25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/12.5:12.5 Conclusie
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/12.5
12.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. H. Tolsma, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. H. Tolsma
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
R.J.N. Schlössels, De belanghebbende, Deventer: Kluwer 2004, p. 20-24.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de toekomst zou uit jurisprudentie duidelijk moeten blijken dat de correctie op het persoonlijk belang enkel wordt toegepast als evident sprake is van verwaarloosbare hinder. Als via het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ te hoge eisen worden gesteld aan de feitelijke effecten, is de vraag of nog goed wordt aangesloten bij de huidige invulling van het belanghebbendebegrip, waarin nog steeds het doel van rechtmatigheidscontrole van besluiten (recours objectif) tot uitdrukking komt. Aantasting van (fundamentele) rechten is niet vereist. Weliswaar heeft de Awb-wetgever gekozen voor individuele rechtsbescherming (recours subjectif) als primaire functie van het bestuursprocesrecht, maar daarmee is niet beoogd om ook het belanghebbendebegrip te subjectiveren.1 Ook past een uitgebreide beoordeling van feitelijke effecten bij de afbakening van de kring van belanghebbenden niet goed bij een stelsel van bestuursprocesrecht dat zich kenmerkt door laagdrempeligheid en relatief lage kosten (beginsel van toegankelijke rechtsbescherming, artikel 6 EVRM).
In de toekomst zou in de jurisprudentie het belanghebbendebegrip niet gepasseerd moeten worden vanwege een zaakoverstijgend maatschappelijk juridisch belang dat in het geschil aan de orde is of om proceseconomische redenen. De Awb biedt die ruimte eenvoudigweg niet. Om de spanning van de behandeling van bovenindividuele geschillen binnen het op individuele rechtsbescherming geënte bestuursprocesrecht op te lossen, zullen andere wegen verkend moeten worden. Ook certificering van bovenindividuele belangenbehartigers zou daarbij een rol kunnen spelen, maar vereist naar mijn oordeel wel een empirische onderbouwing van het probleem dat daarmee wordt opgelost. Tot slot zou in geval van een partijstellingsfout de bestuursrechter in de toekomst de indiener van het rechtsmiddel de gelegenheid moeten geven om de fout te herstellen. Dat sluit aan bij het huidige bestuursprocesrecht waarbij het steeds meer gaat om individuele geschilbeslechting.