Zie onder andere: HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m. nt. T.M.C.J. Schalken, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042, HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98, HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224.
HR, 19-11-2024, nr. 23/00585
ECLI:NL:HR:2024:1518
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2024
- Zaaknummer
23/00585
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1518, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:939
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3771
ECLI:NL:PHR:2024:939, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1518
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0292
Uitspraak 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184.1 Sr) en eenvoudige belediging ambtenaar (art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr). Aanwezigheidsrecht, detentie uit anderen hoofde gebleken uit door AG opgevraagde stukken. Als dagvaarding van verdachte die is ingeschreven in BRP geldig is betekend en verdachte niet op tz. is verschenen en raadsman ook niet, kan rechter (behalve bij duidelijke aanwijzingen van tegendeel) uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan aanwezigheidsrecht verdachte, is tekortgedaan. Dat kan zich voordoen als verdachte tijdens behandeling van zijn zaak i.v.m. andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit rechter bekend was. Uit door AG ambtshalve opgevraagde detentiegegevens volgt dat verdachte tijdens behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep i.v.m. andere zaak was gedetineerd. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat dagvaarding om op tz. in h.b. te verschijnen niet in persoon is uitgereikt en op die tz. geen raadsman aanwezig was, is beslissing van hof om tegen verdachte verstek te verlenen en onderzoek ttz. voort te zetten, achteraf bezien onjuist. Wegens groot belang van verdachte om bij behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, moet verdachte de mogelijkheid worden geboden om zijn zaak alsnog in h.b. in zijn aanwezigheid te doen behandelen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00585
Datum 19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2023, nummer 23-002501-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.G. van Wijk, advocaat in Hoorn NH, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte. Het voert daartoe aan dat de verdachte tijdens de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd en dat hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
2.2.1
Bij de stukken bevinden zich:a. een akte van uitreiking die inhoudt dat de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2023 op 24 januari 2023 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, omdat er op het in de basisregistratie personen (BRP) opgenomen adres van de verdachte niemand aanwezig of bereid was de dagvaarding aan te nemen, die op diezelfde datum een afschrift heeft verzonden naar het BRP-adres van de verdachte;b. het proces-verbaal van die terechtzitting dat inhoudt dat daar de verdachte niet is verschenen en ook niet een raadsman, dat tegen de verdachte verstek is verleend en dat het onderzoek is gesloten.
2.2.2
In de cassatieschriftuur is aangevoerd dat de verdachte op 31 januari 2023 was gedetineerd in verband met een andere strafzaak. Uit de door de advocaat-generaal ambtshalve opgevraagde detentiegegevens volgt dat de verdachte vanaf 31 januari 2023 inderdaad was gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats].
2.3
Als de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP, geldig is betekend (uitgereikt) en de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en zijn raadsman ook niet, kan de rechter – behalve bij duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht. De mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als de verdachte tijdens de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.
2.4
Uit wat onder 2.2.2 is weergegeven volgt dat de verdachte tijdens de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep in verband met een andere zaak was gedetineerd. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2023 te verschijnen niet in persoon is uitgereikt en op die terechtzitting geen raadsman aanwezig was, is de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek op de terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist. Wegens het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, moet de verdachte de mogelijkheid worden geboden om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn aanwezigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat de uitspraak van het hof moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.
Conclusie 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verdachte is door het hof niet-ontvankelijk verklaard in het h.b. Achteraf bezien heeft het hof ten onrechte verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, omdat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn h.b. uit andere hoofde was gedetineerd. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00585
Zitting 17 september 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 31 januari 2023 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij hij wegens het tweemaal “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast” en “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.G. van Wijk, advocaat in Hoorn NH, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat betrekking heeft op het door het hof verleende verstek tegen de niet verschenen verdachte.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof – achteraf bezien – ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, omdat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep uit andere hoofde was gedetineerd en hij dus niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
2.2
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De raadsheer doet de zaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, gedagvaard als
[verdachte],(…)
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte mr. M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn Nh, is evenmin verschenen.
De advocaat-generaal legt een akte van betekening over en een SKDB-formulier, welk laatste stuk inhoudt dat de verdachte zich niet in detentie bevond op de daarin genoemde dagen. De raadsheer deelt mede dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
2.3
In de cassatieschriftuur voert de raadsman van de verdachte het volgende aan over de afwezigheid van de verdachte bij de terechtzitting in hoger beroep:
“Na de behandeling van de strafzaak op 31 januari 2023 is mij gebleken dat cliënt zich op 31 januari 2023 omstreeks 10.00 uur heeft gemeld bij de [Penitentiaire Inrichting] voor het uitzitten van een (andere onherroepelijk geworden) gevangenisstraf. Om deze reden was het voor cliënt niet mogelijk om ter terechtzitting te verschijnen op de zitting van 31 januari 2023 om 12.00 uur in Amsterdam.”
2.4
Als uitgangspunt geldt dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch een bepaaldelijk gevolmachtigd raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat ten onrechte verstek is verleend tegen de verdachte, bijvoorbeeld omdat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.1.
2.5
In cassatie kan namens de verdachte worden geklaagd dat de verstekverlening in hoger beroep achteraf bezien onjuist is geweest. Indien deze stellingname met stukken is onderbouwd en aan de herkomst en betrouwbaarheid van deze stukken in redelijkheid niet getwijfeld hoeft te worden, kan dit aanleiding geven tot vernietiging van de bestreden uitspraak.2.
2.6
In onderhavige zaak stelt de raadsman in de cassatieschriftuur dat de verdachte zich op de dag van de terechtzitting in hoger beroep ‘s ochtends heeft gemeld bij de [Penitentiaire Inrichting] in verband met het uitzitten van een gevangenisstraf in een andere strafzaak. De verdachte zou ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep dus uit andere hoofde gedetineerd zijn geweest en niet vrijwillig afstand hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Aan de schriftuur zijn geen stukken gehecht die deze stellingname kunnen onderbouwen. Ook uit de stukken die op voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden, blijkt niet dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting was gedetineerd. Ambtshalve heb ik echter de detentiegegevens van de verdachte opgevraagd en daaruit blijkt dat de verdachte vanaf 31 januari 2023 inderdaad gedetineerd was in de [Penitentiaire Inrichting].
2.7
Dat impliceert dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd, zodat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten achteraf bezien onjuist was. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen, zodat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het middel is dus terecht voorgesteld.
3. Slotsom
3.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑09‑2024
Zie onder andere: HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042, HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98, HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:638, HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388, HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2574, HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224 en HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:573. Anders: HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2240, NJ 2016/486 m. nt. T. Kooijmans (in deze zaak was de verdachte ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep uit andere hoofde gedetineerd, maar had de gevolmachtigde raadsman van de verdachte op die terechtzitting niet om aanhouding van de zaak verzocht in verband met de uitoefening van het aanwezigheidsrecht).