamer in verband met de verwevenheid van de verzoeken en verweren en de gezamenlijke behandeling daarvan de toekenning van het gebruikelijk aantal punten in het liquidatietarief zal aanpassen.
Nog resterende beslispunten naar aanleiding van in het op 26 juni 2015 ingediende tweede fase verzoekschrift van [A] (vermeld onder 1.8)
3.16
Zoals volgt uit wat onder 1.8 en 1.23 is weergegeven, heeft de Ondernemingskamer reeds in het dictum van haar beschikking van 22 april 2016 beslist op een deel van hetgeen [A] in zijn verzoekschrift van 26 juni 2016 heeft verzocht. De Ondernemingskamer dient nog te beslissen op de onderdelen 4, 5, 11, 13 en 14.
3.17
Onder 4 en 5 heeft [A] de Ondernemingskamer verzocht (4) te vernietigen de besluiten genomen door (de) Leaderland (vennootschappen) rondom de opzegging en terugvordering van de leningsovereenkomsten door Peters Inc. ex artikel 2:356 BW en (5) te vernietigen de besluiten genomen door (de) Leaderland (vennootschappen) rondom de claim van “Soyuz Group” ex artikel 2:356 BW.
3.18
In haar beschikking van 22 april 2016 heeft de Ondernemingskamer overwogen (rechtsoverweging 4.10) dat de onderzoekers er in het verslag melding van maken dat in hun visie onbegrijpelijk snel, en zonder aantoonbaar nader onderzoek of onderhandelingen, de opzegging van overeenkomsten door en de claims van Peters Inc. en Soyuz TTM zijn geaccepteerd, dat dit vragen oproept en dat de onderzoekers dan ook op basis van hun bevindingen in twijfel trekken of de vennootschappen daadwerkelijk in de crisissituatie verkeerden die volgens [B] c.s. de rechtvaardiging vormde voor de verkoop van alle activa. De Ondernemingskamer heeft een oordeel over de situatie waarin de (Leaderland)vennootschappen na het vertrek van [A] en ten tijde van het aantreden van [D] verkeerden, echter aangehouden totdat het verslag van het aanvullend onderzoek beschikbaar zou zijn. Met betrekking tot de stelling van [A] dat Peters Inc. gelden van hem vordert die al aan Peters Financial Investment Corporation BVI zijn betaald, heeft de Ondernemingskamer overwogen (rechtsoverweging 4.24) onvoldoende aanleiding te zien op dit punt nog een aanvullend onderzoek te gelasten, gelet op de reeds gebleken andere gronden voor vaststelling van wanbeleid en de onzekerheid over de bekostiging van nader onderzoek naar dit aspect. Ook een nader onderzoek omtrent de precieze relatie tussen Peters Inc. en [B] , zoals [C] voorstaat, heeft de Ondernemingskamer niet opportuun geacht, ook omdat geen fondsen beschikbaar zijn voor het door [C] verzochte aanvullende onderzoek (rechtsoverweging 4.24).
3.19
De stand van zaken is derhalve dat er met betrekking tot de Soyuz-claim aanwijzingen zijn dat hieraan te snel gehoor is gegeven, maar dat de feiten niet eenduidig genoeg zijn om, zonder nader onderzoek, op basis hiervan tot een wanbeleidoordeel te komen en dat dit laatste ook geldt ook voor de Peters Inc. kwestie. Een aanvullend onderzoek zal er echter niet komen, hetzij omdat geen fondsen beschikbaar zijn gesteld voor het bij de beschikking van 22 april 2016 bevolen aanvullend onderzoek, hetzij omdat de Ondernemingskamer in die beschikking aanvullend onderzoek om de daar vermelde redenen (die eveneens mede gelegen zijn in het gebrek aan fondsen) niet aangewezen heeft geacht. Nu met betrekking tot de genoemde onderwerpen derhalve geen wanbeleid kan worden vastgesteld, brengt dit tevens mee dat de onderdelen 4 en 5 van het verzoek van [A] niet toewijsbaar zijn.
3.20
Bij toewijzing van onderdeel 11 van het verzoekschrift, (te weten: in tijdelijke afwijking van de statuten van de Leaderland vennootschappen een derde persoon aan te wijzen (Hammerstein of een commissaris) voor een periode van twee jaar (ex artikel 2:356 BW), althans voor de duur die de Ondernemingskamer geraden acht, en diegene de bevoegdheid toe te kennen tot goedkeuring van bepaalde in het verzoekschrift nader aangeduide bestuursbesluiten, en te bepalen dat het salaris en de kosten van deze derde hoofdelijk ten laste komen van [B] , [C] en [D] ) heeft [A] in het licht van de reeds getroffen voorzieningen, waaronder handhaving van Jaakke als bestuurder, onvoldoende belang. Voor het treffen van andere voorzieningen dan de reeds getroffen voorzieningen (onderdeel 13) ziet de Ondernemingskamer geen aanleiding.
3.21
[D] en [B] zullen als overwegend in het ongelijk gestelde partijen (hoofdelijk) worden veroordeeld in de aan de zijde van [A] gevallen proceskosten van de tweede fase procedure (onderdeel 14). Leaderland c.s. zijn bij de behandeling van het tweede fase verzoek niet bij advocaat verschenen.
4. De beslissing
De Ondernemingskamer:
ten aanzien van de onder 1.24, 1.26, 1.27, 1.29 en 1.32 vermelde verzoeken
ontheft mr. F.D. Stibbe en drs. N. van der Noll uit hun benoeming als onderzoekers bij de beschikking van 22 april 2016 om het bij die beschikking bevolen (aanvullende) onderzoek te verrichten;
beëindigt het bij de beschikking van 22 april 2016 bevolen (aanvullende) onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V;
veroordeelt [B] en [D] hoofdelijk om ter zake van onderzoekskosten aan Leaderland c.s. te voldoen een bedrag van € 75.187,50 (exclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze beschikking;
veroordeelt ter zake van het verzoek onder 1.29 [B] en [D] hoofdelijk in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Leaderland c.s. begroot op € 1.612;
veroordeelt ter zake van het verzoek onder 1.26 [C] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Leaderland c.s. en [A] begroot op € 894 aan de zijde van Leaderland c. s. en op € 894 aan de zijde van [A] ;
veroordeelt ter zake van het verzoek onder 1.27 en 1.32 [B] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Leaderland c.s. en [A] begroot op € 894 aan de zijde van Leaderland c. s. en op € 894 aan de zijde van [A] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte;
ten aanzien van de resterende punten in het op 26 juni 2015 ingediende tweede fase verzoekschrift van [A] (vermeld onder 1.8)
wijst af hetgeen onder 4, 5, 11 en 13 is verzocht;
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, [D] en [B] hoofdelijk in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [A] begroot op € 2.993.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.A. Goslings en mr. M.M.M. Tillema, raadsheren, en drs. P.R. Baart en mr. D.E.M. Aleman, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. Tillema op 31 maart 2017.
Uitspraak 22‑04‑2016
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; wanbeleid vastgesteld, voorzieningen op de voet van art. 2:356 getroffen, maar ook aanvullend onderzoek bevolen; art. 2:350, 355, 356, 357 lid 2 BW.
Partij(en)
beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.172.375/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 22 april 2016
inzake:
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaat: voorheen mrs. F.M. Peters en M.D. Hazenberg, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
thans mr. J.A. Zee, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM I B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM II B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM III B.V.,
allen gevestigd te Hilversum,
VERWEERSTERS,
niet verschenen,
e n t e g e n
1. [B] ,
wonend te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. C.J. Jager, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
2. 2. [C] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mrs. J.A. Meijer en K. ter Hart, beiden kantoorhoudende te Den Haag,
e n t e g e n
3. [D] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: tot 20 november 2015 mrs. I.S. Oosterhoff en R.J.T. Kamstra, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, thans:
zonder advocaat.
1. Het verloop van het geding
1.1
Partijen en andere (rechts)personen zullen hierna (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoeker als [A] ;
- -
verweersters 1 tot en met 4 ieder afzonderlijk als respectievelijk Leaderland TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III en gezamenlijk als Leaderland c.s. of de (Leaderland)vennootschappen;
- -
belanghebbende 1 als [B] ;
- -
belanghebbende 2 als [C] ;
- -
belanghebbende 3 als [D] ;
- -
belanghebbenden 1 tot en met 3 gezamenlijk (ook) als [B] c.s.;
- -
J.C. Jaakke als Jaakke of de bestuurder;
- -
E. Hammerstein als Hammerstein of de beheerder.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar in deze zaak gegeven beschikkingen van 18 maart 2014, 11 juli 2014, 24 juli 2014, 5 december 2014, 15 december 2014, 3 februari 2015, 28 april 2015, 29 mei 2015, 5 juni 2015, 22 juli 2015, 5 oktober 2015, 26 oktober 2015 en 17 februari 2016, alsmede naar de beschikkingen van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 29 mei 2015, 15 juni 2015 en 26 oktober 2015 en naar de beschikkingen van de raadsheer-commissaris van 14 januari 2015 en 25 maart 2015.
1.3
Bij haar beschikking van 18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer onder meer en voor zover hier van belang:
- een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. over de periode vanaf 1 oktober 2012;
- mr. F.D. Stibbe en drs. N. van der Noll (hierna ook aan te duiden als: de onderzoekers) benoemd tot onderzoekers;
- bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding [D] geschorst als bestuurder van Leaderland c.s.;
- bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding drs. B. van Haaren - van Duijn (hierna: Van Haaren) benoemd tot bestuurder van Leaderland c.s. en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Leaderland c.s. te vertegenwoordigen;
- vooralsnog voor de duur van het geding bepaald dat de aandelen die [B] , [C] en [A] houden in Leaderland c.s. met ingang van 18 maart 2014 ten titel van beheer zijn overgedragen aan Hammerstein.
1.4
Bij de beschikking van 15 december 2014 heeft de Ondernemingskamer Van Haaren (op haar verzoek) ontheven uit haar functie van bestuurder en Hammerstein als bestuurder aangewezen. Bij de beschikking van 3 februari 2015 heeft de Ondernemingskamer – voor zover hier van belang – Hammerstein (op zijn verzoek) ontheven uit zijn functie van bestuurder en mr. W.G. van Hassel (hierna: Van Hassel) aangewezen als bestuurder van Leaderland c.s.
1.5
Het verslag van het door de onderzoekers verrichte onderzoek met bijlagen (hierna: het onderzoeksverslag) is op 28 april 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd. Bij de op die dag gegeven beschikking heeft de Ondernemingskamer onder meer bepaald dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
1.6
Bij de beschikking van 5 juni 2015 heeft de Ondernemingskamer Van Hassel op zijn verzoek– nu naar zijn mening het werk als bestuurder hem onmogelijk werd gemaakt – ontheven uit zijn functie van bestuurder.
1.7
Bij de beschikking van 15 juni 2015 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer [A] gemachtigd om mededelingen uit het onderzoeksverslag te doen in het kader van de in die beschikking vermelde procedures aan de aldaar genoemde derden.
1.8
[A] heeft bij op 26 juni 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verstaan dat is gebleken van wanbeleid bij Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM 1 B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V;
2. te verstaan dat [B] , [C] en [D] verantwoordelijk zijn voor dit wanbeleid;
3. [D] te ontslaan als bestuurder van de Leaderland vennootschappen ex artikel 2:356 BW;
4. te vernietigen de besluiten genomen door (de) Leaderland (vennootschappen) rondom de opzegging en terugvordering van de leningsovereenkomsten door Peters Inc. ex artikel 2:356 BW;
5. te vernietigen de besluiten genomen door (de) Leaderland (vennootschappen) rondom de claim van “Soyuz Group” ex artikel 2:356 BW;
6. voor zover nodig, te vernietigen de besluiten die ten grondslag liggen aan de afstoting/vervreemding van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM ex artikel 2:356 BW;
7. [B] , [C] en [D] op grond van artikel 2:357 lid 2 BW te bevelen om mee te werken aan het herstel van het vermogen van de Leaderland vennootschappen, zich te onthouden van enige handeling die daaraan in de weg staat, en zorg te dragen voor de ongedaanmaking van de gevolgen van de vernietiging van de besluiten tot afstoting/vervreemding van de deelnemingen Soyuz Corporation en Soyuz TTM, waaronder in ieder geval, binnen twee weken na vernietiging:
a. de handelsregisters te Rusland met betrekking tot de deelnemingen Soyuz Corporation en Soyuz TTM, zodanig aan te passen dat deze in overeenstemming zijn met de werkelijkheid na vernietiging van de besluiten tot vervreemding;
b. het ertoe te leiden dat de aandelen van Soyuz TTM weer in het vermogen van Leaderland I, II en III komen, en dat de deelneming die Leaderland voorheen in Soyuz Corporation hield eveneens weer terug in het vermogen van Leaderland komt;
c. elke andere ongedaanmakingshandeling te verrichten die nodig is om de Leaderland vennootschappen weer in de situatie te brengen van voor de transacties (dus voor 31 mei 2013);
een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 10 miljoen ineens per persoon, en € 50.000 per persoon per dag of gedeelte daarvan dat die persoon geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan deze bevelen;
8. te bepalen dat de restitutieschuld aan Soyuz Corporation een natuurlijke verbintenis is, totdat Leaderland erin zal zijn geslaagd de in 2013 door haar aan Peters BVI gedane betalingen terug te ontvangen, althans Leaderland tot dat moment te verbieden enige restitutieschuld aan Soyuz Corporation te betalen;
9. de overdracht ten titel van beheer van de aandelen in het kapitaal van de Leaderland vennootschappen die is bevolen op de voet van artikel 2:349a lid 2 BW bij de beschikking van 18 maart 2014, voort te zetten met Hammerstein als beheerder voor een periode van 2 jaar ex artikel 2:356 BW, althans voor een periode die de Ondernemingskamer geraden acht;
10. een tijdelijk statutair bestuurder aan te wijzen ( [A] of een buitenstaander) voor een periode van twee jaar (ex artikel 2:356 BW), althans voor de duur die de Ondernemingskamer geraden acht, en op grond van artikel 2:357 lid 2 BW deze bestuurder te instrueren dat hij het tot zijn taak mag rekenen om alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor het herstel van het vermogen van de Leaderland vennootschappen en de ongedaanmaking van de gevolgen van de vernietiging van de besluiten tot afstoting/vervreemding van de deelnemingen Soyuz Corporation en Soyuz TTM, en te streven naar een liquidatie binnen 2 jaar;
11. in tijdelijke afwijking van de statuten van de Leaderland vennootschappen een derde persoon aan te wijzen (Hammerstein of een commissaris) voor een periode van twee jaar (ex artikel 2:356 BW), althans voor de duur die de Ondernemingskamer geraden acht, en diegene de bevoegdheid toe te kennen tot goedkeuring van bepaalde in het verzoekschrift nader aangeduide bestuursbesluiten, en te bepalen dat het salaris en de kosten van deze derde hoofdelijk ten laste komen van [B] , [C] en [D] ;
12. [B] , [C] en [D] te bevelen ten behoeve van de Leaderland vennootschappen zekerheid te stellen ter financiering van de nader te treffen voorzieningen, waaronder de kosten van de bestuurder, beheerder en eventuele te benoemen commissaris, voor de duur van de voorziening;
13. zodanige voorzieningen ex artikel 2:356 BW en/of onmiddellijke voorzieningen ex artikel 2:349a BW te treffen die de Ondernemingskamer geraden acht teneinde te bereiken dat ook op aandeelhoudersniveau voor de lange termijn een werkbare situatie blijft bestaan, waarbij een zodanige vennootschappelijke structuur wordt gecreëerd dat recht wordt gedaan aan de belangen van de onderneming alsmede zo veel mogelijk de kans wordt weggenomen dat impasses binnen de structuur blijven voorduren en/of [D] , [C] en [B] voor de Leaderland vennootschappen nadelige handelingen kunnen blijven verrichten; en
14. [B] c.s. althans Leaderland te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der beschikking.
1.9
Bij de beschikking van 22 juli 2015 heeft de Ondernemingskamer Jaakke als bestuurder van Leaderland c.s. aangewezen en – mede gelet op hetgeen is overwogen in de beschikking van 5 juni 2015 – partijen verboden om ongevraagd met de tijdelijke bestuurder contact op te nemen, tenzij door tussenkomst van hun advocaat, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per overtreding met een maximum van € 1.000.000.
1.10
Bij de beschikking van 5 oktober 2015 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [C] (dat werd ondersteund door [D] en Vasiljev) tot – onder meer – vervanging van de onderzoekers en het opnieuw doen uitvoeren van het onderzoek afgewezen.
1.11
Bij de beschikking van 26 oktober 2015 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] te bepalen dat het onderzoeksverslag ter inzage ligt voor een ieder (wederom) afgewezen.
1.12
Bij de beschikking van diezelfde datum heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer [A] gemachtigd om mededelingen uit het onderzoeksverslag te doen in het kader van de in die beschikking vermelde procedures aan de aldaar genoemde derden (anderen dan in 1.7 bedoeld).
1.13
[C] heeft bij op 28 oktober 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift de Ondernemingskamer verzocht nader onderzoek te gelasten, met name naar de gang van zaken rond de lening van Peters Inc. bij de afsplitsing, maar ook naar de rol van EFKO, de relatie tussen Peters Inc. en [B] en naar de langetermijncontracten, en voorts verzocht het verzoek van [A] tot vaststelling van wanbeleid af te wijzen en de in deze procedure getroffen onmiddellijke voorzieningen te beëindigen, met veroordeling van [A] in de kosten.
1.14
[B] heeft bij op 29 oktober 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift tevens houdende een verzoek tot het doen van nader onderzoek de Ondernemingskamer verzocht de onderzoekers te verplichten nieuw, althans nader onderzoek te verrichten naar de kwesties (i) EFKO en (ii) de langetermijncontracten, en voorts zowel de primaire als de subsidiaire verzoeken van [A] af te wijzen, met veroordeling van [A] in de proceskosten.
1.15
[D] heeft bij op 30 oktober 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek tot het doen van nader onderzoek de Ondernemingskamer verzocht bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (i) [A] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van deze procedure en (ii) de onderzoekers te bevelen nader (diepgaander) onderzoek uit te voeren naar het voorwerp van het tegenverzoek– kort gezegd de betrokkenheid van [A] bij EFKO en de kwestie van de langetermijncontracten –, met bepaling dat geen aanvullende financiering beschikbaar behoeft te worden gesteld voor dit onderzoek.
1.16
De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 19 november 2015. Bij die gelegenheid hebben de (toenmalige) advocaten de standpunten van partijen toegelicht. De toelichtingen zijn gegeven door mrs. Peters en Hazenberg voornoemd voor [A] , door mr. Jager voornoemd voor [B] , door mr. Meijer voornoemd voor [C] en door mrs. Oosterhoff en Kamstra voornoemd voor [D] . Met uitzondering van mr. Meijer, hebben de advocaten zich daarbij bediend van pleitnotities. Zijdens [A] zijn aanvullende producties overgelegd en is ter terechtzitting – ondersteund door Jaakke – een aanvullend verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen gedaan, waartegen de advocaten van de overige partijen verweer hebben gevoerd. Van genoemde partijen is alleen [A] in persoon ter zitting aanwezig geweest. Namens Leaderland c.s. heeft Jaakke – onder overlegging van aantekeningen – het woord gevoerd. Hammerstein heeft enige opmerkingen gemaakt. De aanwezigen hebben voorts vragen van de Ondernemingskamer beantwoord.
1.17
Ter zitting heeft de Ondernemingskamer [B] en [C] in de gelegenheid gesteld binnen een week te laten weten of zij, indien de Ondernemingskamer een nader onderzoek noodzakelijk zou achten, bereid zouden zijn een dergelijk onderzoek te financieren. Mr. Oosterhoff heeft ter zitting al namens [D] laten weten dat deze hiertoe niet bereid en in staat is.
1.18
Bij brief van 19 november 2015 hebben mrs. Oosterhoff en Kamstra zich onttrokken als advocaten van [D] .
1.19
Bij faxbrief van 26 november 2015 heeft mr. Jager namens [B] de Ondernemingskamer laten weten dat [B] bereid is te garanderen dat de kosten voor een aanvullend onderzoek zullen worden gefinancierd voor een maximum van € 50.000 exclusief btw. Dat aanvullend onderzoek zou zich conform de verzoeken moeten richten op (onder meer):
(i) de langetermijncontracten die door [A] zijn gesloten met de leveranciers, nadat er reeds een aandeelhoudersbesluit was genomen om dat niet te doen, en
(ii) de relatie van [A] met concurrent EFKO.
1.20
Bij brief van 17 december 2015 heeft mr. Peters bericht niet langer op te treden voor [A] . Bij brief van 21 december 2015 heeft mr. Zee zich gesteld voor [A] en medegedeeld dat hij mrs. Peters en Hazenberg in deze zaak is opgevolgd als advocaat van [A] .
1.21
Bij de beschikking van 17 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer beslist op het onder 1.16 vermelde verzoek tot het treffen van aanvullende voorzieningen en heeft zij het verzoek toegewezen in voege als vermeld in het dictum van die beschikking. De voorzieningen hebben betrekking op de hierna onder 2.22 vermelde door [F] en [B] onbevoegd verrichte proceshandelingen.
2. De feiten
De Ondernemingskamer blijft (met een enkele aanpassing en correctie) bij hetgeen zij in haar beschikking van 18 maart 2014 onder 2.1 tot en met 2.17 ten aanzien van de feiten heeft overwogen. Deze feiten worden in het navolgende (waar nodig aangepast en gecorrigeerd) gedeeltelijk opnieuw vermeld en voorts aangevuld, onder meer met – door partijen niet betwiste – uit het verslag en ter zitting gebleken feiten.
2.1
Leaderland TTM, opgericht op 6 februari 1997 door [A] , [B] en [C] , hield zich bezig met inkoop en verkoop van ruwe grondstoffen (vetten en oliën) en de (intercompany-) doorlevering daarvan aan Russische vennootschappen. [A] is op 15 juli 1998 in dienst getreden als algemeen directeur van Leaderland TTM. Per 24 maart 2006 is hij benoemd tot bestuurder van Leaderland TTM.
2.2
Op 17 augustus 2012 heeft Leaderland TTM een gedeelte van haar vermogen afgesplitst aan Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III, welke vennootschappen op die datum – bij de splitsing – zijn opgericht. [A] en [C] houden sindsdien ieder 25% van de aandelen in Leaderland TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III. [B] houdt 50% van de aandelen in elk van deze vennootschappen. [A] is toen tevens bestuurder geworden van Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III.
2.3
De aandeelhoudersverhoudingen binnen Leaderland c.s. en de aan deze vennootschappen verbonden vennootschappen waren na de afsplitsing voor het overige als volgt: Leaderland TTM hield een belang van 90% in de vennootschap naar Russisch recht OOO Soyuz Corporation (hierna: Soyuz Corporation) waarin onder andere de merkrechten zijn ondergebracht. [B] hield het resterende belang van 10% in deze vennootschap. Volgens de beschrijving van het deel van het vermogen dat overgaat naar de verkrijgende vennootschappen, behorend bij het voorstel van splitsing van 23 mei 2012, kregen Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III een belang van respectievelijk 50%, 25% en 25% in de vennootschap naar Russisch recht OOO Soyuz TTM (hierna: Soyuz TTM) waarin de fabriek waarin vetten en oliën worden verwerkt, is ondergebracht. Deze vennootschap hield een belang van 90% in de vennootschap naar Russisch recht OOO Soyuz M. De resterende 10% werden gehouden door SC Financial Investment Group Inc., waarvan [B] alle aandelen houdt. Schematisch weergegeven ziet een en ander er als volgt uit (waarbij wordt opgemerkt dat er nog discussie over bestaat of de aandelen Soyuz TTM door de afsplitsing inderdaad door Leaderland I-III zijn verkregen of dat deze bij Leaderland TTM zijn gebleven):
(....)
2.4
In oktober 2012 is de verstandhouding tussen [A] enerzijds en [B] en [C] anderzijds verslechterd. Op 8 oktober 2012 heeft [A] zich ziek gemeld.
2.5
Bij de beschikking van 27 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, [B] en [C] gemachtigd tot het bijeenroepen van een algemene vergadering van aandeelhouders van Leaderland TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III.
2.6
Op 19 april 2013 is [A] door de desbetreffende algemene vergaderingen van aandeelhouders met telkens 75% van de stemmen ontslagen als bestuurder van Leaderland TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III en is [D] steeds als bestuurder benoemd. Aan de besluiten tot ontslag van [A] zijn blijkens het verslag van die vergaderingen de volgende redenen ten grondslag gelegd: “een gebrek aan vertrouwen”, “het overtreden van financiële discipline”, “het verstrekken van onjuiste gegevens over contracten”, “het liegen over marktprijzen voor grondstoffen”, “het misbruik maken van zijn positie” en “het gebruik van financiële middelen van het bedrijf en het niet teruggeven daarvan”.
2.7
Bij brief van 23 april 2013 heeft Peters Inc., financier van Leaderland TTM, door haar aan Leaderland TTM verstrekte leningen tot een totaalbedrag van USD 10.160.061 opgezegd.
2.8
In de loop van 2013 zijn de activiteiten van Leaderland TTM op het gebied van de in- en doorverkoop van ruwe grondstoffen afgenomen, terwijl in diezelfde periode sprake is van een corresponderende toename van diezelfde activiteiten bij SC Raw Materials, een vennootschap die gelieerd is aan (en bestuurd wordt door) [E] , een zoon van [B] .
2.9
Op of omstreeks 31 mei 2013 heeft Leaderland TTM haar belang in Soyuz Corporation voor bedragen van ongeveer € 1.500 en USD 40.000 overgedragen aan SC Investment Group BVBA (per abuis is in rechtsoverweging 2.3 van de beschikking van 17 februari 2016 nog een koopprijs vermeld van € 268.000). De aandelen in deze vennootschap worden voor 75% gehouden door [B] en voor 25% door [C] .
2.10
Bij overeenkomst van 31 juli 2013 heeft Leaderland TTM de aandelen in Soyuz TTM overgedragen aan Soyuz Corporation voor een bedrag van ongeveer RUB 299 miljoen (destijds ongeveer € 6,8 miljoen). De aandeelhoudersverhoudingen zien er sindsdien als volgt uit, waarbij SC Investment Group Inc. (Belgium) de hierboven genoemde vennootschap SC Investment Group BVBA betreft:
(....)
2.11
Voorafgaand aan de hierboven genoemde overdrachten heeft geen vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden.
2.12
Op 10 september 2013 heeft [A] verlof gekregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, tot het (herhaaldelijk) leggen van (derden)beslagen ten laste van onder andere Leaderland c.s., [B] en [C] tot een bedrag van ruim € 6 miljoen. [A] heeft de eerste beslagen doen leggen op 24 september 2013.
2.13
Op 27 september 2013 heeft Leaderland TTM verlof gekregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam tot het leggen van diverse (derden)beslagen ten laste van [A] tot een bedrag van ruim € 2 miljoen. Leaderland heeft beslag doen leggen op 3 oktober 2013. Op 14 november en 6 december 2o13 is haar verlof verleend om aanvullende beslagen te leggen.
2.14
Bij vonnis van 1 november 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de door [A] ingestelde vorderingen in conventie die tot doel hadden, kort gezegd, de aandelen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM terug te leveren aan Leaderland TTM dan wel aan Leaderland I, II en III op grond van onrechtmatig handelen en handelen in strijd met artikel 2:8 BW, afgewezen. Aan dit oordeel heeft de rechter in de kern ten grondslag gelegd dat de kortgedingprocedure zich niet leent voor de vaststelling van een aantal door [A] gestelde feiten. De door Leaderland TTM ingestelde vorderingen in reconventie, die tot doel hadden [A] te veroordelen tot het betalen van een voorschot op schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, zijn eveneens afgewezen. Tevens zijn de vorderingen tot het opheffen van de door [A] genoemde beslagen afgewezen.
2.15
Bij vonnis van 21 november 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de arbeidsovereenkomst tussen Leaderland TTM en [A] ontbonden met ingang van 15 december 2013. Voor de bepaling van de destijds toepasselijke correctiefactor heeft de rechter meegewogen dat [A] heeft kunnen en moeten weten dat het sluiten van langlopende contracten grote risico’s voor de onderneming meebracht en dat hij zijn verweer dat hij aan de vennootschap onttrokken gelden ten behoeve van de vennootschap heeft besteed dan wel heeft terugbetaald, onvoldoende heeft onderbouwd. Een en ander betekent dat de omstandigheden dat de verhoudingen zijn verstoord ook aan [A] te wijten is, aldus de rechtbank. De correctiefactor is op 0,5 vastgesteld.
2.16
Bij dagvaarding van 12 december 2013 heeft [A] gevorderd dat de rechtbank Midden–Nederland, locatie Lelystad, voor recht verklaart, zakelijk weergegeven, dat Leaderland c.s. en SC Raw Materials onrechtmatig jegens [A] hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden schade, nader op te maken bij staat. [A] heeft aan zijn vorderingen in de kern ten grondslag gelegd dat hij zonder voldoende reden als bestuurder van Leaderland c.s. is ontslagen en dat de hierboven weergeven overdrachten van Soyuz Corporation en Soyuz TTM en de overdracht van handelsactiviteiten door Leaderland TTM aan SC Raw Materials jegens hem als aandeelhouder onrechtmatig zijn. Daarbij heeft hij tevens verzocht de procedure aan te houden tot na deponering van het onderzoeksverslag door een door de Ondernemingskamer te benoemen onderzoeker.
2.17
Bij dagvaarding van 24 december 2013 heeft Leaderland TTM gevorderd dat de rechtbank Amsterdam, zakelijk weergegeven, voor recht verklaart dat [A] in de hoedanigheid van bestuurder van Leaderland TTM onrechtmatig heeft gehandeld, en dat de rechtbank [A] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan Leaderland TTM. Leaderland TTM heeft aan haar vorderingen in de kern ten grondslag gelegd dat (i) zij schade heeft geleden als gevolg van het feit dat [A] risicovolle langetermijncontracten is aangegaan, waardoor Leaderland TTM uitzonderlijk hoge prijzen aan leveranciers moet betalen voor de afname van grondstoffen en (ii) dat [A] ten laste van Leaderland TTM privébetalingen heeft verricht, welke niet zijn terugbetaald. Deze procedure staat op de parkeerrol.
2.18
Op 29 december 2014 heeft de arbitragerechtbank in de regio Kaliningrad uitspraak gedaan in een door [A] tegen Leaderland TTM en Soyuz Corporation aanhangig gemaakte procedure. De vordering van [A] tot nietigverklaring van de transactie met betrekking tot de aandelen Soyuz TTM en tot het terugdraaien van de gevolgen daarvan, is in dit vonnis afgewezen.
2.19
Op 2 februari 2015 heeft [B] een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam, strekkende tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te vergaren voor de gestelde betrokkenheid van [A] bij EFKO. Bij beschikking van 4 juni 2015 heeft de rechtbank Amsterdam dit verzoek afgewezen.
2.20
Bij vonnis van 24 juni 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, uitspraak gedaan in de procedure die aanhangig is gemaakt met de onder 2.16 vermelde dagvaarding. Bij dat vonnis zijn de vorderingen van [A] afgewezen en de (reconventionele) vorderingen van (onder meer) Leaderland c.s. en [B] c.s. tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen toegewezen. [A] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
2.21
Bij uitspraak van 10 augustus 2015 heeft de Russische appelinstantie “Dertiende arbitragerechtbank van beroep” te Sint Petersburg het hiervoor genoemde vonnis van 29 december 2014 vernietigd, de verkoop van aandelen in Soyuz TTM door Leaderland c.s. aan Soyuz Corporation ongeldig verklaard en teruglevering van de aandelen in Soyuz TTM bevolen.
2.22
Tegen de uitspraak van 10 augustus 2015 heeft [F] op 14 augustus 2015 in naam van Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III cassatieberoep bij het “Arbitragehof van het Noordwest arrondissement” te Sint Petersburg ingesteld; [B] heeft op 7 oktober 2015 in naam van Leaderland TTM bij dat hof cassatieberoep ingesteld. In de cassatieprocedure heeft op 11 november 2015 een zitting plaatsgevonden. De door [B] en Syzin ingediende cassatieberoepschriften zijn door het Arbitragehof aanvaard. Er is reeds uitspraak gedaan, waarvan voor partijen ten tijde van de zitting in de onderhavige zaak slechts het dictum kenbaar was.
2.23
Naast procedures in Nederland en de hiervoor vermelde procedure in Rusland, zijn tussen [A] , Leaderland TTM en [B] (onder meer) ook sekwester- en beslagprocedures in België aanhangig (geweest).
3. De inhoud van het verslag
De onderzoekers hebben in hun verslag aandacht besteed aan de opzet en het verdienmodel van Leaderland, de periode 1 oktober 2012 – 19 april 2013, de periode [D] (19 april 2013 – 18 maart 2014), de splitsing van Leaderland, de verhouding tussen Peters Inc. en [B] , de verhouding tussen Peters Inc. en Leaderland en aan EFKO. Zij hebben hun verslag afgesloten met een beschrijving van hun bevindingen en met een aantal aanbevelingen. Deze bevindingen en aanbevelingen luiden als volgt.
“Bevindingen onderzoekers
Zoals in de inleiding is aangegeven heeft het onderzoek plaatsgevonden in een extreem contentieuze omgeving. Ook gedurende de onderzoeksperiode zijn er de nodige geschillen geweest en is de Ondernemingskamer bij geschillen betrokken geraakt. Het wantrouwen tussen enerzijds [B] en [C] en anderzijds [A] is groot. Onderzoekers hebben ook niet de illusie dat deze partijen zich ooit weer op normale, zakelijke voet tot elkaar zullen kunnen verhouden.
De geschillen en het wantrouwen hebben geleid tot een volstrekt onwerkbare situatie en de ontmanteling van Leaderland. De administratie is onvolledig. Er zijn geen middelen. De jaarrekening over 2012 is niet vastgesteld en die over 2013 niet eens in concept opgesteld. De fiscus is begonnen met een onderzoek. Los van de vraag aan wie dit alles is toe te rekenen: Leaderland lijkt een zinkend schip. Leaderland heeft geen kantoor. Van Haaren en onderzoeker Van der Noll zijn op 19 april 2014 op bezoek geweest op het kantooradres van Leaderland, maar het bleek inmiddels het kantoor van SC Raw Materials te zijn, waar zij onverwacht door [B] werden ontvangen. Niets in het kantoor wees op enige activiteit van Leaderland. Ook uit de aan Van Haaren ter beschikking gestelde administratie bleek niet van enige activiteit. In haar hoedanigheid van directeur is zij ook nooit door een marktpartij benaderd.
Wie valt in de ogen van onderzoekers ten aanzien van de ontstane situatie wat te verwijten? Onderzoekers kunnen daarbij slechts uitgaan van wat hen is gebleken c.q. hoe zij de feiten interpreteren, niet van wat de ene partij over de andere partij beweert. Onderzoekers realiseren zich daarbij dat bij het interpreteren van feiten subjectieve waarderingen een en ander kunnen inkleuren. Of en hoeverre de waardering van de feiten en omstandigheden leiden tot het oordeel wanbeleid, is uiteraard aan de Ondernemingskamer, mocht het zover komen.
[A]
[A] heeft zich na zijn vertrek (in zijn beleving: vlucht) uit St Petersburg onttrokken aan welke bemoeiing ten aanzien van Leaderland dan ook. Hij heeft het voor zijn ontslag op een bijeenroeping van de algemene vergadering van aandeelhouders door de voorzieningenrechter laten aankomen. Ongeacht of zijn lezing over de aanleiding van zijn vertrek uit St Petersburg juist zou zijn; bij dit gedrag zijn wellicht vraagtekens te plaatsen, ook al was [A] ziek en werd hem informatie onthouden. [A] was geen gewone werknemer, maar directeur met dienovereenkomstige (vennootschapsrechtelijke) verantwoordelijkheden.
[A] wordt in de procedure verweten de nodige zaken (documenten, contracten) te hebben meegenomen (onderzoekers hebben dit niet kunnen vaststellen), maar mocht dat verwijt terecht zijn, dan heeft dit de voortzetting van de onderneming van Leaderland niet in (ernstige) moeilijkheden gebracht of kunnen brengen. Er waren werknemers (meer in het bijzonder [G] ) die wisten wat er speelde en die de onderneming hebben kunnen voortzetten en ook daadwerkelijk in samenspraak met en onder leiding van [B] hebben voortgezet. Als er contracten ontbraken, konden kopieën daarvan eenvoudig bij de wederpartij worden opgevraagd. [B] en [G] hebben bovendien zelf aangegeven dat de problemen m.b.t. de ongunstige contracten (grotendeels) werden opgelost.
[A] wordt ten aanzien van zijn functioneren in hoofdzaak verweten dat hij, in strijd met wat afgesproken zou zijn, opzettelijk en in samenspraak met EFKO risicovolle lange termijncontracten zou hebben afgesloten. Over een en ander is in de procedure het nodige door partijen gesteld en beweerd. Ten aanzien van de verwijten heeft het onderzoek echter niets nieuws opgeleverd (dus geen bevestiging van gelijk of ongelijk van een van partijen), anders (en niet meer) dan dat alleen vaststaat dat er termijncontracten [noot 4] zijn afgesloten voor grondstoffen die vanwege een wijziging in het fiscale regime nadelig bleken.
[Noot 4: Onderzoekers onthouden zich van een oordeel over de vraag of het nu om “lange” termijn contracten ging, waarvoor een diepgaand onderzoek nodig geweest zou zijn dat bovendien betrekking zou hebben gehad over de periode voorafgaand aan 1 oktober 2012.]
In dit verband verwijzen onderzoekers ook naar het gespreksverslag van [A] die dit zelf ook verklaart (…). Betrokkenheid van EFKO daarbij of opzet (om Leaderland te schaden) hebben onderzoekers niet kunnen constateren en valt voor onderzoekers ook niet te herleiden uit het feit dat, gelet op de processtukken, er aanwijzingen zijn dat [A] in ieder geval in 2013 in contact is geweest met (mensen van) EFKO.
Betrokkenheid van EFKO of opzet van [A] om Leaderland te schaden hebben onderzoekers ook niet kunnen constateren of herleiden uit het feit dat de dochter van [A] de onderneming Foods lngredients Europe B.V. i.o. in de Kamer van Koophandel heeft laten inschrijven. Toen [A] werd gevraagd of hij een onderneming heeft onder de naam Food lngredients, heeft [A] daarover verklaard:
“no, I do not.
When the conflict started, I told myself that I would never do any business in fats and oil anymore. I was in a very difficult situation psychologically, I was not in a position to think about my future and I did not have any time for this. I have a daughter, who was not working anywhere at that time. One day she came to me and told that she would like to open a company and use my business experience. I told her that I was not interested and that I would not work myself in her company. Of course I told her that she may count on my advice and expertise if needed, but that she must find her own people to run the company.
She registered a company in oprichting. She did not manage however to find the right people and, to the best of my knowledge, the registration of the company has never been completed. Now, her idea seems to be dead and she is full of some other ideas.”
Ook overigens hebben onderzoekers geen aanwijzingen voor een “corporate raid” gevonden. [A] is gaan procederen, maar wel pas nadat hij achteraf werd geconfronteerd met de afstoting/verkoop van de Soyuz vennootschappen. Het feit dat hem misbruik van recht is verweten in de arbitrage procedure [dat wil zeggen: de hierboven sub 2.18, 2.21 en 2.22 genoemde procedure in Sint Petersburg, toev. Ondernemingskamer] maakt het niet anders, nog daargelaten dat [A] succesvol hoger beroep tegen de uitspraak heeft aangetekend. Ook de op zichzelf staande en door [A] betwiste verklaring van de heer Lopatin maakt dit niet anders. Feit is bovendien dat de inschrijving van Foods lngredients B.V. i.o. weer is doorgehaald. Het door [B] geëntameerde voorlopig getuigenverhoor kan uiteraard leiden tot een andere conclusie, maar dat zal te zijner tijd dan moeten blijken.
[B]
[B] is een man die veel petten op heeft in het speelveld van het conflict. Hij heeft 50% van de aandelen in Leaderland c.s. Hij was enig aandeelhouder in Peters Inc. tot kort voordat Peters Inc. Leaderland heeft gefinancierd. Onderzoekers houden het er bij gebrek aan ontkenning door [B] voor dat hij achter SC Financial lnvestments Group Inc. zit die 10% van het belang houdt in Soyuz Corporation (de 10% die hij voorheen in privé hield). Hij is directeur van SC lnvestments Group BVBA waarvan hij ook 75% van de aandelen houdt. Deze vennootschap heeft het 90% belang in Soyuz Corporation genomen (waarvan directeur is [C] ) nadat Leaderland van dat belang afstand heeft gedaan. Zijn zoon is directeur van SC Raw Materials B.V., waar zijn dochter ook werkt en welke vennootschap in het voormalige kantoor van Leaderland in ieder geval deels de werkzaamheden heeft overgenomen die Leaderland voorheen verrichte ten behoeve van Soyuz TTM [noot 5] met ook deels dezelfde werknemers die in dienst waren van Leaderland.
[Noot 5: Zie ook de verklaring van [B] waarin hij aangeeft dat contracten gedeeltelijk via SC Raw Materials werden uitgevoerd.]
[B] heeft [D] gevraagd om directeur van Leaderland te worden en hem, aldus [D] , de kosten vergoed die [D] in het kader van zijn directeurschap van Leaderland heeft gemaakt. [B] is ook de man geweest die bij afwezigheid van [A] de touwtjes in handen heeft genomen bij Leaderland en de gewraakte contracten met de leveranciers (zo goed en zo kwaad als dat zal zijn gegaan) heeft afgewikkeld. Met al deze petten op houden onderzoekers het er voor dat hij minst genomen zeer goed op de hoogte is van wat er bij de diverse vennootschappen speelt en speelde.
[B] gaf echter niet altijd de informatie waarom werd verzocht of was hij in de ogen van onderzoekers ontwijkend in antwoorden op vragen die hem (kennelijk) niet uitkomen. Als voorbeeld kunnen onderzoekers geven een aantal antwoorden op de lijst met additionele vragen die aan [B] is voorgelegd:
• Zo antwoordde [B] niet op de vraag of hij direct dan wel indirect betrokken is bij Peters Financial lnvestment Corporation.
• Op de vraag waarom de lening van Peters Inc. terugbetaald moest worden aan Peters Financial lnvestment Corporation antwoordde hij dat er “een officiële brief van Peters Inc” bestaat waarin wordt gevraagd om dat geld “naar de door hem genoemde rekeningen te storten”.
• Op de vraag waarom Peters Inc. niet is verkocht, maar er een trust is gecreëerd antwoordt [B] dat de overeenkomst door juristen is opgesteld en hij niet tegen de benaming was “want voor mij was puur de inhoud van de overeenkomst van belang”.
• Over de vraag hoe de prijs van Soyuz Corporation bij uit- en toetreding bij Leaderland respectievelijk bij SC lnvestments Group BVBA tot stand is gekomen geeft hij aan dat daarop al tijdens de rechtszittingen antwoord is gegeven (wat onderzoekers niet hebben kunnen terugvinden) en dat alles conform het Russisch recht heeft plaatsgevonden.
• Op de vraag om onderbouwd aan te geven hoe de prijs ten aanzien van de koop van Soyuz TTM tot stand is gekomen antwoordde [B] “Ik ben directeur van SC lnvestment Group BVBA en ik weet niks over het ontstaan van de prijs. Deze vraag moet in eerste instantie gesteld worden aan de directeur van Leaderland of aan de deelnemers van de transactie — de bestuurders van Leaderland en Soyuz Corporation [en het is] ook van belang deze vraag te stellen aan de directeur van Soyuz TTM.”.
• Op de vraag hoe Soyuz Corporation de middelen heeft gevonden om Soyuz TTM te kunnen kopen antwoordde [B] “Deze vraag moet worden gericht aan de financiers van Soyuz Corporation. Ik denk dat ze de middelen hebben gevonden waar ze die altijd vinden”.
• Op de vraag op welke basis SC Raw Materials verplichtingen heeft overgenomen van Leaderland (of er een akte bestond) en of SC Raw Materials in verband daarmee een claim heeft op Leaderland antwoordde [B] “Deze vraag moet worden gericht aan de directeur van SC Raw Materials. Ik denk dat hij meer in staat is om deze vraag nauwkeuriger te beantwoorden”.
• Op de vraag sinds wanneer SC Raw Materials de huur betaalt van het kantoor waar Leaderland is gevestigd en welke werknemers zijn overgenomen sinds wanneer antwoordde [B] “Deze vraag moet ook worden gericht aan de directeur van SC Raw Materials. Ik ben bang om u een onjuist antwoord te geven. Dit heb ik u al tijdens onze ontmoeting gezegd.”
Kortom weinig bereidheid om (pro actief) mee te werken aan het verschaffen van informatie. [Noot 6 (…)] .
Met alle petten op heeft [B] meegewerkt aan en is hij in de ogen van onderzoekers medeverantwoordelijk voor wat in feite heeft geleid tot de ontmanteling van Leaderland. Zoals hierna ook zal blijken zijn onderzoekers er niet van overtuigd dat Leaderland genoodzaakt was tot de verkoop de Soyuz ondernemingen of tot stopzetting van de activiteiten. In ieder geval heeft naar het oordeel van onderzoekers te gelden dat het proces onzorgvuldig is geweest en de (aandeelhouders)belangen van [A] zijn miskend.
[D]
Met [D] hebben onderzoekers pas op 2 februari 2015 kunnen spreken (de eerste uitnodiging voor een gesprek dateert van 12 augustus 2014) en dan ook nog slechts via de telefoon (de Lync-video verbinding werkte niet goed). Maar hoe dan ook, het gesprek heeft plaatsgevonden en heeft er in samenhang met de stukken die hiervoor onder het kopje “Periode [D] , 19 april 2013-18 maart 2014” zijn genoemd toe geleid dat er bij het handelen van [D] minst genomen vraagtekens geplaatst kunnen worden.
Onderzoekers nemen daarbij het volgende in aanmerking:
Crisismanager?
[D] is aangetreden als crisismanager, terwijl van een crisis geen sprake leek te zijn. Leaderland werd na het vertrek van [A] de facto al 6,5 maanden gerund door [B] en het ondersteunend personeel. In zijn “Financial Audit Act” van 22 april 2013 staan in de ogen van onderzoekers ook geen zaken waar een crisis uit blijkt. De genoemde feiten en omstandigheden die in dat rapport worden genoemd waren al bekend. Het was al bekend dat er contracten waren met leveranciers die problematisch waren, maar die waren volgens de verklaringen van [B] en [G] al grotendeels opgelost. Het was meteen al na het vertrek van [A] bekend dat er originele contracten ontbraken zie ook de verklaringen van [G] en [B] ). Maar welke crisis is er gaande als je kopieën kunt opvragen? Ongetwijfeld was dat voor zover nodig allang gebeurd, nog daargelaten dat niet goed valt in te zien welke schade daardoor is veroorzaakt. [D] constateerde dat een lening aan Peters Inc. niet was afgelost, maar ook dat zal bekend zijn geweest. Hij constateerde dat er geen overeenkomst was die de verhoudingen tussen Leaderland c.s. onderling regelde, maar waarom die er zou moeten zijn ontgaat onderzoekers; er zijn statuten. Verder noemt hij dat er een claim zou zijn van Soyuz in verband met de prijsstelling en kwaliteit van grondstoffen (maar dat betrof een intra-groep aangelegenheid) en dat [A] gelden aan de vennootschap had onttrokken (wederom niets nieuws). Kortom, hieruit blijkt voor onderzoekers niet het bestaan van een acute crisis.
Direct na zijn aantreden lijkt er echter wel een crisis te ontstaan. Peters Inc. zegt (plotseling) de strategische samenwerkingsovereenkomst en de leningsovereenkomsten op. Ook Soyuz TTM zegt (even plotseling) de strategische samenwerkingsovereenkomst op en komt met een claim van USD 8,7 miljoen en [D] erkent vrijwel terstond de verplichting tot terugbetaling en de claim. Vervolgens stuurt [D] een briefje naar Peters Inc. met de vraag of Peters Inc. op de hoogte was van de splitsing van Leaderland en daarmee van de overgang van de deelneming in Soyuz en de schulden aan Peters Inc. Met het antwoord daarop dat dat niet het geval was en dat Peters Inc. het daar ook niet mee eens was, is (lijkt) de crisis volledig. [D] stelt vervolgens een crisisplan voor bij brief van 7 mei 2013 “in order to avoid bankruptcy, loss of reputation within the Russian and European markets”, met als meest ingrijpende maatregel om Soyuz TTM te verkopen om daarmee de schulden en mogelijke claims te kunnen betalen.
Crisis?
De feiten en omstandigheden lijken er op te wijzen dat de crisis geënsceneerd is. Geen redelijk denkend manager, laat staan een crisismanager, accepteert naar het oordeel van onderzoekers zonder slag of stoot de opzegging van leningsovereenkomsten, zeker als dat tot gevolg heeft de liquidatie van de belangrijkste bezittingen in een “distress” situatie. Onderzoekers hebben ook geen goede reden kunnen vinden waarom Leaderland de opzegging van de leningen zou hebben moeten accepteren. De lening waar het om ging, en die in april 2013 al 7 maanden niet betaald was (en terzake waarvan volgens de aan Van Haaren ter beschikking gestelde administratie ook niet eerder is aangemaand), stond los van de samenwerkingsovereenkomst die overigens al in december 2012 was verlopen. Zonder daarover juridisch advies te hebben ingewonnen heeft [D] de opzegging van de leningen aanvaard met als voornaamste argument “that under Russian law, if there is a default under one agreement, a creditor is eligible to terminate all agreements and claim the repayment of all amounts, even if the agreements constitute separate agreements”.
Op de opmerkingen van onderzoekers dat de leningsovereenkomsten niet werden beheerst door Russisch recht, zei [D] “that the above mentioned rule is generally accepted rule in the world and such rule exists in the laws of all countries.”
Ook het zonder nader onderzoek accepteren van de claim van Soyuz, terzake waarvan ook geen eerdere documentatie is opgekomen, is niet iets dat (wederom naar het oordeel van onderzoekers) enig weldenkend bestuurder zou doen. In het verslag van het gesprek van onderzoekers met [D] is opgenomen wat [D] daarover heeft verklaard:
“According to [D] , Soyuz had all grounds for its claim in the amount of USD 8 mln. The justification of [D] ’s opinion is the following: Leaderland concluded very expensive contracts and, thus, Soyuz was required to pay high prices for raw materials supplied by Leaderland. Additionally, Soyuz had claims concerning quality of the supplied raw materials, which claims are validated by technical specialists ( [D] has not provided any names of these specialists or any other support documents). In view of this, [D] had no other choice than to recognize the claim of Soyuz.”
Soyuz komt op 24 april 2013 met een “preliminairy claim” en op 26 april 2013, twee dagen later, geeft [D] als antwoord “We agree with the fact, that consequently the operations in breach of provisions of the framework agreement dated December 27, 2002, we did harm to your financial position and your reputation”.
Welk onderzoek is er dan verricht? Zie in dit verband ook het verslag van mevrouw Van Haaren (…). En overigens, Soyuz maakt onderdeel uit van de Leaderland TTM groep. Het ligt in zo’n situatie minst genomen niet voor de hand dat groepsmaatschappijen onderling claims indienen, tenzij dit wellicht om verzekeringstechnische redenen nodig zou zijn. Maar van dit laatste lijkt geen sprake te zijn. Opvallend is ook dat uit de middelen die vrijgekomen zijn bij de verkoop van Soyuz TTM, uitsluitend Peters Inc. betaald lijkt te zijn.
Verkoop/afstoting Soyuz Corporation en Soyuz TTM
Maar het gaat nog verder. Stel dat [D] op goede gronden kon aannemen dat Peters Inc. aanspraak kon maken op tussentijdse terugbetaling van alle leningen en dat er geen andere oplossing was dan het verkopen van de bezittingen, dan nog moet vastgesteld worden dat het proces onzorgvuldig en niet transparant is geweest. Onderzoekers hoeven maar te verwijzen naar de vele petten die [B] draagt in deze zaak, inclusief de pet dat hij de facto [D] heeft aangesteld en in zijn kosten heeft voorzien. [B] die tezamen met [C] materieel gezien zowel kopende als verkopende partij waren. Er zijn geen (serieuze) objectieve waarderingsrapporten gemaakt, terwijl dit gegeven het belang dat [A] als minderheidsaandeelhouder hield minst genomen in de rede had gelegen. Het had op de weg van [D] gelegen om het proces zeer zorgvuldig en transparant en toetsbaar te laten zijn. En wat overigens strijdig lijkt te zijn met de urgentie om te liquideren, om geld te genereren, is hoe [D] het contract met Soyuz Corporation heeft uitonderhandeld (zo daar al sprake van zou zijn geweest). Overeengekomen is dat de koper de nodige koopsom pas na 30 maanden hoefde te betalen, overigens zonder dat ook zekerheden zijn gesteld voor de betaling van de koopsom.
Ook had het op de weg gelegen van [D] zich te laten voorlichten omtrent de juridische positie van het aandeelhouderschap in Soyuz TTM. Er heeft een juridische splitsing plaatsgevonden met inachtneming van de daarvoor geldende procedures waartegen niemand in verzet is gekomen en die daarmee naar beste weten van onderzoekers onaantastbaar is geworden. Naar Nederlands recht heeft dan als uitgangspunt te gelden dat onder algemene titel het vermogen is overgegaan dat op de splitsing betrekking heeft. Dat kan naar beste weten van onderzoekers niet ongedaan worden gemaakt door een “simpele” verklaring als door [D] vastgelegd in zijn brief van 5 mei 2013.
Handelsactiviteiten Leaderland
Als “crisismanager” heeft [D] zich gericht op het liquideren van de activa om Leaderland “te redden”. Dat liquideren is gelukt. Wat echter ook is gebeurd, is dat [D] zich niet heeft bekommerd om de handelsactiviteiten van Leaderland. In de periode dat hij bestuurder was (11 maanden) is het (reguliere) personeel (waarvan hij behalve de naam van [G] , de namen ook niet kende) vertrokken en zijn de activiteiten in ieder geval deels overgegaan naar SC Raw Materials, waar ook een gedeelte van het personeel, maar in ieder geval de sleutelfunctionarissen [G] en Klimatovitch (hoofd logistiek) naar zijn overgegaan. Ondanks dat [D] auditor van beroep is (en alle tijd heeft gehad), heeft hij geen volledige en sluitende boekhouding opgemaakt en heeft hij geen jaarstukken over 2012 laten opmaken, vaststellen en deponeren.
[C]
Ook ten aanzien van [C] geldt dat hij verschillende petten op had. [C] houdt 25% van de aandelen in Leaderland. Hij houdt 25% van de aandelen in SC lnvestments Group BVBA waarvan [B] directeur is. Deze vennootschap heeft het 90% belang in Soyuz Corporation genomen waarvan [C] directeur is. Soyuz Corporation heeft vervolgens Soyuz TTM overgenomen.
Ondanks deze verschillende belangen en posities heeft [C] met miskenning van de belangen van [A] meegewerkt aan de gewraakte transacties.
Aanbevelingen
Onderzoekers kunnen zich voorstellen dat op basis van dit verslag van wanbeleid kan blijken en dat om voorzieningen zal worden gevraagd. Gegeven het voorgaande ligt als voorziening het ontslag van [D] voor de hand en het aanstellen van een nieuwe onafhankelijke bestuurder, gekoppeld aan de continuering van de voorziening dat de aandelen ten titel van beheer overgedragen blijven. Gegeven de totstandkoming van de besluiten strekkende tot afstoting/vervreemding van de deelnemingen in de Soyuz ondernemingen, lijkt ook vernietiging van die besluiten voor de hand te liggen.
De vraag is alleen wel waartoe het treffen van voorzieningen zal leiden en of deze effectief zullen zijn. De hoofdrolspelers wonen c.q. zijn allemaal gevestigd in het buitenland; partijen procederen om alles. Leaderland heeft geen geld en beschikt niet over een volledige administratie. Bij het treffen van voorzieningen zal er dan ook duidelijk richting gegeven moeten worden ten aanzien van het te bereiken doel en zullen er voldoende middelen beschikbaar gesteld moeten worden om dat doel te bereiken. Is er geen uitzicht op funding, dan lijkt ontbinding van Leaderland c.s. voor de hand te liggen.”
4. De gronden van de beslissing
4.1
[A] heeft aan zijn verzoek, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de inhoud van het verslag voor zich spreekt en dat er vele gronden zijn om wanbeleid vast te stellen. Hij licht er vier uit: a) het ensceneren door [B] c.s. van een crisis, met als gevolg dat de Leaderland vennootschappen geheel ontmanteld zijn, b) het schenden daarbij door [B] c.s. van wettelijke en statutaire bepalingen (geen informatieverstrekking, geen goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders voor de materiële liquidatie, weigering een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen), c) het laten verrichten door Leaderland van een reeks onzakelijke transacties (de verkoopprijs van Soyuz TTM en Soyuz Corporation is te laag en er zijn geen waarderingsverslagen opgesteld) en d) het – bewust of onbewust – betalen aan de verkeerde ‘Peters’ vennootschap, met dien verstande dat beide Peters-vennootschappen vehikels zijn van [B] . [A] zelf treft geen blaam, aldus [A] . [A] komt tot de conclusie dat sprake is van wanbeleid en dat [B] , [C] en [D] daarvoor verantwoordelijk zijn. [A] meent dat de orde in de vennootschappen hersteld kan worden en dat onmiddellijke liquidatie niet nodig is. In dat verband acht [A] wel het op de voet van de artt. 2:355 en 356 BW treffen van voorzieningen als door hem verzocht geboden.
4.2
[B] , [C] en [D] hebben geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [A] . Hun verweer komt zo nodig hierna nog aan de orde. Daarnaast hebben zij om een nader onderzoek verzocht. Zij achten het onderzoek onvolledig waar het gaat om – kort gezegd – de door hen gestelde door [A] gesloten risicovolle langetermijncontracten en de betrokkenheid van [A] bij EFKO.
4.3
Met betrekking tot laatstgenoemde verzoeken overweegt de Ondernemingskamer als volgt.
4.4
Uit het verslag van de onderzoekers volgt dat het onderzoek op het punt van de aard van de door [A] gesloten contracten (al dan niet “lange” termijncontracten) niet volledig is geweest (p. 18, noot 4). De onderzoekers vermelden dat zij zich hebben onthouden van een oordeel over de vraag of het nu om “lange” termijncontracten ging, aangezien voor dat oordeel een diepgaand onderzoek nodig zou zijn, betrekking hebbende op de periode die voorafgaat aan de onderzoeksperiode. In haar beschikking van 18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer overwogen (rechtsoverweging 3.7) dat de onderzoekers het tot hun taak mogen rekenen de geschilpunten die aan het tegenverzoek van Leaderland c.s. ten grondslag zijn gelegd bij hun onderzoek te betrekken. Deze geschilpunten betroffen onder meer de stellingen van Leaderland c.s. (zie rechtsoverweging 3.2) dat [A] de onderneming aan de rand van een faillissement heeft gebracht doordat hij in strijd met een aandeelhoudersbesluit van 9 december 2008 risicovolle langetermijncontracten is aangegaan, waardoor Leaderland c.s. schade hebben geleden, en dat [A] werkzaam is voor een concurrerende onderneming (EFKO).
4.5
Ter zitting heeft de Ondernemingskamer aan de orde gesteld dat, indien er geen uitzicht is op financiering van een eventueel te gelasten nader onderzoek, dit onderzoek niet van de grond zal komen en het gelasten daarvan in dat geval reeds daarom niet opportuun is. De Ondernemingskamer heeft [B] c.s. in de gelegenheid gesteld te berichten of zij eventueel bereid zijn de kosten van een nader onderzoek te financieren. [D] en [C] hebben zich daartoe niet bereid verklaard; de advocaat van [B] heeft bij faxbericht van 26 november 2015 laten weten dat [B] bereid is de kosten van aanvullend onderzoek, gericht op de gestelde langetermijncontracten en de relatie van [A] met EFKO, tot een maximum van € 50.000 te garanderen.
4.6
Gelet op voormelde bereidheid van [B] en de constatering van de onderzoekers dat de termijncontracten nadelig bleken (vanwege een wijziging in het fiscale regime) zal de Ondernemingskamer, in het licht van hetgeen zij al in haar beslissing van 18 maart 2014 heeft overwogen, een aanvullend onderzoek gelasten. Mede gelet op het relatief beperkte beschikbare budget, dient dit onderzoek zich eerst te richten op de kwestie van de langetermijncontracten die volgens [B] c.s. door [A] zijn gesloten en die volgens hen schadelijke gevolgen hebben gehad voor de Leaderlandvennootschappen en met name op de vraag of [A] met het aangaan van die overeenkomsten is afgeweken van het door [B] c.s. gestelde aandeelhoudersbesluit van 9 december 2008 en of voorzienbaar was dat die overeenkomsten zouden leiden tot schade voor Leaderland c.s. of vanwege daaraan verbonden risico’s (zoals wijziging van het fiscale regime) onverantwoord waren. Indien dat onderzoek aanwijzingen oplevert voor de juistheid van de stelling van [B] c.s. dat [A] door het sluiten van deze overeenkomsten doelbewust heeft aangestuurd op het te gronde richten, althans benadelen van Leaderland c.s., kan het onderzoek zich vervolgens tevens richten op het mogelijke motief van [A] . In dat verband kan ook de gestelde betrokkenheid van [A] bij EFKO weer aan de orde komen. De onderzoekers hebben dit punt weliswaar bij hun onderzoek betrokken en geen betrokkenheid kunnen constateren, maar [B] c.s. hebben gemotiveerd aangevoerd dat mogelijke aanwijzingen nog onvoldoende zijn onderzocht.
4.7
[C] heeft voorts nader onderzoek verzocht naar de gang van zaken rond de lening van Peters Inc. bij de splitsing en de relatie van Peters Inc. en [B] . De Ondernemingskamer zal op dit verzoek nader ingaan onder 4.24.
4.8
[B] c.s. hebben voorts bezwaren geuit tegen de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Deels zijn deze bezwaren reeds afgewezen bij de beschikking van 5 oktober 2015. Voor zover de bezwaren betrekking hebben op het onderzoek met betrekking tot de langetermijncontracten en de betrokkenheid bij EFKO, kunnen ze verder buiten bespreking blijven, gelet op het in rechtsoverweging 4.6 overwogene. Voor zover [D] de onderzoekers bij het interview met hem vooringenomenheid toedicht, berust dit slechts op speculatie; voor zover hij meent dat de kwaliteit van de vertaling de inhoud van het verslag heeft beïnvloed, geldt dat hij in zijn verweerschrift in de gelegenheid is geweest zijn visie hierop te geven. Voor het overige verwijst de Ondernemingskamer naar rechtsoverweging 4.9 hierna.
4.9
Zoals hiervoor is overwogen, zal de Ondernemingskamer een aanvullend onderzoek gelasten. Dit neemt echter niet weg dat de Ondernemingskamer reeds thans kan constateren dat uit het onderzoeksverslag van wanbeleid blijkt. De Ondernemingskamer acht de bevindingen van de onderzoekers ten aanzien van de gedragingen die naar het oordeel van de Ondernemingskamer wanbeleid opleveren, ook voldoende onderbouwd.
4.10
Uit het onderzoeksverslag en de hierboven onder 2.6 tot en met 2.11 genoemde feiten blijkt dat de Leaderlandvennootschappen na het vertrek van [A] zijn ontmanteld. Ook als [A] Leaderland c.s. schade heeft toegebracht door het aangaan van langetermijncontracten, zelfs als dit opzettelijk is gebeurd, vormt dit geen rechtvaardiging voor het leeghalen van de Leaderlandvennootschappen op de wijze waarop dit is gebeurd. Dat dit in het belang van de vennootschappen is geweest, kan niet worden aangenomen. In hun verslag maken de onderzoekers er melding van dat in hun visie onbegrijpelijk snel, en zonder aantoonbaar nader onderzoek of onderhandelingen, de opzegging van overeenkomsten door en de claims van Peters Inc. en Soyuz TTM zijn geaccepteerd. Dit roept vragen op en de onderzoekers trekken dan ook op basis van hun bevindingen in twijfel of de vennootschappen daadwerkelijk in de crisissituatie verkeerden die volgens [B] c.s. de rechtvaardiging vormde voor de verkoop van alle activa. Wat hiervan zij – de Ondernemingskamer zal een oordeel over de situatie waarin de Leaderlandvennootschappen na het vertrek van [A] en ten tijde van het aantreden van [D] verkeerden, aanhouden totdat het verslag van het aanvullend onderzoek beschikbaar is – de wijze waarop vervolgens is gehandeld, kan in ieder geval als wanbeleid worden gekwalificeerd. Hieromtrent geldt het volgende.
4.11
Zoals de Ondernemingskamer reeds in haar beschikking van 18 maart 2014 heeft geconstateerd, zijn (vrijwel) alle activa van de vennootschappen verkocht aan aan [B] en [C] gelieerde partijen. De Ondernemingskamer overwoog dat als gevolg van de overdrachten Leaderland c.s. hun belangen – en daarmee [A] zijn indirecte belang – in Soyuz Corporation en Soyuz TTM, de vennootschappen waarin de belangrijkste activa waren ondergebracht, geheel hebben verloren en dat [B] en [C] hun belang in die vennootschappen als gevolg van die overdrachten hebben uitgebreid tot 100% en dat zij daarbij zowel in hoedanigheid van verkoper als van koper optraden. Gelet op het aan het belang van de vennootschappen tegenstrijdig belang van deze partijen, stelde de Ondernemingskamer vraagtekens bij het zakelijke karakter van de overdrachten.
4.12
Deze vraagtekens zouden kunnen worden weggenomen indien zou zijn gebleken dat bij de voorbereiding en uitvoering van de transacties met betrekking tot Soyuz Corporation en Soyuz TTM en de besluitvorming omtrent de transactievoorwaarden de meeste zorgvuldigheid zou zijn betracht. Zoals blijkt uit het onderzoeksverslag, is die zorgvuldigheid echter geenszins in acht genomen.
4.13
De benodigde zorgvuldigheid brengt minst genomen mee, zoals ook de onderzoekers vermelden, dat serieuze, objectieve waarderingsrapporten zouden zijn opgemaakt. Dergelijke rapporten ontbreken. Met betrekking tot Soyuz Corporation is er in het geheel geen waarderingsrapport voorhanden. [D] heeft volgens het onderzoeksverslag (p. 8) melding gemaakt van een berekening door mw. Mironova, de “chief accountant” van Soyuz Corporation, maar een dergelijke berekening kan niet worden gekwalificeerd als een onafhankelijk waarderingsrapport. Met betrekking tot Soyuz TTM is een rapport d.d. 1 juli 2013 voorhanden, maar uit het onderzoeksverslag volgt dat dit door de onderzoekers niet als een serieus, objectief waarderingsrapport is beschouwd. In haar beschikking van 18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer over dit rapport reeds het volgende overwogen (rechtsoverweging 3.4.c):
“Tegenover de gemotiveerde betwisting (…) hebben Leaderland c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit rapport daadwerkelijk aan de transactie ten grondslag heeft gelegen. Bovendien kan dit rapport, dat in opdracht van Leaderland TTM ( [D] ) en op basis van door haar aangeleverde gegevens tot stand is gekomen, niet – met het oog op de hiervoor vastgestelde tegenstrijdige belangen – als voldoende onafhankelijk worden aangemerkt. Het rapport geeft daarnaast aan dat de waardebepaling globaal is, waarbij is vermeld dat deze is gebaseerd op minimale financiële en boekhoudkundige gegevens zonder te beschikken over volledige informatie over de onderverdeling van de balans; blijkens het rapport heeft geen inspectie of bezichtiging van de materiële vaste activa plaatsgevonden. Deze beperkingen in het rapport zijn van aanzienlijke betekenis, nu de waardebepaling daarin uitgaat van de boekwaarden in de balans (intrinsieke waarde), met neerwaartse correcties daarop vanwege de aangenomen slechte vooruitzichten en verwachte liquidatie van Soyuz TTM.”
[B] c.s. hebben geen argumenten aangedragen op grond waarvan thans anders zou moeten worden gedacht over de waarde van genoemd rapport.
4.14
Ook overigens zijn er geen gegevens aan de onderzoekers verstrekt waaruit volgt dat de prijs voor de beide deelnemingen op objectief deugdelijke gronden is bepaald en derhalve kan gelden als redelijk en marktconform, en daarmee zakelijk verantwoord.
4.15
Voor zover [B] erover klaagt dat het onderzoek naar de transacties onvolledig is geweest, geldt dat hij zelf, anders dan waartoe hij verplicht was, niet naar behoren aan dit onderzoek heeft meegewerkt. In het onderzoeksverslag wordt uitvoerig beschreven hoe [B] structureel informatie achterhoudt en vragen ontwijkt. Hem is onder meer een concrete vraag voorgelegd over de (ver)koopprijs van Soyuz TTM (bijlage 7, vraag 9): “Please explain how the price for Soyuz TTM is determined? Please elaborate on all relevant matters for the price determination in your answer (for a complete answer it is not enough to refer only to the valuation report). You are the director of SC Investment group, so you know how the price came about.” Ook het antwoord op deze vraag heeft [B] ontweken, hij volstond met te verwijzen naar de bestuurders van Leaderland, Soyuz Corporation en Soyuz TTM. Een en ander leidt ertoe dat [B] thans niet in de positie is over onvolledigheid te klagen. De gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na afloop van het onderzoek, met name de wijze waarop [B] het ertoe heeft geleid dat, tegen het belang van de Leaderlandvennootschappen in, het onder 2.22 vermelde cassatieberoep is ingesteld tegen de voor de vennootschappen gunstige beslissing van de Russische appelrechter (waarbij [B] zich in strijd met de door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen heeft voorgedaan als vertegenwoordiger van Leaderland c.s.), onderstrepen de obstructie die het optreden van [B] kenmerkt.
4.16
Behoudens op het punt van de hoogte van de koopsom, geven ook overige transactievoorwaarden blijk van onzorgvuldigheid. De onderzoekers vermelden in het onderzoeksverslag dat [D] met de koper van Soyuz TTM is overeengekomen dat de koopsom pas na dertig maanden behoefde te worden betaald en dat geen zekerheden voor betaling zijn gesteld. Onzorgvuldig is voorts het negeren door [D] van de (betekenis van de) onder 2.2 vermelde splitsing. Zoals in het verslag staat (p. 22) is de splitsing begeleid door een advocaat en zijn de voor de uitvoering benodigde stukken opgemaakt door Ernst & Young en door de notaris ten overstaan van wie de noodzakelijke akten zijn gepasseerd. Het had op de weg van [D] gelegen nadere aandacht te besteden aan de juridische positie van het door hem veronderstelde (ook na de splitsing voortdurende) aandeelhouderschap van Leaderland TTM en zich op dat punt van juridisch advies te voorzien. Hij kon er niet mee volstaan zich simpelweg op het standpunt te stellen dat de splitsing nietig was en door hem niet werd erkend.
4.17
Slotsom is derhalve dat het zonder voldoende en betrouwbare waarderingen verkopen van (vrijwel) alle activa van de Leaderlandvennootschappen aan aan [B] en [C] gelieerde partijen valt aan te merken als wanbeleid. Daarbij komt nog dat is bewilligd in voor de Leaderlandvennootschappen onvoordelige betalingscondities en dat ten onrechte geen serieuze aandacht is geschonken aan de juridische status van Leaderland TTM als rechthebbende op de aandelen Soyuz TTM. Deze omstandigheden versterken het reeds gegeven wanbeleidoordeel.
4.18
[A] heeft aangevoerd dat ook het nalaten aan hem informatie te verstrekken en het niet vragen van goedkeuring aan de algemene vergadering van aandeelhouders voor de materiële liquidatie die de verkoop van de activa zijns inziens tot gevolg had, als wanbeleid moet worden gekwalificeerd.
4.19
In haar beschikking van 18 maart 2014 (rechtsoverweging 3.4.d) heeft de Ondernemingskamer een materiële liquidatie strikt genomen niet aanwezig geacht, maar overwogen dat de omstandigheden van dit geval wel meebrengen dat aan [A] als minderheidsaandeelhouder van te voren openheid van zaken had moeten worden gegeven over de op handen zijnde overdrachten en dat dit te meer klemt nu de andere aandeelhouders van Leaderland c.s. wel in die overdrachten zijn gekend, en, sterker nog, daarbij betrokken waren als gelieerde partijen met een tegenstrijdig belang.
4.20
Ook thans nog kan de Ondernemingskamer niet uitgaan van een materiële liquidatie. Weliswaar volgt uit het onderzoeksverslag en uit het daaraan als bijlage 16 gehechte verslag van 13 november 2014 van de eerste tijdelijke bestuurder Van Haaren dat de Leaderlandvennootschappen in ieder geval kort na de beschikking van 18 maart 2014 geen activiteiten meer ontplooiden, maar, gelet op de gemotiveerde betwisting door [B] en [D] , kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de bedrijfsactiviteiten van de Leaderlandvennootschappen – in- en verkoop van ruwe grondstoffen – na de transacties meteen volledig zijn gestaakt.
4.21
Dat neemt niet weg dat in beginsel nog steeds geldt wat in bovengenoemde rechtsoverweging 3.4.d van de beschikking van 18 maart 2014 is overwogen over de informatieplicht ten aanzien van [A] . Of het niet voldoen daaraan in de gegeven omstandigheden moet worden beschouwd als wanbeleid hangt mede af van de eigen rol van [A] , die nog voorwerp is van aanvullend onderzoek. Ook op dit punt houdt de Ondernemingskamer haar oordeel aan totdat het aanvullend verslag beschikbaar is.
4.22
[A] noemt in zijn verzoekschrift als grond voor wanbeleid voorts dat [B] c.s. aan de verkeerde ‘Peters’-vennootschap hebben betaald. Hij voert aan dat kort nadat het onderzoek was gesloten, Peters Inc. hem heeft gedagvaard tot terugbetaling van de verstrekte lening ad circa € 1 miljoen. Leaderland heeft onder leiding van [D] in de periode augustus 2013 – december 2013 USD 9,5 miljoen overgemaakt aan Peters Financial Investment Corporation BVI (in plaats van Peters Inc.), onder vermelding van “repayment of creditor indebtness, incl. Loan Agreement from 05.09.20020 according to request”. [D] heeft voorts een op 3 maart 2014 gedateerde schuldbekentenis getekend waarin hij verklaart dat Leaderland nog steeds USD 1 miljoen verschuldigd is aan Peters Inc. Dit is de lening die Peters Inc. nu terugvordert van [A] en Peters Inc. probeert [A] aldus tot dubbele betaling te bewegen, aldus [A] .
4.23
In hun verslag vermelden de onderzoekers in noot 2 (p. 4), naar aanleiding van de stelling van [A] dat Peters Inc. gelden van hem vordert die al aan Peters Financial Investment Corporation BVI zijn betaald: “Onderzoekers hebben hier geen onderzoek naar gedaan, maar als juist is dat Peters Inc. gelden vordert die [D] als directeur van Leaderland ter aflossing van de leningen van Peters Inc aan Peters Financial Investment Corporation heeft betaald, dan vordert Peters Inc. ofwel twee keer hetzelfde bedrag, ofwel heeft [D] aan de verkeerde partij terugbetaald.” De Ondernemingskamer ziet onvoldoende aanleiding op dit punt thans nog een aanvullend onderzoek te gelasten, gelet op de reeds gebleken andere gronden voor vaststelling van wanbeleid en de onzekerheid over de bekostiging van nader onderzoek naar dit aspect.
4.24
Ook een nader onderzoek omtrent de precieze relatie tussen Peters Inc. en [B] , zoals [C] voorstaat, acht de Ondernemingskamer niet opportuun. De onderzoekers hebben deze relatie reeds bij hun onderzoek betrokken, maar hierin slechts beperkt inzicht kunnen verkrijgen. Het verzoek van [C] tot het gelasten van een nader onderzoek naar de gang van zaken rond de lening van Peters Inc. bij de splitsing, betreft een onderwerp waaraan door de onderzoekers geen bijzondere aandacht is besteed en dat niet behoort tot de onderwerpen die door de Ondernemingskamer uitdrukkelijk zijn genoemd in de beschikking waarbij het onderzoek is gelast. De Ondernemingskamer ziet onvoldoende grond om een aanvullend onderzoek naar dit aspect te gelasten, ook omdat geen fondsen beschikbaar zijn voor het door [C] verzochte aanvullende onderzoek.
4.25
Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek van [A] om te verstaan dat is gebleken van wanbeleid bij Leaderland c.s. in ieder geval toewijsbaar is met betrekking tot de wijze waarop Leaderland c.s. zijn ontmanteld door overdracht van achtereenvolgens haar belang in Soyuz Corporation aan SC Investment Group BVBA en haar belang in Soyuz TTM aan Soyuz Corporation.
4.26
Voor dat geconstateerde wanbeleid is [D] verantwoordelijk, die in de relevante periode bestuurder was van de vennootschappen.
4.27
Tevens acht de Ondernemingskamer [B] voor dat wanbeleid verantwoordelijk, die (zowel in de periode voorafgaand aan de transacties als daarna) als feitelijk bestuurder van de vennootschappen kan worden aangemerkt. [B] heeft betwist dat hij feitelijk bestuurder was in de periode na het aantreden van [D] als statutair bestuurder, maar in het licht van de in het verslag geschetste omstandigheden acht de Ondernemingskamer die betwisting onvoldoende gemotiveerd. Uit het verslag blijkt onder meer dat (a) [B] feitelijk leiding gaf aan Leaderland c.s. in de periode tussen het feitelijk vertrek van [A] in oktober 2012 en de aanstelling van [D] als statutair bestuurder in april 2013 (verslag pagina 6), (b) dat [B] [D] , die voorheen niet betrokken was bij Leaderland c.s., heeft gevraagd statutair bestuurder van Leaderland c.s. te worden, (d) dat [D] door [B] werd betaald en (e) dat de daarop volgende transacties die hierboven als wanbeleid zijn aangemerkt, telkens plaatsvonden met aan [B] gelieerde (rechts)personen. Deze omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat de door [D] als statutair bestuurder verrichte transacties feitelijk op instructie van [B] hebben plaatsgevonden. Het had daarom op de weg van [B] gelegen om tot zijn domein behorende feiten en omstandigheden te stellen ter motivering van zijn betwisting dat hij ook na 19 april 2013 als feitelijk bestuurder is aan te merken. Nu [B] daartoe geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld, merkt de Ondernemingskamer hem aan als feitelijk bestuurder, ook in de periode waarin de gewraakte transacties plaatsvonden. De gedragingen van [B] in de periode na het voltooien van het onderzoek (zie hiervoor onder 2.22 en de beschikking van de Ondernemingskamer van 17 februari 2016), onderstrepen zijn verregaande bemoeienis met Leaderland c.s.
4.28
Ten aanzien van [C] zijn onvoldoende feiten komen vast te staan op grond waarvan ook hij als verantwoordelijk voor het wanbeleid kan worden aangemerkt.
4.29
De Ondernemingskamer zal derhalve reeds thans vaststellen dat is gebleken van wanbeleid bij Leaderland c.s. en verstaan dat [B] en [D] hiervoor verantwoordelijk zijn (verzoek [A] onder 1 en 2). Tevens zal de Ondernemingskamer reeds thans een aantal van de door [A] verzochte voorzieningen ex artikel 2:355 en 356 BW toewijzen als volgt.
4.30
De voorziening onder 3, ontslag van [D] , is toewijsbaar. In het licht van hetgeen reeds is overwogen, behoeft dat geen nadere toelichting.
4.31
Vernietiging van de besluiten ten aanzien van Peters Inc. (voorziening onder 4) en van de besluiten rondom de claim van de ‘Soyuz Group’ (voorziening onder 5) is (vooralsnog) niet aan de orde, nu de Ondernemingskamer haar wanbeleidoordeel in de onderhavige beschikking niet heeft gegrond op de handelingen rondom deze besluiten.
4.32
Dit is anders voor wat betreft de besluiten strekkende tot vervreemding van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM (voorziening onder 6). De Ondernemingskamer zal de verzochte voorziening op dit punt toewijzen en deze besluiten vernietigen. De voorzieningen onder 7 (gericht op het ongedaan maken van de transacties) en 8 (te bepalen dat de restitutieschuld aan Soyuz Corporation een natuurlijke verbintenis is totdat Leaderland erin zal zijn geslaagd de aan Peters BVI gedane betalingen terug te ontvangen, althans Leaderland tot die tijd te verbieden de restitutieschuld te betalen) zijn niet aan te merken als voorzieningen in de zin van artikel 2:356 BW en gaan de grenzen van de aan de Ondernemingskamer toekomende bevoegdheid zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen te regelen (artikel 2:357 lid 2 BW) te buiten.
4.33
Ten slotte zal de Ondernemingskamer de tijdelijke beheerder van aandelen en de tijdelijke bestuurder voorlopig in hun functie handhaven, vooralsnog voor een periode van twee jaar (voorzieningen onder 9 en 10). De kosten van deze functionarissen dienen te worden gedragen door Leaderland c.s. Het voorstel van [A] om (ook) hem tot bestuurder van de Leaderlandvennootschappen te benoemen, wijst de Ondernemingskamer af, reeds omdat nog nader onderzoek zal volgen waarbij het handelen van [A] centraal zal staan.
4.34
Een bevel aan [B] c.s. tot financiering van de kosten van de (nadere) voorzieningen (voorziening onder 12) is niet toewijsbaar.
4.35
Slotsom van het vorenstaande is dat de Ondernemingskamer een aanvullend onderzoek zal gelasten, het verzoek van [A] tot het vaststellen van wanbeleid en het treffen van voorzieningen reeds thans gedeeltelijk zal toewijzen en de beslissing voor het overige zal aanhouden.
4.36
Ten slotte verdient het volgende nog opmerking. Ter zitting heeft de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder Jaakke verzocht [B] , [D] en [C] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de enquête. De bestuurder handelde bij het doen van dit verzoek namens de Leaderlandvennootschappen. Deze kunnen echter alleen door middel van een advocaat in de procedure verschijnen. Nu het verzoek niet door een advocaat is ingediend, leidt dit er derhalve toe dat de vennootschappen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in dit verzoek.
5. De beslissing
De Ondernemingskamer:
beveelt een aanvullend onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V., alle gevestigd te Hilversum, met betrekking tot a) de vraag of [A] met het aangaan van de termijncontracten is afgeweken van het door [B] c.s. gestelde aandeelhoudersbesluit van 9 december 2008 en of voorzienbaar was dat die overeenkomsten zouden leiden tot schade voor Leaderland c.s. of vanwege daaraan verbonden risico’s (zoals wijziging van het fiscale regime) onverantwoord waren en, indien vraag a) bevestigend wordt beantwoord, b) de vraag of [A] mogelijk betrokken is bij/werkzaam is voor de concurrerende onderneming EFKO;
benoemt (wederom) mr. F.D. Stibbe te Amsterdam en drs. N. van der Noll te Oosthuizen teneinde het onderzoek te verrichten;
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 50.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V., en dat zij, dan wel – gelet op diens toezegging – S.I. [B] , voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoekers voor de aanvang van hun werkzaamheden zekerheid dienen te stellen;
verstaat dat uit het verslag van het onderzoek in deze zaak blijkt van wanbeleid van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. in de periode vanaf 1 oktober 2012, met betrekking tot de verkoop van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM, een en ander als nader omschreven in rechtsoverweging 4.17;
stelt vast dat [D] en [B] hiervoor verantwoordelijk zijn;
verklaart Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. niet-ontvankelijk in hun verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2:354 BW;
ontslaat met ingang van heden [D] als bestuurder van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V.;
vernietigt de bestuursbesluiten strekkende tot vervreemding van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM;
verlengt de benoeming van mr. J.C. Jaakke te Amsterdam tot bestuurder van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. met een periode van twee jaar;
bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurder ten laste komen van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V.;
bepaalt dat de aandelen die [B] , [C] en [A] houden in Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. voor de duur van twee jaar ten titel van beheer overgedragen blijven aan mr. E. Hammerstein te Amsterdam;
bepaalt dat het salaris en de kosten van deze beheerder van aandelen ten laste komen van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V.;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en G.A. Cremers en dr. P.M. Verboom, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 22 april 2016.
Uitspraak 17‑02‑2016
Partij(en)
beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.172.375/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 17 februari 2016
inzake:
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaten: voorheen mrs. F.M. Peters en M.D. Hazenberg, kantoorhoudende te Amsterdam, thans mr. J.A. Zee, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM I B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM II B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEADERLAND TTM III B.V.,
allen gevestigd te Hilversum,
VERWEERSTERS,
niet verschenen,
e n t e g e n
1. [B] ,
wonend te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. C.J. Jager, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
2. [C] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mrs. J.A. Meijer en K. ter Hart, kantoorhoudende te Den Haag,
e n t e g e n
3. [D] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: (tot 20 november 2015) mrs. I.S. Oosterhoff en R.J.T. Kamstra, kantoorhoudende te Amsterdam.
1. Het verloop van het geding
1.1
Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid:
- -
verzoeker als [A] ;
- -
verweersters 1 tot en met 4 ieder afzonderlijk als respectievelijk Leaderland TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III en gezamenlijk als Leaderland c.s.;
- -
belanghebbende 1 als [B] ;
- -
belanghebbende 2 als [C] ;
- -
belanghebbende 3 als [D] .
1.2
Voor het eerdere verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 18 maart 2014, 11 juli 2014, 24 juli 2014, 5 december 2014, 15 december 2014, 3 februari 2015, 28 april 2015, 29 mei 2015, 5 juni 2015, 22 juli 2015, 5 oktober 2015 en 26 oktober 2015, alsmede naar de beschikkingen van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 29 mei 2015, 15 juni 2015 en 26 oktober 2015, alsmede naar de beschikkingen van de raadsheer-commissaris van 14 januari 2015 en 25 maart 2015 (alle met zaaknummer 200.137.535 OK).
1.3
Bij de beschikking van 18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer onder andere en voor zover hier van belang:
- een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. over de periode vanaf 1 oktober 2012;
- mr. F.D. Stibbe en drs. N. van der Noll benoemd tot onderzoekers;
- bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding [D] geschorst als bestuurder van Leaderland c.s.;
- bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding drs. B. van Haaren (hierna: Van Haaren) benoemd tot bestuurder van Leaderland c.s. en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Leaderland c.s. te vertegenwoordigen;
- bepaald, vooralsnog voor de duur van het geding, dat de aandelen die [B] , [C] en [A] houden in Leaderland c.s. met ingang van 18 maart 2014 ten titel van beheer zijn overgedragen aan mr. E. Hammerstein (hierna: Hammerstein).
1.4
Bij de beschikking van 11 juli 2014 heeft de Ondernemingskamer - voor zover hier van belang - op verzoek van Leaderland c.s. [B] bevolen om binnen een week na betekening van de beschikking de volledige administratie (als bedoeld in art. 2:10 BW) van Leaderland c.s. vanaf 1 januari 2012 te doen toekomen aan Van Haaren op een door Van Haaren te bepalen wijze en plaats op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag met een maximum van € 10.000.000.
1.5
Bij de beschikking van 15 december 2014 heeft de Ondernemingskamer Van Haaren op eigen verzoek ontheven uit de functie van bestuurder en Hammerstein aangewezen als bestuurder van Leaderland c.s.
1.6
Bij de beschikking van 3 februari 2015 heeft de Ondernemingskamer Hammerstein op eigen verzoek ontheven uit zijn functie van bestuurder en mr. W.G. van Hassel (hierna: Van Hassel) aangewezen als bestuurder van Leaderland c.s. In deze beschikking heeft de Ondernemingskamer voorts bepaald dat de aanwijzing van de bestuurder van kracht wordt vanaf het tijdstip dat naar het oordeel van Van Hassel voldoende financiële zekerheid voor zijn salaris en kosten is gesteld, het een en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 2.2 van die beschikking. Bij e-mailbericht van 11 februari 2015 heeft Van Hassel bericht dat een bedrag van € 36.300 op zijn bankrekening is bijgeschreven en dat zijn benoeming tot bestuurder op 11 februari 2015 is ingegaan.
1.7
Het verslag van het door de onderzoekers verrichte onderzoek met bijlagen (hierna: het onderzoeksverslag) is op 28 april 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd. Bij de op die dag gegeven beschikking heeft de Ondernemingskamer onder andere bepaald dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
1.8
Bij de beschikking van 5 juni 2015 heeft de Ondernemingskamer Van Hassel op eigen verzoek - nu naar zijn mening het werk als bestuurder hem onmogelijk werd gemaakt - uit de functie van bestuurder van Leaderland c.s. ontheven.
1.9
Bij de beschikking van 22 juli 2015 heeft de Ondernemingskamer mr. J.C. Jaakke (hierna: Jaakke) aangewezen als bestuurder van Leaderland c.s. en - mede gelet op hetgeen is overwogen in de beschikking van 5 juni 2015 - partijen verboden om ongevraagd met de tijdelijke bestuurder contact op te nemen, tenzij door tussenkomst van hun advocaat, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per overtreding met een maximum van € 1.000.000.
1.10
Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 26 juni 2015, heeft [A] de Ondernemingskamer verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verstaan dat is gebleken van wanbeleid bij Leaderland c.s., dat [B] , [C] en [D] daarvoor verantwoordelijk zijn, en in dat verzoekschrift nader weergegeven voorzieningen te treffen.
1.11
[C] , [B] en [D] hebben daarop verweerschriften ingediend en de Ondernemingskamer daarin tevens verzocht tot het instellen van nader onderzoek.
1.12
De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 19 november 2015. Bij die gelegenheid hebben de (toenmalige) advocaten de standpunten van partijen toegelicht. Van de onder 1.1 genoemde natuurlijke personen is alleen [A] in persoon ter terechtzitting aanwezig geweest.
1.13
Ter gelegenheid van die terechtzitting heeft mr. Peters namens [A] zijn verzoek aangevuld aldus dat hij de Ondernemingskamer voorts heeft verzocht om [B] en [C] bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding:
- a.
te verbieden Leaderland c.s. op enigerlei wijze in rechte te (doen) vertegenwoordigen en te pretenderen dat Jaakke of enig opvolgend door de Ondernemingskamer aan te wijzen bestuurder niet exclusief bevoegd zou zijn namens Leaderland c.s. op te treden;
- b.
te bevelen om “de Russische rechtbanken in eerste aanleg en in alle appelinstanties” te berichten als nader omschreven in de pleitnotities van mr. Peters;
- c.
een en ander onder verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 500.000 ineens en € 25.000 voor elke dag of dagdeel dat aan de veroordeling niet of niet volledig uitvoering wordt gegeven.
1.14
Ter terechtzitting heeft Jaakke namens Leaderland c.s. het verzoek van [A] ondersteund en verzocht [B] te verbieden gebruik te maken van volmachten en overeenkomsten op grond waarvan [B] Leaderland c.s. zou mogen vertegenwoordigen.
1.15
De advocaten van de overige partijen hebben ter terechtzitting verweer gevoerd tegen deze aanvullende verzoeken.
1.16
Bij brief van 19 november 2015 hebben mrs. Oosterhoff en Kamstra zich onttrokken als advocaten van [D] .
1.17
Op verzoek van partijen is een beslissing in deze zaak voor twee weken aangehouden. Bij e-mail van 2 december 2015 heeft Jaakke verzocht om deze zaak nogmaals twee weken aan te houden. Bij e-mail van 2 december 2015 heeft mr. Peters namens [A] verzocht om spoedig uitspraak te doen.
1.18
Bij brief van 17 december 2015 heeft mr. Peters laten weten niet langer op te treden voor [A] . Bij brief van 21 december 2015 heeft mr. Zee zich gesteld voor [A] en meegedeeld dat hij mrs. Peters en Hazenberg in deze zaak is opgevolgd als advocaat van [A] . Voorts heeft mr. Zee bij die brief meegedeeld dat tussen partijen op initiatief van Jaakke gesprekken plaatsvinden, en de Ondernemingskamer verzocht zo spoedig mogelijk uitspraak te doen om de reden dat “ vreest dat door [B] c.s. misbruik zal worden gemaakt van het tijdsverloop”.
1.19
De Ondernemingskamer zal thans uitsluitend beslissen op de in 1.13 en 1.14 weergegeven verzoeken.
2. De feiten
2.1
Voor zover hier van belang gaat de Ondernemingskamer uit van de volgende, deels in eerdere beschikkingen opgesomde, feiten.
2.2
[D] was tot zijn schorsing door de Ondernemingskamer bij de beschikking van 18 maart 2014 enig bestuurder van Leaderland c.s.
2.3
Op of omstreeks 31 mei 2013 heeft Leaderland TTM haar belang in OOO Soyuz Corporation (hierna: Soyuz Corporation) voor ongeveer een bedrag van € 268.000 overgedragen aan SC Investment Group BVBA. De aandelen in deze vennootschap worden voor 75% gehouden door [B] en voor 25% door [C] .
2.4
Bij overeenkomst van 31 juli 2013 heeft Leaderland TTM de aandelen in OOO Soyuz TTM (hierna: Soyuz TTM) overgedragen aan Soyuz Corporation voor een bedrag van ongeveerRUB 299 miljoen (omgerekend circa € 6.800.000).
2.5
Tussen [A] enerzijds en Soyuz Corporation en Leaderland c.s. anderzijds is in Rusland een gerechtelijke procedure aanhangig over de hiervoor vermelde verkoop van de aandelen in Soyuz TTM.
2.6
Bij uitspraak van 10 augustus 2015 heeft de “dertiende arbitragerechtbank van beroep” te Sint Petersburg in de met nummer A21-9225/2013 aangeduide zaak (hierna: de appelprocedure) de verkoop van aandelen in Soyuz TTM door Leaderland c.s. aan Soyuz Corporation ongeldig verklaard en teruglevering van de aandelen in Soyuz TTM bevolen.
2.7
[E] (hierna: [E] ) heeft op 14 augustus 2015 in naam van Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III bij het “Arbitragehof van het Noordwest arrondissement” te Sint Petersburg cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van 10 augustus 2015.
2.8
[B] heeft op 7 oktober 2015 in naam van Leaderland TTM bij het “Arbitragehof van het Noordwest arrondissement” te Sint Petersburg cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van 10 augustus 2015 (hierna tezamen met de onder 2.7 genoemde procedure: de cassatieprocedure).
2.9
In een e-mail van 15 oktober 2015 heeft Jaakke aan de advocaten van partijen onder meer het volgende meegedeeld:
“Mij is gebleken dat de heer [B] in Rusland namens Leaderland hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van 10 augustus jl. De heer [B] heeft daarbij gebruik gemaakt van een bedrieglijke volmacht in die zin dat hij zich heeft voorgedaan als voorzitter van een aandeelhoudersvergadering van Leaderland die op 3 juli jl is gehouden. Vervolgens is mij gebleken dat de heer [B] vorige week wederom namens Leaderland beroep in dezelfde zaak heeft ingesteld maar nu op basis van een vermeende (overeenkomst) gedateerd 1 februari 2013 tussen Leaderland en hem.
Gelet hierop en het feit dat betrokken raadslieden niet of onvoldoende afstand nemen van dit soort praktijken zal ik op dit moment geen energie meer steken in een regeling in der minne.
Om u aan te geven van welke andere praktijken sommigen in deze zaak zich bedienen gaat hierbij een deel van de email die ik onlangs van onze advocaten in Rusland heb ontvangen:
‘Please note that on 30 September 2015 my colleague ( ) was approached by a certain person, named Mr. Vorontcov, who said to be an agent from Federal Security Service (“FSB” in Russian) and asked him for cooperation in relation to (Jaakke). Mr. Vorontcov asked Sergei Karpushkin [zijnde één van bedoelde advocaten, toev. OK] to send you (Jaakke) the following letter, which Mr. Vorontcov typed on the paper in advance and gave to him:
“Currently I have clarified that the Russian Investigative Committee conducts pre-investigation check in respect Leaderland companies. On the basis of this pre-investigation check the Russian Investigative Committee will initiate a criminal proceeding related to a grave offence, since a large amount of falsified and fabricated documents has been found. Taking the above into consideration I must confess that I have negative attitude towards any kind of fraud and I hereby refuse to continue representation of (Leaderland c.s.)”.’
Vriendelijke groet, (Jaakke)”
2.10
De - Engelse vertaling - van (een van) de volmacht(en) die wordt vermeld in de hiervoor weergegeven e-mail van Jaakke luidt als volgt:
“POWER OF ATTORNEY
The Third of July the year Two Thousand and Fifteen
The city of Hilversum, The Netherlands
Leaderland TTM III B.V. (…) represented by Chairman of the General Shareholders Assembly (…) [B] (…), approved by the decision of the General Shareholders Meeting recorded in the minutes d/d the 3rd of July, 2015, hereby authorizes:
[F] (…),
( [E] ) (…),
jointly or each separately represent the Company’s interests and act on behalf of Leaderland TTM III B.V. in the Arbitration Court of Kaliningrad Region, as well as in the Thirteenth Arbitration Court of Appeal, the Federal Court of Arbitration of the Northwest District, the Supreme Court of the Russian Federation, with all the rights granted by law (…) including the rights (…) to make an appeal to higher courts (…).
This Power of Attorney is valid for a term of 1 (one) year (…)”
2.11
De Nederlandse vertaling van de overeenkomst van 1 september 2013 tussen Leaderland TTM en [B] , die wordt bedoeld in de hiervoor weergegeven e-mail van Jaakke (waarin kennelijk bij vergissing 1 februari 2013 als datum van de overeenkomst is vermeld), luidt onder meer als volgt:
“ ‘SOYUZ CORPORATION’
OFFICIËLE LEVERANCIER VAN HET KREMLIN VAN MOSKOU
OVEREENKOMST
over commerciële en juridische vertegenwoordiging en tot de verlening van juridische hulp
(…)
(Leaderland), zijnde een deelnemer van de Vereniging van commerciële organisaties Soyuz Corporation (…), verder ‘Vertegenwoordigde’ genoemd, vertegenwoordigd door ( [D] ) (…), en (…) ( [B] ), zijnde President van (…) Soyuz Corporation (…), verder ‘Vertegenwoordiger’ genoemd, (…) sloten deze overeenkomst (…) omtrent het volgende af:
(…)
2.4
Vertegenwoordigde verleent aan Vertegenwoordiger ten doel van het verlenen aan haar van juridische hulp op het grondgebied van de Russische Federatie bevoegdheid om haar belangen te beschermen in alle kwesties waarbij de belangen van Vertegenwoordigde zijn betrokken, (…). Er zijn geen speciale aanwijzingen van Vertegenwoordigde nodig om haar juridische hulp te verlenen. Vertegenwoordiger zal, terwijl hij bij het verlenen van juridische hulp redelijk en voorzichtig voor bescherming van belangen van Vertegenwoordigde zowel voor belangen van alle leden van de Corporatie handelt, zelfstandig handelen en naar zijn discretie het nodige volume van juridische hulp, kwesties en gevallen te bepalen waarin zulke juridische hulp nodig zal zijn. (…)”
2.12
Op grond van voormelde overeenkomst van 1 september 2013 heeft [B] namens Soyuz Corporation in een brief van 9 november 2015 aan “Borenius Attorneys” (hierna: Borenius) te Sint Petersburg getiteld “NOTIFICATION ON REVOCATION OF POWERS OF ATTORNEY” de eerder door Jaakke aan advocaten van Borenius verstrekte volmacht van procesvertegenwoordiging voor Leaderland c.s. herroepen. De brief sluit af met:
“Considering the above, you have no legal grounds to represent interests of (…) (Leaderland c.s.).
At the same time we inform you that because of fact of illegal occupation of property owned by Soyuz Corporation and submission fabricated documents to the court proceedings #A21-9225/2013 criminal proceedings was initiated under art. 159 part 4 of the Criminal Code of the Russian Federation.
Demand you not to assist those who intend to occupy assets of Soyuz Corporation LLC.”
2.13
In de in 2.8 hiervoor genoemde cassatieprocedure heeft op 11 november 2015 een zitting plaatsgevonden. De door [B] en [E] ingediende cassatieberoepschriften zijn door het Arbitragehof aanvaard. Er is reeds uitspraak gedaan, waarvan voor partijen ten tijde van de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek slechts het dictum kenbaar is.
3. De gronden van de beslissing
3.1
[A] heeft aan het in 1.13 weergegeven verzoek het volgende ten grondslag gelegd. [B] was, gelet op de eerder door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen, niet bevoegd een aandeelhoudersvergadering van Leaderland c.s. te beleggen. De aandeelhoudersbesluiten zijn ongeldig en [E] en [F] (hierna: [F] ) konden Leaderland c.s. dan ook niet vertegenwoordigen bij het instellen van het cassatieberoep en verdere proceshandelingen in de gerechtelijke procedure in Rusland. [A] heeft bij het openbaar ministerie in Nederland aangifte gedaan van deze gang van zaken.
3.2
Jaakke heeft het volgende gesteld. Na kennisneming van de door [B] aan [F] en [E] verstrekte volmachten - kort voor 15 oktober 2015, zie 2.9 hiervoor - heeft Jaakke bij de raadslieden van [B] om opheldering gevraagd. Zij hebben Jaakke bericht deze volmacht niet te kennen. [B] heeft hen daarover, naar hun zeggen, niet geïnformeerd, maar vervolgens hebben zij aan Jaakke bericht dat er een overeenkomst bestaat tussen Leaderland en Soyuz van 1 september 2013. Op grond van deze overeenkomst betwist Soyuz (lees: [B] ) het recht van Leaderland om in Rusland te procederen, aldus Jaakke. Jaakke meent dat [B] zich heeft bediend van valse volmachten en van een valselijk opgemaakte overeenkomst gedateerd 1 september 2013.
3.3
Tegen de verzoeken is ter terechtzitting als volgt verweer gevoerd. Mr. Jager heeft meegedeeld dat hij onbekend is met de gestelde gebeurtenissen in Rusland, dat hij [B] wel om opheldering heeft gevraagd met betrekking tot de volmachten en het instellen van cassatie, maar dat [B] zich onthoudt van enig commentaar onder verwijzing naar het lopende strafrechtelijk onderzoek. Mr. Jager heeft voorts meegedeeld dat de gevraagde onmiddellijke voorzieningen hem overvallen en heeft namens [B] verzocht deze af te wijzen. Namens [D] heeft mr. Oosterhoff betoogd dat deze verzoeken in strijd zijn met een goede procesorde en verzocht om deze verzoeken op een nader te bepalen terechtzitting te behandelen. Mr. Meijer heeft namens [C] opgemerkt dat partijen zich te houden hebben aan rechterlijke uitspraken. De hier aan de orde zijnde verzoeken zijn gebaseerd op verwijten aan [B] , niet aan [C] . Desgevraagd heeft mr. Meijer nog geantwoord dat van de zijde van [C] niet bij [B] om opheldering is gevraagd na kennisneming van de volmachten. Tot slot heeft mr. Meijer zich aangesloten bij het verweer van mr. Oosterhoff dat deze verzoeken in strijd zijn met een goede procesorde.
3.4
De Ondernemingskamer overweegt als volgt.
3.5
Reeds bij gebrek aan een begin van een (inhoudelijk) verweer - [B] onthoudt zich van enig commentaar - moet de gedocumenteerde beschrijving door Jaakke van de gang van zaken ten aanzien van de verlening en het gebruik van volmachten en van de gestelde overeenkomst van 1 september 2013, het instellen van cassatieberoep en de verdere proceshandelingen rondom de desbetreffende gerechtelijke procedure in Rusland vooralsnog voor juist worden gehouden. Wat Jaakke daaromtrent heeft aangevoerd, vindt grotendeels ook bevestiging in overgelegde producties. Aangenomen moet dus worden dat [B] zich, in strijd met de eerder door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen, gedurende de periode waarin zijn aandelen reeds ten titel van beheer aan Hammerstein waren overgedragen, jegens aan hem gelieerde personen ( [F] en [E] ) en jegens gerechtelijke instanties in Rusland heeft gepresenteerd als vertegenwoordiger van Leaderland c.s.
3.6
De Ondernemingskamer neemt daarom tot uitgangspunt dat de volmachtverlening door [B] niet rechtsgeldig is. [B] - hij is geen bestuurder en sinds de overdracht ten titel van beheer aan Hammerstein evenmin aandeelhouder van Leaderland c.s. - was niet bevoegd aandeelhoudersvergaderingen van Leaderland c.s. bijeen te roepen. [B] heeft Hammerstein niet verzocht tot het houden van enige aandeelhoudersvergadering, noch hem geïnformeerd over een aandeelhoudersvergadering, de aldaar genomen besluiten en de daaropvolgende verlening van volmachten. Ook de gevolmachtigden, [F] (echtgenote van [B] ) en [E] , moeten geacht worden van dat gebrek op de hoogte te zijn geweest. Zo zijn de eerdere beschikkingen van de Ondernemingskamer in deze zaak ten kantore van het handelsregister betreffende Leaderland c.s. neergelegd, en heeft [E] - zo heeft [A] onweersproken gesteld - ook al in de appelprocedure in Rusland (zie 2.6 hiervoor) - weliswaar, door tijdig ingrijpen van Hammerstein, vruchteloos - getracht namens Leaderland c.s. proceshandelingen te verrichten.
3.7
Voorts heeft de Ondernemingskamer er vanuit te gaan dat - overeenkomstig de ter zitting niet weersproken stelling van Jaakke - de overeenkomst van 1 september 2013 valselijk opgemaakt is. Hierbij heeft de Ondernemingskamer de volgende - mede door Jaakke aangevoerde - omstandigheden in aanmerking genomen:
- a.
In het kader van deze enquêteprocedure is [B] bij de beschikking van 11 juli 2014 bevolen de volledige administratie (als bedoeld in art. 2:10 BW) van Leaderland c.s. vanaf 1 januari 2012 te doen toekomen aan Van Haaren. In het daaropvolgende partijdebat over het al of niet door [B] verbeurd zijn van dwangsommen heeft [B] gesteld dat hij “alle administratie” aan Leaderland c.s. heeft overgedragen (zie 3.10 van de beschikking van 5 december 2014). De overeenkomst van 1 september 2013 zou onderdeel moeten uitmaken van de administratie van Leaderland c.s. (als bedoeld in art. 2:10 BW) nu Leaderland TTM daarbij partij is, maar [B] heeft niet weersproken dat deze overeenkomst niet behoort tot de door [B] overgelegde documenten.
- b.
In een e-mail van 29 september 2014 heeft [B] aan Van Haaren meegedeeld dat hij niet betrokken is bij de gerechtelijke procedure in Rusland, dat hij geen toegang heeft tot de documentatie daarover en dat die bij de door [D] benoemde advocaat ligt. De overeenkomst van 1 september 2013 voorziet echter juist in de betrokkenheid van [B] bij gerechtelijke procedures in Rusland waarbij Leaderland TTM als procespartij betrokken is of wordt.
- c.
In het kader van het verzoek van [B] aan de Ondernemingskamer om Van Haaren als bestuurder te vervangen door een andere persoon (zie 3.1 van de beschikking van 5 december 2014) heeft [B] geageerd tegen de door Van Haaren geïnitieerde vervanging van de Russische advocaten die voor Leaderland c.s. in rechte optraden door Borenius in de gerechtelijke procedure in Rusland. Had de overeenkomst van 1 september 2013 op dat moment daadwerkelijk bestaan dan had het zeer voor de hand gelegen dat [B] zich toen reeds in het licht van die discussie had beroepen op de overeenkomst van 1 september 2013 die juist ziet op (de bevoegdheid voor [B] om te beslissen over) vertegenwoordiging in juridische procedures in Rusland. Sommatie van [B] aan Borenius om “de pen neer te leggen” is gestoeld op de overeenkomst van 1 september 2013, terwijl die sommatie pas op 9 november 2015 is verstuurd (zie 2.12 hiervoor) en Borenius al in 2014 door Van Haaren was ingeschakeld.
In het licht van de hiervoor weergegeven correspondentie en proceshouding van [B] is het geenszins aannemelijk dat de overeenkomst daadwerkelijk is opgemaakt en ondertekend op 1 september 2013. Dat het bestaan van een dergelijke - aan [B] verstrekkende bevoegdheden verlenende - overeenkomst enige periode gedurende de gerechtelijke procedure in Rusland over de overdracht van de aandelen in Soyuz TTM aan de aandacht van [B] zou zijn ontsnapt, acht de Ondernemingskamer niet waarschijnlijk. Hierbij is voorts van belang dat zowel Leaderland als [B] partij zijn bij de gestelde overeenkomst en die mede is ondertekend door [B] .
3.8
Tot slot overweegt de Ondernemingskamer in dit verband nog dat ook indien wel van de geldigheid van de overeenkomst van 1 september 2013 zou moeten worden uitgegaan, het gebruik daarvan door [B] zonder medeweten van de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder en beheerder van aandelen, zich niet verdraagt met de eerder door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen en met de door [B] in acht te nemen redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 BW.
3.9
Aldus heeft [B] door te handelen als hij heeft gedaan, met voorbijgaan aan in het belang van Leaderland c.s. getroffen onmiddellijke voorzieningen, het belang van Leaderland c.s. geschaad, althans gepoogd dat te doen. Ten nadele van Leaderland c.s. heeft hij opzettelijk ten onrechte in naam van Leaderland c.s. louter ten gunste van de belangen van Soyuz Corporation en daarmee indirect van hemzelf gehandeld. De uitspraak in hoger beroep (zie 2.6) luidt voor Leaderland c.s. positief: het houdt de ongeldigheid in van de overdracht van de aandelen in Soyuz TTM aan Soyuz Corporation en het verplicht Soyuz Corporation tot teruglevering van die aandelen aan Leaderland c.s. Enig belang van Leaderland c.s. bij het instellen van cassatie tegen die uitspraak valt niet te onderkennen. Integendeel, door de uitspraak in cassatie is de uitkomst van deze procedure minst genomen op losse schroeven komen te staan. Alleen al de onduidelijkheid daarover is niet in het belang van Leaderland c.s.
3.10
De Ondernemingskamer acht het gelet op al het voorgaande in verband met de toestand van Leaderland c.s. noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening [B] te bevelen een ‘rectificatie’ te sturen aan alle bij de procedure betrokken gerechtelijke instanties in Rusland en - hoewel in de eerdere getroffen onmiddellijke voorzieningen reeds ligt besloten dat uitsluitend de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder vertegenwoordigingsbevoegd is - [B] uitdrukkelijk te verbieden op enigerlei wijze Leaderland c.s. te vertegenwoordigen. Tegen de achtergrond van al het voorgaande ziet de Ondernemingskamer voorts aanleiding om dit verbod en bevel te versterken met een dwangsom.
3.11
De Ondernemingskamer verwerpt het verweer dat de hier aan de orde zijnde verzoeken in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde. Mede gelet op de e-mail van 15 oktober 2015 van Jaakke aan de advocaten van partijen kan niet worden volgehouden dat [B] door de daaropvolgende verzoeken aan de Ondernemingskamer is overvallen. Gesteld noch gebleken is dat [B] als gevolg van een absolute verhindering niet ter terechtzitting is verschenen. Dat zijn advocaat niet inhoudelijk op de kwestie is ingegaan, dient voor rekening van [B] te blijven. [B] heeft niet concreet gesteld dat hij, indien het onderhavige verzoek op een later tijdstip zou worden behandeld, alsnog bereid en in staat is om inhoudelijk verweer te voeren.
3.12
Nu aan de verzoeken slechts het handelen van [B] ten grondslag is gelegd, en ook overigens onvoldoende is gesteld of gebleken dat [C] in dit verband een verwijt kan worden gemaakt, zullen de verzoeken voor zover die zijn gericht tegen [C] worden afgewezen.
3.13
[B] zal worden veroordeeld in de proceskosten van de zijde van [A] . Verder ziet de Ondernemingskamer aanleiding de kosten tussen de overige partijen te compenseren als hierna te vermelden.
4. De beslissing
De Ondernemingskamer:
beveelt [B] , bij wijze van onmiddellijke voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, om binnen tien (10) werkdagen na heden de onder 2.6, 2.7 en 2.8 hiervoor genoemde en alle overige gerechtelijke instanties in Rusland die zijn of worden betrokken bij het tussen [A] , Leaderland c.s. en Soyuz Corporation aanhangige geschil als bedoeld onder 2.5 hiervoor, te berichten als volgt (in het Russisch, vertaald door een beëdigd vertaler):
“Edelachtbare rechters,
Op bevel van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, Koninkrijk der Nederlanden, gegeven bij de beschikking van 17 februari 2016, bericht ik u dat alleen de door de Ondernemingskamer aangewezen tijdelijk bestuurder bevoegd is Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. in en buiten rechte te vertegenwoordigen en te bepalen welke advocaten bevoegd zijn in rechte voor een van bovengenoemde vennootschappen op te treden. Thans is de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder mr. J.C. Jaakke en door hem zijn als advocaat aangesteld een of meer medewerkers van het kantoor Borenius. In strijd met het bovenstaande heb ik eerder bericht dat [F] , [E] en ik bevoegd zijn namens een of meer van de genoemde vennootschappen in rechte het woord te voeren en proceshandelingen te verrichten. Mijn eerdere bericht is dan ook onjuist en neem ik hierbij terug.
Hoogachtend, [B]”,
met gelijktijdige bezorging van een kopie van deze brief aan de advocaten van de overige partijen bij deze enquêteprocedure;
bepaalt dat [B] deze brief via DHL dient te verzenden, met bewijs van aflevering, en beveelt [B] binnen een werkdag na verzending respectievelijk binnen een werkdag na ontvangst van de afleveringsbevestiging een (elektronische) kopie van het bewijs van verzending respectievelijk een (elektronische) kopie van het bewijs van aflevering aan de advocaten van de overige partijen bij deze enquêteprocedure te verstrekken;
verbiedt [B] , bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding, uitvoerbaar bij voorraad,
a. Leaderland c.s. op enigerlei wijze, in of buiten rechte te (doen) vertegenwoordigen,
b. jegens wie of welke instantie dan ook een dergelijke bevoegdheid te pretenderen en
c. jegens wie of welke instantie dan ook de zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid van de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder in twijfel te trekken;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250.000 ineens, te vermeerderen met € 50.000 voor elke dag of dagdeel dat aan voormeld bevel of verbod niet of niet volledig uitvoering wordt gegeven, een en ander met een maximum van€ 10.000.000;
veroordeelt [B] in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [A] begroot op € 2.099, en compenseert de overige kosten van het geding aldus dat ieder zijn eigen kosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter,mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en G.A. Cremers en dr. P.M. Verboom, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 17 februari 2016.