Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.3.5.1
3.3.5.1 Bekrachtiging
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS475619:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:58 lid 1 BW. Voor het “als geldig hebben aangemerkt” is voldoende dat de onmiddellijk belanghebbenden zich (in het tijdvak tussen het verrichten van de rechtshandeling en de vervulling van een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste) niet op de nietigheid hebben beroepen of zich hebben gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van de desbetreffende rechtshandeling, zo volgt uit HR 28 november 2014, JOR 2015/26, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Snippers q.q./Rabobank Noord Gooiland).
TM en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 248.
Fusie en splitsing zijn rechtshandelingen volgens de definities van art. 2:309 respectievelijk 2:334a lid 2 en 3 BW.
TM en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 248 en 250; VC II Inv, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1252. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/146; Snijders & Rank-Berenschot 2012/406; en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/660. De terugwerkende kracht van bekrachtiging van een door een onbevoegde vertegenwoordiger volgt daarentegen wel met zoveel woorden uit de wettekst. Zie art. 3:69 lid 1 BW.
W. Snijders 2003, p. 700. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/664, waar de terugwerkende kracht wordt gefundeerd op het vereiste van ‘als geldig aanmerken’ en de verwachtingen van de betrokken belanghebbenden.
Hijma 1988, p. 364-365, 371-372 en 385-386. Zie ook Potjewijd 2002, p. 90.
Hijma 1988, p. 367-368. Zie hierover ook W. Snijders 2003, p. 700-702.
Zie bijv. Schoordijk 1986a, p. 337-338; Hijma 1988, p. 374-375; Potjewijd 1998, p. 236-238; Potjewijd 2002, p. 90; en Peter 2007, p. 210-212.
Tegen het onderscheiden van bekrachtiging en convalescentie, althans het verbinden van verschillende rechtsgevolgen daaraan, zijn W. Snijders 2003, p. 699; en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/661.
Zie onder anderen Potjewijd 2002, p. 90.
Zwalve 2003, p. 52-53; en Potjewijd 2002, p. 90. Kritisch over deze ‘logica’ is W. Snijders 2003, p. 698.
Hijma 1988, p. 379. De voorstanders van een ex nunc werkende convalescentie beroepen zich daarnaast op het Duitse recht. Indien een beschikking wordt geheeld op grond van § 185 lid 2 BGB doordat de vervreemder alsnog het goed verkrijgt, heeft dit namelijk geen terugwerkende kracht. Vgl. onder anderen Hijma 1988, p. 383-384; en Schoordijk 1986a, p. 338. Door W. Snijders 2003, p. 698, wordt echter terecht erop gewezen dat het stelsel van art. 3:58 BW niet gelijk is aan het Duitse stelsel.
HR 28 april 1989, NJ 1990/252, m.nt. WMK (Puinbreekinstallatie).
Peter 2007, p. 211-212, met verdere verwijzingen.
Vgl. W. Snijders 2003, p. 698-702.
Art. 3:86 en 3:88 BW.
Zo ook W. Snijders 2003, p. 700.
MvT en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1174-1175. Vgl. Hijma 1988, p. 364-365 en 386. Volgens Hijma kan terugwerkende kracht slechts worden aanvaard voor zover de positie van derden die inmiddels op basis van de werkelijke rechtstoestand een recht hebben verkregen daarvan geen nadeel ondervindt.
Zo wordt algemeen aangenomen dat de bekrachtiging niet (ten nadele) werkt van de faillissementsboedel van de vervreemder. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/664.
64. Een nietige rechtshandeling kan krachtens art. 3:58 lid 1 BW alsnog haar geldigheid verkrijgen, indien na het verrichten van een rechtshandeling een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt vervuld. Indien alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op het gebrek hadden kunnen beroepen de handeling als geldig hebben aangemerkt in het interim tussen de handeling en de vervulling van het ontbrekende vereiste, is de rechtshandeling bekrachtigd.1 Toegepast op een verkrijging valt onder meer te denken aan de levering van een goed door een beschikkingsonbevoegde. Verkrijgt de vervreemder naderhand alsnog beschikkingsbevoegdheid over het geleverde, dan wordt aldus aan het voor overdracht ontbrekende vereiste voldaan.2 Ook een aanvankelijk titelof leveringsgebrek kan door herstel van het gebrek leiden tot bekrachtiging van de overdracht. Daarnaast kan bekrachtiging toepassing vinden op een andersoortige verkrijging dan door overdracht. Het zal in die gevallen niettemin een verkrijging moeten betreffen die door een rechtshandeling tot stand komt, zoals bijvoorbeeld de verkrijging van goederen ten gevolge van een fusie of splitsing van rechtspersonen.3
Hoewel dit in de wettekst niet tot uitdrukking komt, heeft bekrachtiging terugwerkende kracht tot het ogenblik waarop de nietige rechtshandeling werd verricht.4 In het hiervoor gegeven voorbeeld van een levering door een beschikkingsonbevoegde, heeft bekrachtiging van deze overdracht tot gevolg dat zij wordt geacht steeds geldig te zijn geweest. De verkrijger heeft het goed – achteraf bezien – met de levering verkregen. De terugwerkende kracht van bekrachtiging hangt volgens W. Snijders vooral samen met de omstandigheid dat de onmiddellijk belanghebbenden de rechtshandeling in de periode tussen de aanvankelijk nietige rechtshandeling en de latere vervulling van het ontbrekende vereiste als geldig hebben beschouwd. Het ligt voor de hand dat in die tijdsruimte van alles is gebeurd. De strekking van de terugwerkende kracht is om ter wille van de rechtszekerheid dit in stand te laten en de betrokken belanghebbenden niet bloot te stellen aan allerlei ongedaanmakingsverbintenissen. Dit zou strijdig zijn met het kennelijke verwachtingspatroon van de betrokkenen. De gedachte is – en bij die gedachte sluit ik mij graag aan – dat het geen goede zin meer heeft om het verleden overhoop te halen, indien het ontbrekende vereiste alsnog is vervuld. De terugwerkende kracht levert zo een wezenlijke bijdrage aan een belangrijke doelstelling van het huidige vermogensrecht: de relativering van nietigheden.5
65. De terugwerkende kracht van bekrachtiging is echter niet onomstreden. Zo zou terugwerkende kracht slechts zijn gerechtvaardigd indien de vervulling van het ontbrekende vereiste geschiedt met de strekking om de rechtshandeling ex tunc te helen.6 Een verdere beperking ligt volgens Hijma in de aard van het geschonden wettelijk vereiste. Heeft het vereiste een ‘specifieke temporele lading’, wat wil zeggen dat het rechtsgevolg niet eerder zal intreden dan dat aan het vereiste is voldaan, dan verzet het karakter van het betrokken vereiste zich tegen het aannemen van terugwerkende kracht. Deze temporele geladenheid speelt volgens Hijma vooral bij vereisten met een publicitair karakter, zoals de inschrijving van een notariële leveringsakte bij de overdracht van registergoederen of de mededeling aan de debiteur bij de openbare cessie.7 In het bijzonder wordt de terugwerking betwist indien het ontbrekende vereiste wordt vervuld door een bloot rechtsfeit.8 Dit geval pleegt men, ter onderscheiding van een bekrachtiging door een handeling, ook wel aan te duiden met het (buitenwettelijke) begrip convalescentie.9 Hieronder valt bovenal het geval van een ongeldige overdracht wegens beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, waarbij de ontbrekende beschikkingsbevoegdheid over het geleverde goed op een later moment alsnog wordt verkregen. De overdracht zou in dit geval niet met terugwerkende kracht, maar slechts ex nunc alsnog geldig worden. Hiervoor wordt een aantal argumenten aangedragen. Convalescentie zou geen terugwerkende kracht kunnen hebben, omdat een bloot rechtsfeit naar zijn aard geen ‘terugwerkende pretentie’ heeft.10 Bovendien zou terugwerking van convalescentie niet sporen met de juridische logica. Het recht zou namelijk niet kunnen impliceren dat iemand reeds beschikkingsbevoegd was op een tijdstip waarop hij volgens datzelfde recht beschikkingsonbevoegd was.11 Hiermee houdt het argument verband dat het toekennen van terugwerkende kracht in strijd zou zijn met het nemo plus-beginsel.12 Daarnaast wordt in de rechtspraak van de Hoge Raad een bevestiging gelezen van de ex nunc-werking van bekrachtiging in deze gevallen. Deze bevestiging wordt gevonden in één woord in een passage uit het arrest Puinbreekinstallatie, een arrest gewezen onder de vigeur van het oude burgerlijk recht en waarin geanticipeerd lijkt te worden op het huidige art. 3:58 BW.13
In februari 1980 wordt een mobiele puinbreekinstallatie door Bristar verkocht en geleverd onder eigendomsvoorbehoud aan Moesbergen. Kort daarop levert Moesbergen deze installatie fiduciair aan zijn financier NMB. In juni 1982 betaalt Van Essen een deel van de resterende koopprijs waarbij Bristar, Moesbergen en Van Essen verklaren dat Van Essen voor 55% mede-eigendom van de installatie verkrijgt. Wanneer uiteindelijk NMB de installatie verkoopt, maakt Van Essen aanspraak op zijn aandeel van de koopprijs. Het cassatieberoep slaagt, mede omdat onduidelijk was of het hof ten onrechte ervan was uitgegaan dat Bristar haar voorbehouden eigendom niet (voor 55%) aan Van Essen kon overdragen. Enkele van de overige cassatieklachten veronderstelden dat Bristar geen eigendom had overgedragen, maar slechts jegens Moesbergen een deel van haar voorbehouden eigendom had prijsgegeven. De Hoge Raad merkt in r.o. 3.4 over een van deze klachten op dat zij “miskent dat, zo door een zodanige prijsgave de eigendom voor dit percentage aan Moesbergen is toegevallen, die eigendom toen voor ditzelfde percentage is overgegaan op NMB, omdat […] de verkrijging door Moesbergen bekrachtiging tot gevolg had van de eigendomsoverdracht tot zekerheid door Moesbergen aan NMB, welke overdracht op 15 febr. 1980 in verband met het toen bestaande, aan NMB niet bekende eigendomsvoorbehoud van Bristar onbevoegd had plaatsgevonden” (cursivering, BAS). Uit het gebruik van het gecursiveerde woord “toen” wordt wel afgeleid dat de Hoge Raad geen terugwerkende kracht wilde toekennen aan de bekrachtiging van de fiduciaire overdracht aan NMB.14 Het ligt echter niet voor de hand om veel gewicht toe te kennen aan deze woordkeuze. Het eventuele tijdstip waarop NMB de fiduciaire eigendom had verkregen speelde in de zaak nauwelijks een rol van betekenis.
Mijns inziens overtuigen de aangevoerde argumenten onvoldoende om van de uitdrukkelijke zienswijze van de wetgever af te wijken.15 Dat de rechtvaardiging voor de terugwerkende kracht afhankelijk is van de terugwerkende strekking van de bekrachtigingshandeling en dat in dit verband een onderscheid moet worden gemaakt tussen bekrachtiging en convalescentie, vindt onvoldoende steun in de wet en de parlementaire geschiedenis. Ook het appel op de juridische logica is niet dwingend. Kan men niet met evenveel “juridische logica” beweren dat het inherent is aan de constructie van terugwerkende kracht dat het recht – achteraf bezien – op een zeker tijdstip een bepaalde toestand aanneemt, die zij eerder nog ontkende? Wat betreft de doorbreking van het nemo plus-beginsel geldt dat het recht wel meer uitzonderingen op dit beginsel kent, zoals de bescherming van verkrijgers te goeder trouw tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder.16 De terugwerkende kracht van bekrachtiging is pas bezwaarlijk als zij derden tegen hun wil zou beroven van in de tussentijd geldig verkregen rechten. Aan dit bezwaar wordt echter tegemoetgekomen door het derde lid van art. 3:58 BW, op grond waarvan deze rechten worden geëerbiedigd.17 Deze – enigszins cryptisch geformuleerde – bepaling relativeert in belangrijke mate de in het eerste lid van het artikel gestelde eis dat alle onmiddellijk belanghebbenden de rechtshandeling als geldig hebben aangemerkt. De bepaling beoogt buiten twijfel te stellen dat bekrachtiging ook mogelijk is indien derden inmiddels een met de rechtshandeling onverenigbaar recht hebben verkregen. Men kan denken aan de gevallen van een aanvankelijk nietige overdracht, waarbij het desbetreffende goed door de vervreemder vervolgens geldig wordt bezwaard met een beperkt recht of door een van zijn schuldeisers wordt beslagen, voordat het voor overdracht ontbrekende vereiste alsnog wordt vervuld. Men kan moeilijk volhouden dat in deze gevallen de beperkt gerechtigde en de beslagleggende schuldeiser de overdracht “als geldig hebben aangemerkt”. Dat is op grond van art. 3:58 lid 3 BW ook niet nodig. Mits de verkregen rechten worden geëerbiedigd, kan bekrachtiging van de rechtshandeling plaatsvinden. In de bepaling zit daarmee een belangrijke beperking in de rechtsgevolgen van de terugwerkende kracht van bekrachtiging: de nietige rechtshandeling verkrijgt door bekrachtiging niet alle rechtsgevolgen die zouden zijn ingetreden indien zij terstond geldig was verricht.18
66. Dit leidt tot de slotsom dat indien een ongeldige rechtshandeling strekkende tot overgang van een goed, zoals een overdracht, alsnog door bekrachtiging haar geldigheid verkrijgt, de verkrijger het goed met terugwerkende kracht heeft verworven op het moment van het verrichten van de rechtshandeling. De terugwerkende kracht gaat echter niet zover dat de verkrijger kan voorbijgaan aan de rechten die in de tussentijd geldig door derden zijn verkregen op het goed. Is in de periode voor de bekrachtiging het goed bezwaard met een beperkt recht of voorwerp van een individueel of collectief beslag, dan verwerft de verkrijger het goed in beginsel onder de last van deze rechten.19