Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/3.1:3.1 Inleiding
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS487179:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het regime van het oude Burgerlijk Wetboek is veelvuldig gediscussieerd over de aard van het burenrecht. Maken de verplichtingen en rechten uit het burenrecht voortvloeiende deel uit van het eigendomsrecht van de erven, of is sprake van kwalitatieve verbintenissen voortvloeiende uit de wet?1 Nu onder het regime van het oude recht mandeligheid was geregeld in de vierde titel van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (met het opschrift: ‘Van de regten en verpligtingen tusschen eigenaars van naburige erven’) dient zich – aan de oppervlakkige lezer – derhalve de vraag aan op welke wijze mandeligheid moet worden geduid. Nog pregnanter lijkt de vraag aan de orde te komen als we weten dat Pitlo/Brahn over mandeligheid spreekt als ‘puur burenrecht’.2
Overigens zou ook vanuit een andere invalshoek de verhouding tussen burenrecht en mandeligheid kunnen worden bekeken:
indien wij het burenrecht zoals geregeld in titel 5.4 mogen beschouwen als het ‘gemene recht’, rijst de vraag of mandeligheid daaropeen uitzondering is.
In dit hoofdstuk komen beide wijzen van benadering aan de orde. Voor wat betreft het burenrecht zal – in een afzonderlijke paragraaf – in het bijzonder aandacht worden besteed aan de art. 5:46-5:49 en 5:59.