Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/107
107 Geen voorlopig getuigenverhoor bij een vordering benadeelde partij
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453414:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Niet te voorkomen is, dat een slachtoffer in zijn verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor aanvoert voornemens te zijn een civiele schadevergoedingsactie in te stellen, terwijl hij dat in werkelijkheid niet van plan is en zich slechts wil voegen in de strafzaak. Zolang echter geen aanwijzingen bestaan dat de informatie in het voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van de strafzaak wordt verzameld, moet het verzoek worden behandeld als ieder ander verzoek ten behoeve van een civiele zaak (en in beginsel worden toegewezen). De informatie verkregen in een voorlopig getuigenverhoor kan vervolgens ten behoeve van de voegingszaak worden gebruikt (art. 334 lid 1 Sv laat het overleggen van stukken tijdens de terechtzitting toe).
Kamerstukken II 2007-08, 30143, nr. 16 (Amendement van de leden Wolfsen en Teeven).
De benadeelde partij mag wel stukken overleggen en vragen stellen aan in de strafzaak voorgebrachte getuigen, maar zowel de stukken als de vragen moeten betrekking hebben op de door de benadeelde geleden schade (art. 334 lid 1 en 2 Sv). Langemeijer 2010, p. 91-93.
Sas 2010, p. 84-85.
HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8000, waarover Sas 2012, p. 52.
Aangezien de procedure waarin de vordering van de benadeelde partij wordt behandeld een strafprocedure is, is het niet mogelijk in het kader van deze procedure een voorlopig getuigenverhoor toe te staan. Een gemis is dit echter niet.
Ten eerste staat het een rechtzoekende vrij om zich niet te voegen als benadeelde partij in de strafprocedure, maar een aparte civiele procedure te beginnen. In beginsel zal een voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van een dergelijke procedure worden toegestaan, tenzij een rechtzoekende het voorlopig getuigenverhoor in werkelijkheid wil gebruiken ten behoeve van een voegingprocedure voor de strafrechter (vgl. nr. 91-92). Een voorlopig getuigenverhoor kan immers alleen worden toegestaan met het oog op een procedure voor de burgerlijke rechter.1
Ten tweede zal, indien een benadeelde partij zich wil voegen in de strafzaak, een voorlopig getuigenverhoor vaak niet nodig zijn. Het strafdossier zal meestal voldoende gegevens bevatten om de vordering te kunnen beoordelen en bij de benadeelde partij zal doorgaans dan ook geen behoefte bestaan aan het verzamelen van nader (getuigen)bewijs. Bovendien moet het volgens de wetgever mogelijk zijn een enkele getuige te doen horen ten behoeve van de schadevergoedingsvordering, zonder dat de rechter daarin een aanleiding ziet om ‘onevenredige belasting’ aan te nemen.2 De vraag is wel hoe deze aanwijzing van de wetgever zich verhoudt tot art. 334 lid 1 Sv, inhoudende dat de benadeelde partij zelf geen getuigen ter terechtzitting mag aanbrengen.3 Volgens Sas heeft de benadeelde partij weliswaar geen ‘recht’ om getuigen te doen horen, maar zou de officier van justitie welwillend moeten staan tegenover een verzoek van de benadeelde partij om een getuige voor de zitting op te roepen of in het vooronderzoek te laten horen.4 Als echter een dergelijk verzoek wordt afgewezen, staat tegen dat oordeel geen cassatieberoep open.5