Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.3.2:5.3.2 De voorlichting van de Raad van State (2013)
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.3.2
5.3.2 De voorlichting van de Raad van State (2013)
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457684:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In januari 2013 kwam de Raad van State op verzoek van de Eerste Kamer en naar aanleiding van de maatregelen die als gevolg van de crisis waren genomen met een voorlichting over de parlementaire betrokkenheid bij Europese economische regelgeving.1 Ook hierin maakte de Raad van State, evenals de Eerste Kamer in haar verzoek om voorlichting, onderscheid tussen een formele en een materiële invulling van het budgetrecht.
In dit kader stelde de Raad van State:
‘Het debat over en de vaststelling van begrotingswetten vormen een centraal element in de betrokkenheid van de kamers der Staten-Generaal bij het regeringsbeleid. Niet alleen vanwege de machtiging tot het doen van concrete uitgaven, maar zeker ook als aanknopingspunt voor een discussie over en beoordeling van het beleid van de regering. De betrokkenheid bij de vaststelling van begrotingswetten is evenwel slechts een onderdeel van de democratische betrokkenheid. Die betrokkenheid vindt meer en meer inhoud in een voortdurend debat van de regering met de Staten-Generaal over beleidsvoornemens, over de uitvoering, over specifieke beslissingen, over de aanpak van concrete problemen die de aandacht trekken, over internationaal overleg en afspraken. In die zin is het materiële budgetrecht van de Staten-Generaal veel ruimer dan het formele budgetrecht alleen. Dat recht berust niet primair op de medebetrokkenheid van de beide kamers der Staten-Generaal bij de wetgeving, maar op het recht van beide Kamers op informatie van de zijde van de regering en om in gemeen overleg met de regering te treden over de budgettaire aspecten van het algemene regeringsbeleid. Dit recht kan op elk willekeurig moment worden uitgeoefend; voordat beslissingen genomen worden of nadien.’2
Opvallend is dat de Raad van State in deze voorlichting een ruimere omschrijving van het materiële budgetrecht hanteert dan in zijn advies over de wijziging van de Cw 2001. Daarin stelde de Raad van State dat het parlement op grond van het materiële budgetrecht geïnformeerd moet worden over voorgenomen overheidsuitgaven en hiermee (stilzwijgend of uitdrukkelijk) moet instemmen. In deze voorlichting benadrukte de Raad van State vooral het overleg tussen de Staten-Generaal en de regering over de budgettaire aspecten van het algemene regeringsbeleid. Deze omschrijving staat verder af van het begrotingsproces, omdat die niet gericht is op het goed- of afkeuren van uitgaven, maar vrijwel ieder debat met budgettaire consequenties onder de reikwijdte van het materiële budgetrecht lijkt te scharen. Dit verschil past bij de discussie die in het begin van dit proefschrift is geschetst over de strikte of ruime benadering van het budgetrecht.3 Ook daarbij sluiten sommige auteurs vooral aan bij het goed- of afkeuren van voorgenomen uitgaven, terwijl anderen meer nadruk leggen op het budgetrecht als continu proces, dat in het parlement vrijwel steeds aan de orde is.