Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.5.2.1
5.5.2.1 Inleiding
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372096:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 4 mei 2000, application nr. 36811/97 (Bielectric).
EHRM 18 juni 2002, application nr. 48939/99 gevolgd door EHRM (Grote Kamer) 30 november 2004, application nr. 48939/99 (Öneryildiz).
Veelal onder verwijzing naar r.o. 143 van EHRM 22 juni 2004, application nr. 31443/96 (Broniowski)
Zie bijvoorbeeld EHRM 3 april 2012, application nr. 54522/00 (Kotov) en de hierna besproken rechtspraak
Positieve verplichtingen kunnen zich ook uitstrekken tot het grondgebied dat officieel behoort tot het grondgebied van een EVRM-lidstaat, maar waar deze lidstaat feitelijk het niet voor het zeggen heeft, zoals het geval is ten aanzien van Moldavië en Transnistrië. Zie EHRM 8 juli 2004, application nr. 48787/99 (Ilaşcu c.s.) en 19 oktober 2012, application nrs. 43370/04 18454/06 8252/05 (Catan c.s.). Deze problematiek kan hier onbesproken blijven. Hetzelfde geldt voor de positieve verplichtingen die specifiek voortvloeien uit het uiteenvallen van Joegoslavië en de Soviet Unie en hun bankstelsels. Zie EHRM 16 juli 2014, application nr. 60642/08 (Ališić c.s.) en 1 oktober 2013, application nrs. 17126/02 and 24991/02 (Likvidējamā p/s Selga en Vasiļevska).
In het Bielectric-arrest1 heeft het EHRM aanvaard dat uit art. 1 EP ook positieve verplichtingen kunnen voortvloeien. Er kan bij het EHRM worden geklaagd, indien de EVRM-lidstaat op grond van een dergelijke verplichting had moeten handelen, maar dat heeft nagelaten. In het Bielectric-arrest was echter geen positieve verplichting geschonden. Een dergelijke schending werd voor het eerst aangenomen in de Öneryildiz-arresten.2
In deze zaak werd zowel een schending van het recht op leven (art. 2 EVRM) als het recht van ongestoord genot van eigendom aangenomen door het EHRM. Het EHRM overwoog dat het voor een daadwerkelijke en effectieve uitoefening van de door art. 1 EP beschermde rechten niet volstaat dat de overheid het genot van eigendom niet verstoort, maar dat ook positieve maatregelen geboden kunnen zijn. In het bijzonder als er een direct verband is tussen de maatregelen die van de overheid mogen worden verwacht en het effectieve genot van zijn eigendommen.
In latere rechtspraak overweegt het EHRM veelal dat positieve verplichtingen een EVRM-lidstaat kunnen verplichten om de maatregelen te nemen die nodig zijn om het recht van ongestoord genot van eigendom te beschermen.3
In latere rechtspraak is tevens duidelijk gemaakt dat een dergelijke positieve verplichting ook kan zien op horizontale verhoudingen (zoals hierna ook zal blijken).4
Welke maatregelen eigenaren van de overheid mogen verwachten, is bij de huidige stand van de rechtspraak niet duidelijk. De thans beschikbare rechtspraak geeft weliswaar enig inzicht in de positieve verplichtingen onder art. 1 EP, maar ziet op specifieke situaties en leent zich ook overigens slechts beperkt voor veralgemenisering. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat eigenaren in ieder geval de in de volgende paragrafen besproken positieve maatregelen van de overheid kunnen verwachten.5