Hof Amsterdam, 09-05-2017, nr. 200.180.234/01
ECLI:NL:GHAMS:2017:1726
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
09-05-2017
- Zaaknummer
200.180.234/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2017:1726, Uitspraak, Hof Amsterdam, 09‑05‑2017; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:1702
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:3718
ECLI:NL:GHAMS:2016:3718, Uitspraak, Hof Amsterdam, 13‑09‑2016; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:1726
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:1702
ECLI:NL:GHAMS:2016:1702, Uitspraak, Hof Amsterdam, 26‑04‑2016; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:1726
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:3718
Uitspraak 09‑05‑2017
Inhoudsindicatie
-huwelijksvermogensrecht -verdeling huwelijksgoederengemeenschap -toepassing artikel 3:194 lid 2 BW -vrouw verbeurt haar aandeel in waarde appartement in Moskou aan de man
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 9 mei 2017
Zaaknummer: 200.180.234/ 01
Zaaknummer eerste aanleg: C14/154345 / FA RK 14-972
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.I. Lunshof te Zwaag,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.G.A. van Leeuwen te Hoorn.
1. Het geding in hoger beroep
1.1.
Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2.
Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hieromtrent is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 13 september 2016.
1.3.
Op 14 februari 2017 heeft het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI) zijn concept-rapport aan het hof doen toekomen.
1.4.
De vrouw heeft op 31 maart 2017 en de man op 3 april 2017 haar respectievelijk zijn reactie op het concept-rapport aan het hof doen toekomen.
2. Verdere beoordeling van het hoger beroep
2.1.
In de tussenbeschikking van 13 september 2016 heeft het hof een onderzoek door het IJI bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Op welk moment vindt naar Russisch recht tussen partijen bij het koopcontract (de koper en de verkoper) de eigendomsoverdracht van een onroerende zaak plaats:
- bij de ondertekening door de koper en de verkoper van de leveringsakte
- of na registratie van staatswege van de overdracht van de eigendomsrechten?
2. Indien de eigendomsoverdracht tussen de koper en de verkoper plaatsvindt na registratie van staatswege, om registratie van welk document gaat het dan: het koopcontract, de leveringsakte of beide?
3. Welke betekenis dient in verband met voorgaande vragen te worden gehecht aan de inhoud van artikel 9 van het koopcontract?
2.2.
Het hof heeft het concept-rapport van het IJI gedateerd 10 februari 2017 aan partijen doen toekomen en partijen in de gelegenheid gesteld ten aanzien van het concept-rapport opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Het hof begrijpt uit de reacties van partijen dat zij geen van beiden een uitbreiding of een nadere toelichting door het IJI wensen. Ook het hof acht een dergelijke uitbreiding en/of toelichting niet noodzakelijk. Het hof merkt het concept-rapport daarom aan als het definitieve rapport en zal in het navolgende het concept-rapport aanduiden als rapport. Het rapport houdt het volgende in.
2.3.
De vragen 1 en 2 zijn vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk beantwoord.
Naar Russisch recht komt een overeenkomst in beginsel tot stand door wilsovereenstemming tussen partijen (artikel 433 lid 1 CC, hof: het Burgerlijk Wetboek van de Russische Federatie). Een koopovereenkomst inzake een onroerende zaak dient schriftelijk te worden aangegaan (artikel 550 CC), en is niet perfect zolang het schriftelijke koopcontract niet is geregistreerd (artikel 433 lid 3 CC).
Ook de eigendomsoverdracht dient te worden geregistreerd. Zowel tussen partijen als ten opzichte van derden gaat de eigendom pas over van de verkoper op de koper nadat inschrijving van de leveringshandeling heeft plaatsgevonden (artikel 223 lid 2 en artikel 551 lid 2 CC).
Voor woonhuizen, waaronder begrepen appartementen, is een bijzondere regel neergelegd in artikel 558 lid 2 CC. Wanneer het gaat om de verkoop van een appartement zal zowel de koopovereenkomst (de koopakte) als de levering van het eigendomsrecht (leveringsakte) geregistreerd dienen te worden.
Het antwoord op vraag 3 luidt: de inhoud van artikel 9 van het koopcontract is in lijn met hetgeen het IJI in de geraadpleegde rechtsliteratuur heeft gevonden inzake de staatsregistratie bij de verkoop van een appartement.
2.4.
De man heeft geen reactie gegeven op de inhoud van het rapport. De reactie van de vrouw wordt hierna besproken.
2.5.
Uit het in de tussenbeschikking van 26 april 2016 genoemde “Bewijs van rijksregistratie van rechten [plaats] ” gedateerd 14 oktober 2015 blijkt dat het recht van eigendom van [X] op het appartement op die datum is ingeschreven in het Algemeen Rijksregister van rechten op onroerend goed en transacties met onroerend goed. Als document waarop het bewijs is gebaseerd wordt het in het register onder [nummer] opgenomen koopcontract genoemd, de leveringsakte niet. Voorts is in het bewijs van registratie vermeld dat een voorwaardelijk kadasternummer is gegeven. Dit brengt met zich dat niet worden vastgesteld dat (ook) de leveringsakte is ingeschreven.
Het dient er daarom voor te worden gehouden dat dit niet het geval is, hetgeen moet leiden tot de conclusie dat [X] noch op 14 oktober 2015 noch op enig moment voor die datum de eigendom van het appartement heeft verkregen. Immers, aan de in de artikelen 223 lid 2, 551 lid 2 en 558 lid 2 CC genoemde vereisten – inschrijving van zowel het koopcontract als de leveringsakte – is niet voldaan, en evenmin aan hetgeen de vrouw en [X] in artikel 9 van de koopovereenkomst over het moment van eigendomsoverdracht zijn overeengekomen.
Het tijdens de zitting in hoger beroep door de vrouw ingenomen standpunt van de vrouw – namelijk dat met de door haar overgelegde akte van levering van 3 november 2013 de eigendom van het appartement op die datum op [X] is overgegaan – kan derhalve niet worden gevolgd. Het hof leidt uit de reactie van de vrouw op het rapport van het IJI af dat zij dit standpunt niet (langer) inneemt. Zij is (thans) van mening dat registratie van zowel het koopcontract als de leveringsakte vereist is voor het totstandkomen van een koopovereenkomst, maar dat aan de registratie geen termijn is verbonden en partijen deze evenmin zijn overeengekomen.
Het hof volgt dit standpunt van de vrouw in zoverre dat de koopovereenkomst eerst (volledig) tot stand is gekomen door de registratie van de koopovereenkomst. Wanneer de registratie van de koopovereenkomst heeft plaatsgehad, kan het hof op basis van de stellingen van de vrouw niet vaststellen. Het koopcontract bevat aan het slot de vermelding dat deze onder [nummer] is geregistreerd, maar deze mededeling is niet van een datering voorzien. De inhoud van het op 14 oktober 2015 gedateerde stuk geeft in elk geval toereikende grond voor de vaststelling dat het koopcontract toentertijd was geregistreerd. De vrouw heeft geen conclusie verbonden aan haar stelling dat noch wettelijk noch contractueel voor de registratie een termijn is bepaald, zodat het hof daaraan voorbijgaat.
Op grond van het voorgaande moet dan ook worden geoordeeld dat het appartement op 13 mei 2014, de peildatum, deel uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap.
2.6.
De man is van mening dat de vrouw het appartement aan hem heeft verbeurd, omdat zij het appartement opzettelijk heeft zoekgemaakt door het heimelijk te verkopen terwijl zij wist dat het tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde dan wel door het appartement fictief te verkopen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt een echtgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere echtgenoot. Van dit handelen of nalaten is sprake telkens wanneer een echtgenoot daarmee het oogmerk heeft de andere echtgenoot te benadelen. Uit artikel 3:189 lid 2 BW vloeit voort dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is op een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.
De huwelijksgoederengemeenschap van partijen is op 13 mei 2014 ontbonden. Het koopcontract is op 2 november 2013 ondertekend, maar pas na registratie perfect geworden. De stellingen van de vrouw houden onvoldoende in om aan te nemen dat registratie voor 13 mei 2014 heeft plaatsgehad. Uitgangspunt is derhalve dat de verkoop van het appartement na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap tot stand is gekomen.
De vrouw heeft niet betwist dat het appartement tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. Zij heeft het appartement verkocht aan een goede vriendin van haar, [X] , buiten medeweten van de man. Volgens het koopcontract is de woning voor een bedrag van 600.000 roebel/€ 13.756,- aan [X] verkocht. De vrouw heeft het appartement voor dit bedrag verkocht omdat zij vanwege een aantal dringende betalingen in financiële nood verkeerde, waarbij is uitgegaan van de taxatiewaarde en de verwaarloosde staat van het appartement, zo stelt zij. Voorts stelt zij dat zij de verkoopopbrengst heeft aangewend voor die dringende betalingen en dat van dit bedrag niets over is.
2.7.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man als productie b25 een handgeschreven tekst in het geding gebracht die hij in de voormalig echtelijke woning heeft gevonden. Volgens de vertaling houdt deze tekst het volgende in:
1. Echtscheiding in Holland
Het huwelijk staat in Rusland niet geregistreerd.
2. Appartement in [plaats]
verklaring van het Bureau van Technische Inventarisatie 5300 euro,
3. Of een Hollandse echtgenoot de gegevens over de werkelijke waarde van het appartement in [plaats] kan verkrijgen. (onafhankelijke waardering)
- in strijd met de verklaring van het Bureau van Technische Inventarisatie.
- appartement is voor het huwelijk geprivatiseerd.
4. Verkoop van het appartement voor de rechtszitting in Holland.
- In Holland wordt de eigendom in gelijke delen verdeeld, onafhankelijk van het feit wanneer deze is aangeschaft en waar deze zich bevindt.
5. – – koop- en verkoopovereenkomst (aan een vriendin) fictief
Hoe moet je dit registreren zonder financieel verlies.
(. . .)
- is het mogelijk om bij de notaris te ondertekenen, maar zonder te registreren en de beschikking van de rechtbank af te wachten.
- of te ondertekenen en onmiddellijk te ontbinden?
- Kan een buitenlandse echtgenoot over de registratie koop- en verkoopovereenkomst te weten komen?
- reden van urgente verkoop
1) schuld (verklaring) ZJKCH (. . .)
2) schuld in verband met een schade aan buren
3) lening 5000 euro (is het mogelijk om een gewone schriftelijke [onduidelijk geschreven woord, vert] of is het noodzakelijk bij de notaris)
In het ontvangstbewijs aangeven
achternaam, naam, vadersnaam, reden van de lening,
paspoortgegevens, adres (van beide partijen),
verplichting binnen drie jaar terug te betalen,
(. . .)
2009
[Y]
[telefoonnummer, vert.]”
2.8.
De vrouw betwist dat deze tekst door haar is geschreven. Kort voor de zitting in hoger beroep heeft zij de vertaling van een rapport van “Het Centrum voor Onafhankelijke expertise en recht Standart Expert” van 3 maart 2016 in het geding gebracht. Gelet op de datum van het rapport gaat het hof voorbij aan het bezwaar van de man tegen de late indiening ervan en zal het hof dit rapport in zijn overwegingen betrekken. De conclusie van het volgens het rapport uitgevoerde vergelijkende onderzoek van het handschrift van de vrouw en voornoemde tekst luidt dat deze tekst niet door de vrouw, maar door een andere persoon is opgesteld.
De vrouw betwist niet dat de man deze tekst in de echtelijke woning heeft gevonden. Gesteld noch gebleken is dat het de man is die deze tekst heeft geschreven dan wel dat zijnerzijds gesprekken hebben plaatsgevonden waarvan de tekst de weergave bevat. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de tekst notities bevat van een gesprek dat de vrouw met een derde ( [Y] ?) heeft gehad en dat, indien de vrouw deze notities niet heeft geschreven, deze derde of een andere betrokkene dat heeft gedaan.
2.9.
De gang van zaken met betrekking tot de verkoop van het appartement en de door de vrouw opgegeven redenen voor haar financiële nood komt overeen met het traject dat is beschreven in de hiervoor aangehaalde handgeschreven tekst. Het hof stelt in dit verband het volgende vast.
Het appartement is aan een vriendin verkocht. Het koopcontract is op 2 november 2013 gesloten, voordat de vrouw haar verzoek tot echtscheiding (op 13 mei 2014) heeft ingediend. De registratie van het koopcontract en de registratie van de leveringshandeling zijn vóór 13 mei 2014 uitgebleven. Het dossier bevat een document genaamd “akte van levering” gedateerd 3 november 2013. Uit het “Bewijs van Rijksregistratie van rechten [plaats] ” blijkt dat geen leveringsakte is geregistreerd. De mogelijkheid van ontbinding van het koopcontract op een daartoe geschikt moment is daarmee opengelaten, zonder het verstrekkende gevolg van de dan noodzakelijke teruglevering van het appartement. In artikel 6 van het koopcontract is in de mogelijkheid van ontbinding van het koopcontract voorzien in die zin dat de vrouw verplicht is de koopsom van 600.000 roebel/€ 13.756,-, die zij volgens deze bepaling vóór de ondertekening had ontvangen, aan [X] terug te betalen.
De vrouw heeft een aantal redenen genoemd waarom zij in financiële nood verkeerde, hetgeen mede heeft geleid tot de overeengekomen verkoopprijs van 600.000 roebel. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij een voor de begrafenis van haar moeder geleend bedrag moest terugbetalen heeft zij een handgeschreven tekst in het geding gebracht die volgens de vertaling het volgende inhoudt:
“ [plaats] 27 september 2009
Ik, [de vrouw] , geboren in 1962, het paspoort [paspoortnummer] , afgegeven door de afdeling OUFMS in het disctrict [district] in [plaats] op Noord-Oost, woonachtig op het adres: [plaats] , [adres] heb geld geleend (het bedrag van 150.000 roebel) van [Z] geboren in 1966, woonachtig te [a-straat] , huis 11-a appartement 17 voor de begrafeniskosten. Ik ben verplicht om die bedrag terug betalen niet later dan 3 jaar.
150 000 = 3750 euro”
In deze tekst staan aldus de gegevens zoals in de gespreksnotitie weergegeven onder “in het ontvangstbewijs aangeven”.
2.10.
Voorts overweegt het hof het volgende.
Zoals uit het hierna onder 2.13 overwogene volgt kan de in het koopcontract vermelde koopsom van 600.000 roebel/€ 13.756,- niet als een reële verkoopprijs worden aangemerkt.
De vrouw heeft geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat de woning nog niet aan [X] in eigendom is overgedragen. Evenmin heeft zij een moment in de toekomst genoemd waarop de overdracht zal plaatsvinden. Zij beroept zich slechts op het feit dat voor de registratie van de leveringsakte geen termijn is overeengekomen in het koopcontract. Daarmee valt niet te rijmen dat zij de koopsom reeds van [X] heeft ontvangen. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan bezwaarlijk worden aanvaard dat de koper bereid was de koopsom te voldoen, terwijl eigendomsoverdracht uitbleef.
De eenzijdige verklaring van de vrouw over de lening voor de begrafenis van haar moeder kan, zonder nadere onderbouwing in de vorm van een verklaring van de andere partij bij de lening en bankafschriften waaruit de ontvangst en de terugbetaling van het bedrag blijken, niet leiden tot het oordeel dat de schuld heeft bestaan en, na ontvangst van de koopsom voor het appartement, is afgelost. De summiere verklaring van de crediteur d.d. 3 november 2013 is in dit verband ontoereikend. Voorts heeft de vrouw de noodzaak tot aflossing van de schuld aan de stad [plaats] ter zake van het appartement uit de verkoopopbrengst – ter onderbouwing waarvan zij een document van de Rijksinstelling inzake budgettaire kwesties van de stad [plaats] gedateerd 14 oktober 2013 in het geding heeft gebracht, volgens welke verklaring zij per 28 oktober 2013 een betalingsachterstand had van 122.294,44 roebel/€ 2.775,19 – tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, namelijk dat de vrouw inkomsten uit verhuur van het appartement had, onvoldoende onderbouwd. Evenmin heeft de vrouw de noodzaak van de andere door haar gestelde dringende betalingen (voldoende) onderbouwd.
2.11.
Aan deze overwegingen verbindt het hof de volgende gevolgtrekkingen. Op de peildatum behoorde het appartement tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De vrouw heeft met de door haar (vóór en) na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap verrichte (rechts)handelingen met betrekking tot het appartement een constructie opgezet teneinde het appartement aan de verdeling te onttrekken. Daarmee heeft zij zich schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW, met het oogmerk de man te benadelen. Vervolgens moet de vraag onder ogen worden gezien, welk gevolg aan deze vaststelling dient te worden verbonden.
2.12.
Vast staat dat het appartement op de peildatum (13 mei 2014) deel uitmaakte van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Nadien is het door de vrouw op 2 november 2013 met [X] gesloten koopcontract door registratie perfect geworden. Daarmee is voor de vrouw de verplichting tot levering van het appartement aan [X] tot stand gekomen. Deze verplichting is de vrouw tot heden niet nagekomen. Gelet op de inhoud van de hiervoor vermelde handgeschreven tekst met gespreksnotities, met name hetgeen daarin onder 5 is vermeld, alsmede de hiervoor beschreven gang van zaken met betrekking tot de verkoop van het appartement, valt ernstig te betwijfelen of zij deze verplichting op enig moment alsnog zal nakomen. Eerder ligt het in de rede te veronderstellen dat het koopcontract op een daartoe door de vrouw geschikt geacht moment zal worden ontbonden. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is beslist dat het appartement aan de vrouw wordt toegedeeld.
2.13.
De man stelt dat de waarde van de woning € 135.000,- bedraagt en heeft daartoe de twee onder 4.6 van de tussenbeschikking van 26 april 2016 genoemde berekeningen in het geding gebracht. De vrouw heeft daar tegenover een Russisch document in het geding gebracht, dat volgens de Nederlandse vertaling afkomstig is van het “Gecentraliseerd staatsbedrijf van de stad [plaats] , Technisch Taxatiebureau van de stad [plaats] ” en een op 27 juni 2012 gedateerde “verklaring N 7507” bevat, inhoudende dat de getaxeerde waarde van het appartement per die datum 212.973 roebel en 33 kopeke bedroeg. In een van de door de vertaalster toegevoegde voetnoten merkt zij op dat de taxatiewaarde van een woning wordt bepaald door de “Rijkstaxatie dienst roerende zaken”. Deze opmerking doet op zijn minst twijfel rijzen of het “Gecentraliseerd staatsbedrijf van de stad [plaats] , Technisch Taxatiebureau van de stad [plaats] ” de instantie is die de taxatiewaarde van een woning vaststelt. Daar komt bij dat uit het document niet blijkt met welk doel de taxatie heeft plaatsgevonden, welke waarde is getaxeerd en evenmin hoe de getaxeerde waarde tot stand is gekomen en is opgebouwd. De inhoud van het document biedt onvoldoende houvast om aan te nemen dat deze voor de kwestie die partijen verdeeld houdt een deugdelijk aanknopingspunt inhoudt. Gelet op de twee uitgebreide en onderbouwde onafhankelijke berekeningen waarop de man de door hem gestelde waarde baseert, alsmede de door de vrouw niet weersproken stelling van de man dat partijen zich altijd goed op de hoogte hebben gehouden van de waarde(ontwikkeling) van onroerend goed in [plaats] en dat partijen ervoor hebben gezorgd dat hun dochter officiële papieren had van haar dubbele nationaliteit om het appartement te kunnen erven, zal het hof de door de vrouw gestelde waarde niet volgen. Dat het appartement in een slechte staat van onderhoud verkeerde, heeft de vrouw niet althans onvoldoende onderbouwd. De verklaring van [X] waarnaar zij verwijst (het hof begrijpt: productie 5) houdt onvoldoende concreets in dat daarop wijst.
In het licht van het voorgaande ziet het hof evenmin aanleiding de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de vrouw de helft van de door de rechtbank vastgestelde waarde van het appartement van € 135.000,-, derhalve € 67.500,-, aan de man dient te vergoeden.
2.14.
Zoals hiervoor overwogen heeft de vrouw zich schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW met het oogmerk het appartement aan de verdeling te onttrekken en aldus de man te benadelen. Daaruit volgt dat de vrouw haar aandeel in de waarde van het appartement, € 67.500,-, heeft verbeurd aan de man.
3. Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel appel
bekrachtigt de beschikking van beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen;
bepaalt dat de vrouw haar aandeel in de waarde van het appartement met het adres “ [adres] ” in [plaats] ten bedrage van
€ 67.500,- heeft verbeurd aan de man;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Kleene-Eijk, mr. G.B.C.M. van der Reep en mr. J. Jonkers in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017.
Uitspraak 13‑09‑2016
Inhoudsindicatie
huwelijksvermogensrecht verdeling huwelijksgoederengemeenschap
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 13 september 2016
Zaaknummer: 200.180.234/ 01
Zaaknummer eerste aanleg: C14/154345 / FA RK 14-972
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.I. Lunshof te Zwaag,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.G.A. van Leeuwen te Hoorn.
1. Het geding in hoger beroep
1.1.
Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2.
Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hieromtrent is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 26 april 2016.
1.3.
De vrouw heeft daarna gedateerd 10 mei 2016 en 14 juni 2016 brieven en stukken ingediend. De man heeft op 11 mei 2016 en 28 juni 2016 berichten en op 8 juni 2016 een brief ingediend.
2. Verdere beoordeling van het hoger beroep
2.1.
In de tussenbeschikking van 26 april 2016 heeft het hof overwogen voornemens te zijn het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI), (adres thans:) R.J. Schimmelpennincklaan 20-22, 2517 JN ’s-Gravenhage tot deskundige te benoemen ter beantwoording van de hieronder geformuleerde vragen:
1. Op welk moment vindt naar Russisch recht tussen partijen bij het koopcontract (de koper en de verkoper) de eigendomsoverdracht van een onroerende zaak plaats:
- bij de ondertekening door de koper en de verkoper van de leveringsakte
- of na registratie van staatswege van de overdracht van de eigendomsrechten?
2. Indien de eigendomsoverdracht tussen de koper en de verkoper plaatsvindt na registratie van staatswege, om registratie van welk document gaat het dan: het koopcontract, de leveringsakte of beide?
3. Welke betekenis dient in verband met voorgaande vragen te worden gehecht aan de inhoud van artikel 9 van het koopcontract?
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk opmerkingen te maken over deze voorgenomen vraagstelling en de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de opmerkingen van partijen.
2.2.
De man heeft het hof op 11 mei 2016 bericht dat hij geen opmerkingen heeft naar aanleiding van de door het hof voorgenomen vraagstelling aan het IJI.
De vrouw heeft in haar brief van 10 mei 2016 gewezen op de toelichting bij artikel 551 van het Russische BW, als ook op artikel 36 eerste paragraaf van het Russische Familiewetboek en artikel 256 paragraaf 2 van het Russische BW, die volgens haar ook van toepassing zijn. Zij verzoekt het hof het IJI te verzoeken de vragen van het hof in het licht van de genoemde artikelen en de toelichting daarbij te beantwoorden.
Na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft de man met brief van 7 juni 2016 een reactie gegeven op de brief van de vrouw. De man heeft zijnerzijds gewezen op sectie VII, artikel 161, paragraaf 1 van het Russische Familiewetboek en is op grond van deze bepaling van mening dat Nederlands recht van toepassing is op, zo begrijpt het hof, het huwelijksgoederenregime van partijen. Indien het hof besluit om het verzoek van de vrouw te honoreren, verzoekt de man de door de vrouw genoemde bepalingen door het IJI te laten beoordelen in het kader van sectie VII, artikel 161, paragraaf 1 van het Russische Familiewetboek.
Bij brief van 14 juni 2016 heeft de vrouw het hof vertalingen van de toelichting op de artikelen 551 en 305 van het Russische BW doen toekomen, alsmede een vertaling van de artikelen 256 paragraaf 2 en 556 van het Russische BW en van artikel 36 van het Russische Familiewetboek. De man heeft op 28 juni 2016 bericht geen gebruik te maken van de door het hof geboden mogelijkheid om op deze stukken nader te reageren.
2.3.
Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking is vastgesteld dat op de echtscheiding en de nevenvoorzieningen Nederlands recht van toepassing is. Geen van partijen heeft tegen dit oordeel een grief gericht. Daarmee staat vast dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen. Dit brengt met zich dat uitsluitend de vraag wanneer de eigendomsoverdracht van het appartement heeft plaatsgevonden dient te worden beantwoord naar Russisch recht, nu het appartement op het grondgebied van de Russische Federatie is gelegen. De door de vrouw in haar brief van 10 mei 2016 genoemde artikelen 36 eerste paragraaf van het Russische Familiewetboek en artikel 256 paragraaf 2 van het Russische BW zien op het Russische huwelijksvermogensrecht. Toepasselijkheid van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht sluit toepasselijkheid van het Russische huwelijksvermogensrecht uit. De uitleg van artikel 551 van het Russische BW is, zoals voortvloeit uit hetgeen het hof heeft overwogen in de beschikking van 26 april 2016, inbegrepen in de door het hof voorgestelde vraagstelling. Het hof zal het verzoek van de vrouw dan ook niet honoreren.
3. Beslissing
Het hof:
beveelt een onderzoek door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI), gevestigd R.J. Schimmelpennincklaan 20-22, 2517 JN ’s-Gravenhage ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Op welk moment vindt naar Russisch recht tussen partijen bij het koopcontract (de koper en de verkoper) de eigendomsoverdracht van een onroerende zaak plaats:
- bij de ondertekening door de koper en de verkoper van de leveringsakte
- of na registratie van staatswege van de overdracht van de eigendomsrechten?
2. Indien de eigendomsoverdracht tussen de koper en de verkoper plaatsvindt na registratie van staatswege, om registratie van welk document gaat het dan: het koopcontract, de leveringsakte of beide?
3. Welke betekenis dient in verband met voorgaande vragen te worden gehecht aan de inhoud van artikel 9 van het koopcontract?
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking alsmede van het procesdossier aan het IJI zal toezenden;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek voor s’ Rijks kas zullen zijn;
bepaalt dat het IJI een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van dit hof vóór 8 januari 2017 onder indiening van zijn declaratie met vermelding van bovenstaand zaaknummer;
bepaalt dat de behandeling van de zaak daartoe zal worden aangehouden pro forma tot zondag 8 januari 2017;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Kleene-Eijk, mr. G.B.C.M. van der Reep en mr. J. Jonkers in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2016.
Uitspraak 26‑04‑2016
Inhoudsindicatie
huwelijksvermogensrecht verdeling huwelijksgoederengemeenschap
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 26 april 2016
Zaaknummer: 200.180.234/ 01
Zaaknummer eerste aanleg: C14/154345 / FA RK 14-972
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.I. Lunshof te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.G.A. van Leeuwen te Hoorn.
1. Het geding in hoger beroep
1.1.
Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2.
De vrouw is op 16 november 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 september 2015 van de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar), met kenmerk C14/154345 / FA RK 14-972.
1.3.
De man heeft op 19 januari 2016 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.4.
De vrouw heeft op 16 februari 2016 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.
1.5.
De man heeft op 16 februari 2016 nadere stukken ingediend. De vrouw heeft op 7 maart 2016 nadere stukken ingediend.
1.6.
De zaak is op 10 maart 2016 ter terechtzitting behandeld.
1.7.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2. De feiten
2.1.
Partijen zijn [in] 1999 gehuwd. De vrouw heeft de Russische nationaliteit, de man heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Het verzoekschrift echtscheiding is op 13 mei 2014 ingediend. Het huwelijk van partijen is op 18 februari 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 september 2015 in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
In de bestreden beschikking is bepaald dat op de echtscheiding en de nevenvoorzieningen Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank heeft 13 mei 2014 gehanteerd als peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, partijen bevolen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen op de in rechtsoverwegingen 3.16 tot en met 3.23 en 3.28 van de beschikking beschreven wijze.
3.2.
De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:
I: geen sprake is van toedeling van het appartement in [plaats] aan de vrouw en dus evenmin van een vergoeding door haar aan de man;
II: de Mercedes aan de man wordt toegedeeld voor een bedrag van € 14.408,-;
III: de Ford Ka aan de vrouw wordt toegedeeld voor een bedrag van € 500,-;
IV: de inboedel aan de man wordt toegedeeld voor minimaal een bedrag van € 5.000,-.
3.3.
De man verzoekt in incidenteel appel de beschikking waarvan beroep te vernietigen ten aanzien van het daarin bepaalde met betrekking tot het appartement in [plaats] en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vrouw haar rechten op het appartement in [plaats] aan de man heeft verbeurd, subsidiair, een nadere verdeling van het appartement in [plaats] te bepalen, waarbij van een waarde van € 135.000,- van het appartement dient te worden uitgegaan, althans van een ander in goede justitie door het hof te bepalen bedrag.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1.
In hoger beroep zijn nog slechts enkele onderdelen van het geschil aan de orde, te weten het appartement in [plaats] (grief 1 van de vrouw en de grief in incidenteel appel van de man), de Mercedes en de Ford Ka (grief 2 van de vrouw) en de inboedel (grief 3 van de vrouw).
4.2.
In de bestreden beschikking is bepaald dat de Mercedes wordt toegedeeld aan de man voor een waarde van € 8.800,-, en dat de man de helft van de waarde aan de vrouw dient te vergoeden. De Ford Ka is voor een waarde van € 1.500,- toegedeeld aan de vrouw, waarbij de vrouw de helft van de waarde aan de man dient te voldoen.
De vrouw betwist de door de rechtbank aan ieder van de auto’s toegekende waarde. Volgens haar dient de Mercedes met een waarde van € 14.408,- in de verdeling te worden betrokken, en de Ford Ka met een waarde van € 500,-.
De grief kan niet slagen op grond van het navolgende. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw de door haar gestelde waarden onvoldoende onderbouwd.
De man voert aan dat de door de vrouw genoemde waarde van de Mercedes onrealistisch is. Hij heeft tijdens de procedure in eerste aanleg een offerte aangevraagd waaruit een prijs van € 8.826,- bleek. Dat bedrag heeft hij er niet voor kunnen krijgen en de Mercedes is uiteindelijk op 11 december 2015 door hem verkocht voor € 8.250,-, aldus de man. In dat licht acht het hof de enkele verwijzing door de vrouw naar een door haar overgelegde taxatie per 17 oktober 2015 onvoldoende om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen, temeer nu zij verwijst naar de op de taxatie genoemde verkoopprijs maar de genoemde inkoopprijs aanzienlijk lager is.
Over de Ford Ka overweegt het hof dat de vrouw ter zitting in eerste aanleg heeft ingestemd met toedeling aan haar voor een waarde van € 1.500,-. Tegen die achtergrond is het enkel overleggen van een ongedateerde notitie van een verkoopgesprek met een autohandelaar waarbij een lagere inruilwaarde is besproken onvoldoende om anders te oordelen dan de rechtbank.
4.3.
De vrouw stelt dat de inboedel in zijn geheel bij de man is gebleven. Zij brengt enkele uitdraaien van internet in het geding met betrekking tot een aantal bij de man achtergebleven duurdere apparaten. Op grond daarvan dient volgens de vrouw te worden uitgegaan van een aan de man toegedeelde waarde van € 5.000,-.
De man betwist de door de vrouw gestelde waarde. Bijna alle inboedelgoederen zijn aangeschaft in de periode 1999 tot medio 2009 en vertegenwoordigen geen waarde meer. Enkele van de door de vrouw genoemde apparaten zijn inmiddels onherstelbaar defect geraakt en door goedkopere alternatieven vervangen. Alle keukenapparatuur is ingebouwd en maakt als zodanig deel uit van de woning. Naar de mening van de man is de vrouw overbedeeld, omdat de aanschaf van nieuwe inboedel voor de vrouw is betaald van banktegoeden die tot de gemeenschap behoorden.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd dat de man is overbedeeld doordat de inboedel bij hem is gebleven. Ook deze grief faalt.
4.4.
De rechtbank heeft het appartement met het adres “ [adres] ” in [plaats] (hierna: het appartement) voor een waarde van € 135.000,- aan de vrouw toegedeeld en bepaald dat de vrouw de helft van de waarde aan de man dient te vergoeden. De rechtbank heeft naar aanleiding van het standpunt van de vrouw dat het appartement op de peildatum niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde omdat het in 2013 is verkocht, overwogen dat de vrouw naast de verkoopakte geen (ook naar Russisch recht voor de overdracht van het appartement vereiste) leveringsakte heeft overgelegd.
Ten aanzien van de waarde van het appartement heeft de rechtbank de vrouw niet gevolgd in haar standpunt dat de prijs waarvoor zij het appartement verkocht heeft, 600.000 roebel (destijds circa € 13.756,-), de waarde van het appartement is. De rechtbank heeft uit de stellingen van zowel de man als de vrouw afgeleid dat de verkoop van het appartement niet reëel is en het de vraag is of deze ooit tot daadwerkelijke levering aan de koper zal leiden. Vast is komen te staan dat de verkoopprijs van 600.000 roebel geen reële marktprijs voor het appartement is, aldus de rechtbank. De rechtbank is voor de verdeling uitgegaan van de door de man gestelde en door de vrouw verder niet weersproken (huidige) marktwaarde van € 135.000,-.
4.5.
De vrouw betwist dat de verkoop van het appartement niet reëel is en dat het appartement niet in eigendom is overgedragen. Zij verwijst daartoe naar het koopcontract van 2 november 2013 dat ten overstaan van de notaris is gesloten en de door haar in hoger beroep overgelegde akte van levering van 3 november 2013. Door de akte van levering is naar Russisch recht de eigendom van het appartement op de koper overgegaan, zo begrijpt het hof uit de ter zitting gegeven toelichting van de vrouw, en niet door de registratie/inschrijving van het eigendomsrecht van de koper in het Algemeen Rijksregister van rechten op onroerend goed en transacties met onroerend goed, welke inschrijving volgens de vrouw – zo blijkt uit het eveneens door haar in hoger beroep overgelegde bewijs van inschrijving – op 14 oktober 2015 heeft plaatsgevonden.
Voorts betwist de vrouw dat de verkoopprijs van 600.000 roebel/€ 13.756,- geen reële marktprijs voor het appartement is. Zij heeft het appartement voor dit bedrag verkocht omdat zij in financiële nood verkeerde doordat een achterstand was ontstaan in door haar aan de stad [plaats] te betalen bedragen voor gemeentelijke belasting en nutsvoorzieningen, zij geld nodig had voor de begrafenis van haar moeder en in Nederland geld nodig had voor de overnamekosten voor een huurwoning en de aanschaf van inboedel. Bij de tussen haar en de koper overeengekomen prijs is uitgegaan van de taxatiewaarde en is rekening gehouden met de verwaarloosde staat van het appartement en de voor de koper in verband daarmee te maken noodzakelijke kosten.
Van het ontvangen bedrag van € 13.756,- is niets over, zodat niet van enige verdeling sprake kan zijn, aldus de vrouw.
4.6.
De man stelt zich op het standpunt dat naar Russisch recht de levering zich voltrekt door de registratie van de koopovereenkomst. Op 13 mei 2014 had dus nog geen levering plaatsgevonden en maakte het appartement deel uit van de per die datum (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap.
De vrouw heeft volgens de man het appartement aan hem verbeurd, omdat zij het appartement opzettelijk heeft zoekgemaakt door het heimelijk te verkopen terwijl zij wist dat het tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. De man verwijst ter onderbouwing naar een als productie b25 door hem in het geding gebrachte vertaling van een handgeschreven notitie van de vrouw die hij in de echtelijke woning heeft gevonden.
Subsidiair, zo begrijpt het hof, is de man van mening dat sprake is van een fictieve verkoop van het appartement door de vrouw aan haar hartsvriendin teneinde de werkelijke waarde van het appartement buiten de verdeling te houden. De vriendin is niet kapitaalkrachtig. Zij staat nog steeds ingeschreven op haar oorspronkelijke adres, terwijl de vrouw nog steeds staat ingeschreven op het adres van haar appartement. Volgens de man moet volgens Russisch recht betaling hebben plaatsgevonden in roebels. Er zijn geen betalingen bij of afgeschreven van de Russische bankrekeningen van de vrouw. Ook heeft geen betaling ten overstaan van de notaris plaatsgevonden, waarvoor een ondertekend betalingsbewijs verplicht is. De man betwist de noodzaak tot verkoop van het appartement vanwege ernstig achterstallig onderhoud en ook de financiële noodzaak om het appartement te verkopen ontbreekt volgens hem. Het appartement is in 2005 opgeknapt door de zuster van de vrouw en, omdat het appartement verhuurd was, kan er geen schuld van de vrouw aan de stad [plaats] zijn. De vrouw heeft voorts de diverse gestelde betalingen niet aangetoond.
Het appartement dient volgens de man voor de werkelijke waarde in de verdeling te worden betrokken. Hij betwist de door de vrouw gestelde taxatiewaarde van 228.177,73 roebel, die is gebaseerd op een uit het Sovjet tijdperk daterende waarde, welke laatstgenoemde waarde geen enkele correlatie met de economische waarde heeft. De in het koopcontract genoemde verkoopwaarde van 600.000 roebel is dan ook absoluut irreëel. De door hem gestelde waarde van € 135.000,- is gebaseerd op twee onafhankelijke berekeningen, te weten een berekening op basis van de historische koopprijzen in 2013 voor een buiten het centrum van [plaats] gelegen appartement en een berekening op basis van de vraagprijs van een nagenoeg identiek op hetzelfde adres gelegen appartement dat op 11 augustus 2015 te koop werd aangeboden.
4.7.
Het hof overweegt als volgt.
Met betrekking tot de door de vrouw gestelde verkoop en levering van het appartement bevat het dossier de volgende vanuit het Russisch vertaalde stukken:
Een “koop(verkoop)contract van appartement” gedateerd 2 november 2013 (hierna: het koopcontract), inhoudende dat de vrouw het appartement heeft verkocht aan [X] (hierna: [X] ) voor 600.000 roebel. Volgens artikel 9 van het koopcontract verkrijgt [X] de eigendomsrechten op het appartement vanaf het moment van registratie van het koopcontract en de registratie van overdracht van de eigendomsrechten bij het Departement van de Federale rijksregistratie dienst, alsmede bij het Kadaster en de Cartografische dienst van [plaats] .
Een “akte van levering” gedateerd 3 november 2013 (hierna: de leveringsakte), inhoudende dat de vrouw conform het koopcontract het appartement aan [X] heeft geleverd
Een “Bewijs van Rijksregistratie van rechten [plaats] ” van (onder meer) de Federale Dienst voor Rijksregistratie, kadaster en cartografie en het bestuur van de Federale Dienst voor Rijksregistratie, kadaster en cartografie van de stad [plaats] gedateerd 14 oktober 2015 (hierna: het registratiebewijs), inhoudende dat het recht van eigendom van [X] op het appartement op die datum is ingeschreven in het Algemeen Rijksregister van rechten op onroerend goed en transacties met onroerend goed. Er wordt een (voorwaardelijk) kadasternummer gegeven. Als document waarop het bewijs is gebaseerd wordt het koopcontract genoemd.
4.8.
Partijen verschillen van mening over de vraag wanneer de eigendomsoverdracht van het appartement heeft plaatsgevonden: door ondertekening van de leveringsakte op 3 november 2013 (de vrouw) dan wel door de registratie op 14 oktober 2015 (de man). Gelet op de aan het moment van levering door hen verbonden conclusies, te weten het appartement behoorde op 13 mei 2014, de peildatum, niet tot de huwelijksgoederengemeenschap en dient niet in de verdeling te worden betrokken (de vrouw) respectievelijk de vrouw heeft het appartement dat deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap zoek gemaakt en derhalve verbeurd subsidiair het appartement dient te worden verdeeld (de man), dient dan ook allereerst de vraag te worden beantwoord wanneer de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden.
4.9.
Paragraaf 7 van het Burgerlijk Wetboek van de Russische Federatie (hierna: Russisch BW) bevat met betrekking tot de levering van onroerende zaken onder meer de volgende artikelen:
“Article 551. State Registration of the Transfer the Title to Real estate
- 1.
The transfer of the title to real estate under the contract of sale of real estate to the buyer shall be subject to state registration.
- 2.
Before the state registration of the transfer of the title to property the execution of the contract of sale of real estate by the parties shall not be a ground for the change of their relations with third persons.
(. . .)
Article 556. The Transfer of Real Estate
1. Real estate shall be transferred by the seller and accepted by the buyer on the basis of the deed of conveyance or other document on its transfer.
Unless otherwise stipulated by the law or the contract, the obligation of the seller to transfer real estate to the buyer shall be deemed to be executed after this real estate is handed in to the buyer and after the parties sign the respective document on the transfer.”
4.10.
De hiervoor geciteerde bepalingen uit het Russisch BW geven geen eenduidig antwoord op de vraag wanneer tussen de partijen bij het koopcontract – de koper en de verkoper – de eigendomsoverdracht van het appartement heeft plaatsgevonden. Het hof is voornemens het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI), Spui 186, 2511 BW ‘s-Gravenhage tot deskundige te benoemen ter beantwoording van de hieronder geformuleerde vragen:
1. Op welk moment vindt naar Russisch recht tussen partijen bij het koopcontract (de koper en de verkoper) de eigendomsoverdracht van een onroerende zaak plaats:
- bij de ondertekening door de koper en de verkoper van de leveringsakte
- of na registratie van staatswege van de overdracht van de eigendomsrechten?
2. Indien de eigendomsoverdracht tussen de koper en de verkoper plaatsvindt na registratie van staatswege, om registratie van welk document gaat het dan: het koopcontract, de leveringsakte of beide?
3. Welke betekenis dient in verband met voorgaande vragen te worden gehecht aan de inhoud van artikel 9 van het koopcontract?
De kosten van de beantwoording van de vragen zullen ten laste worden gebracht van ’s Rijks
kas.
4.11.
Partijen worden in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na heden schriftelijk opmerkingen te maken over deze voorgenomen vraagstelling, waarna het hof de vragen bij beschikking definitief zal vaststellen en de opdracht aan het IJI zal verstrekken.
Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden in afwachting van de opmerkingen van partijen als hiervoor onder 4.10 bedoeld.
4.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. Beslissing
Het hof:
stelt partijen in de gelegenheid om binnen drie weken na heden schriftelijk bij het hof opmerkingen in te dienen overeenkomstig hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.10 en 4.11 is overwogen, onder verstrekking van een afschrift aan de wederpartij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Kleene-Eijk, mr. G.B.C.M. van der Reep en mr. J. Jonkers in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016.