NJ 1928, p. 1230
Ontvankelijkheid van resp. hooger beroep en beroep in cassatie.
HR 25-06-1928, ECLI:NL:HR:1928:57, m.nt. Prof. Mr. J.V. van Dijck
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 juni 1928
- Magistraten
Mrs. Jhr. de Savornin Lohman, Jhr. Feith, Taverne, Van Dijck en Kranenburg.
- Zaaknummer
[25061928/NJ_1928,_p._1230]
- Conclusie
Mr. Van Lier
- Noot
Prof. Mr. J.V. van Dijck
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS123008:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1928:57, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑1928
- Wetingang
Essentie
Ontvankelijkheid van resp. hooger beroep en beroep in cassatie.
Samenvatting
Beide rechtsmiddelen kunnen slechts worden ingesteld door een verklaring, terwijl uit de regeling der artt. 449—452 Sv. in het onderling verband harer onderdeden duidelijk volgt, dat ten deze slechts van een mondelinge verklaring sprake is.
Terecht heeft het Gerechtshof, nu de requirante, die in eersten aanleg deels was veroordeeld en deels vrijgesproken, in strijd met art. 407 Sv. slechts hooger beroep had aangeteekend, voor zoover zij bij het beroepen vonnis was veroordeeld, haar in dat beroep niet ontvangen.
Ook tegen die beslissing van het Gerechtshof is de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.