NJ 1959/355
Vruchtgebruik van tot nalatenschap behorende effecten. Verplichting van vruchtgebruiker, die de effecten heeft vervreemd.
HR 16-01-1959, ECLI:NL:HR:1959:92 (Swieringa)
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 januari 1959
- Magistraten
Mrs. Donner, de Jong, Houwing, Hülsmann en Petit
- Zaaknummer
[161959/NJ_1959-355]
- Conclusie
Mr. Langemeijer
- Roepnaam
Swieringa
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1959:92, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑01‑1959
- Wetingang
(BW art. 803-864, 804, 829, 845, 1271, 1272.)
Essentie
Vruchtgebruik van tot nalatenschap behorende effecten. Verplichting van vruchtgebruiker, die de effecten heeft vervreemd.
Samenvatting
Voor vruchtgebruik van een nalatenschap en voor andere algemene vruchtgebruiken geeft de wet geen bijzondere voorschriften, behalve de in art. 845 B. W. opgenomen regeling betreffende de betaling van schulden.
Aandelen aan toonder zijn geen verbruikbare zaken in den zin van art. 804 B. W.
Voor de aansprakelijkheid van den vruchtgebruiker tegenover den eigenaar is de tussen hen ingevolge de wet bestaande verbintenis beslissend.
In de verbintenis van den vruchtgebruiker om de zaak terug te geven (art. 829, lid 2 B. W.) ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.