NJ 2018/371
Bevoegdheidsverdeling tussen rechter en minister of gouverneur bij beroep op (dreigende) mensenrechtenschendingen in uitleveringsprocedures.
HR 04-09-2018, ECLI:NL:HR:2018:1426
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
4 september 2018
- Magistraten
Mrs. J. de Hullu, M.J. Borgers, M.T. Boerlage
- Zaaknummer
17/04352 UA
- Conclusie
plv. A-G D.J.M.W. Paridaens
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS124579:1
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Uitlevering en overlevering
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2018:1426, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 04‑09‑2018
ECLI:NL:PHR:2018:735, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑07‑2018
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑05‑2018
- Wetingang
Essentie
Bevoegdheidsverdeling tussen rechter en minister of gouverneur bij beroep op (dreigende) mensenrechtenschendingen in uitleveringsprocedures. Het Gemeenschappelijk Hof heeft kennelijk geoordeeld dat hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd ter zake van een voltooide schending van art. 6 EVRM en een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM, niet tot de conclusie kan leiden dat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat dit verweer niet ter beoordeling van het hof staat. Gelet op de bevoegdheidstoedeling aan de rechter en de Gouverneur geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Partij(en)
Arrest ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.