Tuchtcommissie Banken, 30-11-2016, nr. TRB-2016-3536
ECLI:NL:XX:2016:197
- Instantie
Tuchtcommissie Banken
- Datum
30-11-2016
- Magistraten
Mrs. M. Jurgens, A.P.M. van Rijn, J.L.S.M. Hillen, R.K. Pijpers, F.B. Demenint
- Zaaknummer
TRB-2016-3536
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:XX:2016:197, Uitspraak, Tuchtcommissie Banken, 30‑11‑2016
Uitspraak 30‑11‑2016
Mrs. M. Jurgens, A.P.M. van Rijn, J.L.S.M. Hillen, R.K. Pijpers, F.B. Demenint
Partij(en)
Beslissing Tuchtcommissie ex art. 3.9.1 Tuchtrechtreglement Bancaire Sector van 30 november 2016 inzake
DE ALGEMEEN DIRECTEUR, J. Brouwer,
benoemd door Stichting Tuchtrecht Banken,
KLAGER,
gemachtigden: dhr. mr. M.A. van der Lecq en mw. mr. C. Verboom-Kortlever,
tegen
de heer [verweerder],
werkzaam geweest bij [bank].,
VERWEERDER.
1. Het verloop van de procedure
1.1.
Op 5 februari 2016 heeft [bank] (verder: de bank) een onderzoeksrapport aan klager verzonden. Dit onderzoeksrapport heeft betrekking op de heer [verweerder] (verder: verweerder).
1.2.
De Algemeen Directeur van de Stichting Tuchtrecht Banken (verder: klager) heeft naar aanleiding van voornoemde melding een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een klachtrapport dat bij brief van 2 juni 2016 aan de secretaris van de Tuchtcommissie is gezonden.
1.3.
Bij brief van 27 juni 2016 is het klachtrapport door de secretaris van de Tuchtcommissie aan verweerder gezonden. In deze brief is aan verweerder een termijn gesteld voor het voeren van schriftelijk verweer. Verweerder heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
1.4.
De Tuchtcommissie heeft de klacht behandeld ter vergadering van 5 oktober 2016, waar zijn verschenen — aan de zijde van klager — gemachtigden mr. M.A. van der Lecq en mw. mr. C. Verboom-Kortlever.
1.5.
Verweerder is ter vergadering niet verschenen.
1.6.
Klager heeft op genoemde vergadering het in het klaagschrift ingenomen standpunt nader toegelicht.
2. De vaststaande feiten
Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter vergadering stelt de Tuchtcommissie het volgende vast.
2.1.
Verweerder was vanaf 5 mei 2014 werkzaam bij de bank.
2.2.
Verweerder heeft op 2 juni 2015 de bankierseed als bedoeld in de Regeling eed of belofte financiële sector 2015 afgelegd.
2.3.
Op 14 augustus 2015 is door een zakelijke klant van de bank een geldbedrag van € 2.450 overgemaakt naar een bankrekening van verweerder. Dit geldbedrag was niet bestemd voor verweerder maar voor de verhuurder van een pand dat door de klant werd gehuurd. Verweerder is door de klant van de bank verzocht om het geld terug te storten. Nadat door het fraudeloket van de bank een onderzoek was ingesteld, heeft verweerder het geldbedrag op 8 oktober 2015 teruggestort.
3. De klacht en de standpunten van partijen
3.1.
De klacht houdt in dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de artikelen 1, 4 en 6 van de aan de bankierseed verbonden gedragscode. Klager voert kort samengevat ter onderbouwing van de klacht het volgende aan. Verweerder heeft een geldbedrag op zijn rekening ontvangen, dat niet voor hem bestemd was. Het geld is naar zijn rekening overgeboekt door de vriendin van verweerder, die werkzaam was bij de klant van de bank. Verweerder had deze overboeking zo spoedig mogelijk moeten herstellen, omdat voor hem duidelijk was dat het bedrag niet voor hem bestemd was. Dit heeft verweerder nagelaten. In plaats daarvan heeft verweerder het geldbedrag in delen overgeboekt naar andere bankrekeningen, onder meer naar de bankrekening van zijn vriendin. Verweerder heeft erkend dat hij het geldbedrag zo spoedig mogelijk had moeten terugboeken, maar hij heeft dit pas op 8 oktober 2015 gedaan. Deze omstandigheden wekken de indruk dat verweerder samen met zijn vriendin heeft getracht het onterecht ontvangen geldbedrag te verduisteren. Verweerder heeft evenmin openheid van zaken gegeven over zijn gedrag terwijl dat van hem mocht worden verwacht.
3.2.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een reactie te geven op het onderzoek dat door klager is uitgevoerd. Evenmin heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Verweerder is niet verschenen op de vergadering.
4. De beoordeling
De Tuchtcommissie overweegt als volgt.
4.1.
De Tuchtcommissie dient, gelet op artikel 3.7.2 van het Tuchtrechtreglement Bancaire Sector (hierna: het Tuchtreglement), allereerst te beoordelen of klager in de klacht kan worden ontvangen. Artikel 3.7.2 van het Tuchtreglement luidt als volgt:
‘(…) De Tuchtcommissie toetst de ontvankelijkheid van de Klacht onder meer aan de hand van de volgende criteria:
- a.
een duidelijke omschrijving van de (vermoede) schending van de Gedragsregels bancaire sector door de Verweerder;
- b.
een deugdelijke onderbouwing met daarop betrekking hebbende schriftelijke stukken of andere bewijsmiddelen; en
- c.
of de (vermoede) schending van de Gedragsregels bancaire sector van voldoende ernstige aard is in de zin van artikel 2.2.3.’
4.2.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht overweegt de Tuchtcommissie als volgt.
De Tuchtcommissie oordeelt over zaken die vallen onder het tuchtrecht waaraan de in de artikelen 3: 8 en 3: 17b tweede lid Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) bedoelde natuurlijke personen, werkzaam bij of onder verantwoordelijkheid van de bank, zijn onderworpen, als bedoeld in artikel 3: 17c Wft. Bankmedewerkers zijn sinds 1 april 2015 verplicht om de eed of belofte af te leggen als bedoeld in de Regeling eed of belofte financiële sector 2015. De tekst van de eed of belofte maakt duidelijk dat de eed dan wel belofte louter betrekking heeft op het handelen door de betrokken bankmedewerker binnen de grenzen van zijn functie. In de aanhef van de wettelijk verplichte bankierseed en belofte staat immers vermeld:
‘Ik zweer/beloof binnen de grenzen van mijn functie die ik op enig moment in de bancaire sector vervul: (…)’
4.3.
Het handelen van verweerder, dat door klager ten grondslag is gelegd aan de klacht, bestaat uit het ontvangen van een geldbedrag op de privérekening van verweerder, het doorboeken van dit geldbedrag naar andere privébankrekeningen en het pas na lang aandringen terugstorten daarvan naar de klant van de bank die het geld had overgeboekt. De klacht ziet voorts op de weigering van verweerder om hierover opening van zaken te geven. Of verweerder in het kader van deze tuchtprocedure onzorgvuldig en onprofessioneel heeft gehandeld en of hij gehouden was tot het geven van opening van zaken, komt naar het oordeel van de Tuchtcommissie echter eerst dan aan de orde als is gebleken dat het onderzochte handelen betrekking heeft op het werkingsgebied van de eed/belofte.
4.4.
De Tuchtcommissie is, anders dan klager, van oordeel dat het hiervoor genoemde handelen van verweerder niet valt onder het bereik van de door hem afgelegde bankierseed. Verweerder heeft immers geen handelingen verricht in de uitoefening van zijn functie en daarmee binnen de grenzen van zijn functie bij de bank. Dat verweerder de handelingen tijdens zijn werktijd heeft verricht en de overboeking afkomstig was van een klant van de bank waar verweerder werkzaam was maakt dit niet anders. Dat levert slechts een gelijktijdigheid op, doch maakt niet dat die handelingen daarmee per definitie binnen de grenzen van zijn functie zijn verricht. Naar het oordeel van de Tuchtcommissie valt het handelen van verweerder zoals is omschreven in het klachtrapport daarom niet binnen het werkingsgebied van de bankierseed.
5. De beslissing
De Tuchtcommissie verklaart klager niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. M. Jurgens, voorzitter, mr. A.P.M. van Rijn, mr. J.L.S.M. Hillen, mr. R.K. Pijpers, mr. F.B. Demenint, in aanwezigheid van mr. M. Bijleveld, secretaris.
…
voorzitter
…
secretaris
Deze beslissing is aan partijen verzonden op 30 november 2016.
Ingevolge artikel 4.4.1 e.v. Tuchtrechtreglement Bancaire Sector kunnen verweerder en klager tegen deze beslissing binnen 1 maand na dagtekening van de beslissing daarvan hoger beroep instellen door het indienen van een beroepschrift bij de Commissie van Beroep.