Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/4.2.3
4.2.3 Onverwacht voordeel
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS590830:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin ook Hijma 1995, p. 60-61. Hijma merkt terecht op dat het al te zwaar gaan drukken van de prestatieplicht soms door 'anders geaarde moeilijkheden' wordt veroorzaakt. Deze moeilijkheden kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in het feit dat als gevolg van onvoorziene omstandigheden de in verband met het contract te plegen uitgaven het met die uitgaven beoogde doel moeten missen. Als klassiek voorbeeld hiervan mogen dienen de uit de Engelse rechtspraak bekende coronation cases (Krell v Henry [1903] 2 K.B. 740 [1], Chandler v Webster [1904] 1 KB 493, Herne Bay Steamboat Co v Hutton [1903] 2 K.B. 683 [2], Hobson v Pattenden & Co (1903) 19 TLR 186, Clark v Lindsay (1903) 19 TLR 202. Griffith v Brymer (1903) 19 TLR 434. Deze zaken hadden betrekking op personen die met het oog op de honing van Edward VII op 26 juni 1902 accommodaties hadden gehuurd langs de route, die bij de feestelijkheden zou worden gevolgd. De aspirant-koning werd echter ziek en de kroningsplechtigheid werd uitgesteld tot augustus van dat jaar. Om in zo'n geval te zeggen dat de kosten van de prestatie zijn verhoogd of de waarde van de tegenprestatie is gedaald, is, om de woorden van Hijma te gebruiken, 'indirect — ja geforceerd te noemen'. Zie over de zaak Krell v Henry ook Cartwright 2007, p. 240.
Vgl. over de situatie onder het oude BW Peletier 1999, p. 91, HR 16 januari 2004, NI 2004, 164 en, met verwijzing naar verdere jurisprudentie, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 439-440.
HR 12 juni 1987, NI 1988, 150.
Vgl. Memelink 2009, p. 220-222.
Het leerstuk van de imprévision heeft niet enkel betrekking op het intreden van financieel nadelige omstandigheden, zoals een verhoging van de kosten of een vermindering van de waarde van de tegenprestatie.1 Ook een onverwacht voordeel voor één der partijen kan met zich brengen dat ongewijzigde instandhouding van het overeengekomene niet mag worden verwacht. In dit kader valt te wijzen op het bekende (en nog onder het oude BW gewezen)2 arrest Kriek/Smit.3 Deze zaak had betrekking op een na echtscheiding ingestelde vordering van een ex-echtgenote tot betaling van een aandeel in de waardevermeerdering van achtereenvolgende echtelijke woningen, in eigendom toebehorend aan de man en destijds gedeeltelijk betaald met geld van de vrouw. Op grond van het door beide echtelieden in gelukkiger tijden gekozen huwelijksgoederenregime (koude uitsluiting) had de vrouw enkel recht op teruggave van het destijds door haar gefourneerde bedrag en niet op enig aandeel in de opgetreden waardevermeerdering. De vrouw stelde zich echter op het standpunt dat zij dit recht in casu wél had en baseerde haar vordering te dien aanzien op de goede trouw. De Hoge Raad oordeelde daarover als volgt:
"Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen, strekt een vergoedingsrecht als daar bedoeld in beginsel tot terugbetaling van een gelijk bedrag als destijds ten laste van de ene echtgenoot voor de fmanciering van het goed op naam van de andere echtgenoot is gebezigd. Uitzonderingen op grond van de eisen van de goede trouw zijn evenwel niet geheel uitgesloten. In het bijzonder kan, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, een uitzondering op haar plaats zijn in een geval waarin de betreffende gelden zijn gebruikt voor de aankoop van de echtelijke woning en vervolgens door ten tijde van die aankoop niet voorziene omstandigheden, zoals de ontwikkeling van de Nederlandse onroerend goed-markt sedert die aankoop, een zo aanzienlijke waardevermeerdering van die woning heeft plaatsgevonden dat bij gebreke van enige correctie het gevolg daarvan zou zijn dat bij het uiteengaan van pp. als gevolg van echtscheiding het evenwicht tussen de vordering van de ene partij tot terugbetaling van de destijds verschafte, nadien in koopkracht verminderde geldsom en het uitzonderlijk gunstige resultaat van de belegging daarvan, dat aan de andere partij ten goede komt, geheel zou zijn verbroken. Daarbij zal het aankomen op de vraag of de betreffende onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de echtgenoot op wiens naam het huis staat, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten dat hij met de enkele teruggave van het destijds ter beschikking gestelde bedrag zonder enige verrekening van de waardevermeerdering van de woning kan volstaan."
De reikwijdte van deze uitspraak moet denkelijk in beginsel tot meer huiselijke aangelegenheden, althans tot de kring van niet-professionele contractanten beperkt worden geacht. Redelijkheid en billijkheid zullen zich er mijns inziens doorgaans tegen verzetten dat ook professionele partijen er via de weg van onvoorziene omstandigheden aanspraak op kunnen maken om mee te delen in een onverwacht voordeel van de contractuele wederpartij. Onder meer het in de redelijkheid en billijkheid (vgl. art. 3:12 BW) werkzame risicobeginsel en het beginsel van trouw aan het eens gegeven woord staan daaraan, mede in het licht van de professionele hoedanigheid van partijen, in de regel in de weg. Ook de (in de handel levende)4 verkeersopvattingen zullen denkelijk veelal met zich brengen dat een onverwachte meevaller voor één der contractspartijen niet met de andere contractspartij behoeft te worden gedeeld (vgl. art. 6:258 lid 2 BW).