Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.8:3.6.8 Het “recht van toe-eigening” (het “recht van verwerving”)
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.8
3.6.8 Het “recht van toe-eigening” (het “recht van verwerving”)
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645014:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Suijling V (1940), p. 12-13.
Suijling V (1940), p. 46.
Op het “recht van verwerving” kom ik in Deel 4, BW uitgebreid terug.
Suijling V (1940), p. 12-13. Zie anders Hofmann (1944), p. 154, voetnoot 1: ”(…) Een toeëigeningsrecht is echter in geen geval een zakelijk recht;”
Suijling V (1940), p. 46.
Suijling V (1940), p. 241-242.
Zie Hoofdstuk 2, §2.7.3.
Beter is om te spreken van “slapende acties”, zie Hoofdstuk 1, §1.10.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens Suijling, die het recht van vruchtgebruik als voorbeeld nam, was een recht van toe-eigening verdisconteerd in het recht van vruchtgebruik.1 De vruchtgebruiker had op grond van zijn recht de bevoegdheid om de vruchten en de door hem toegevoegde zaken los te maken en toe te eigenen. Hij verkreeg onafhankelijk van de wil van de bloot-eigenaar de eigendom van deze afgescheiden zaken. Dit recht van toe-eigening vertoonde volgens Suijling verwantschap met de “zakelijke wilsrechten” zoals het hypotheek- en pandrecht. Op grond van zulke “wilsrechten” konden de pand- en hypotheekhouder in geval van executie onafhankelijk van de wil van de eigenaar de bezwaarde zaken in eigendom overdragen.2 Het “recht van toe-eigening” had een ieder die een afscheidingsrecht had. Dat ze gerechtigd waren tot het toe-eigenen van de afgescheiden zaken, werd expliciet genoemd in de wettekst over het afscheidingsrecht van de bezitter en de huurder:
“De huurder mag, bij de ontruiming van het gehuurde goed, afbreken en naar zich nemen [cursief, JCTF] al hetgeen hij daaraan, op zijne kosten, heeft doen maken, mits zulks gedaan worde zonder beschadiging van het goed.”
En
“De uitgaven tot nut en verfraaijing blijven ten laste van dengenen, die te goeder of te kwader trouw bezeten heeft, doch hij heeft het regt om de door hem aangebragte voorwerpen van nut en verfraaijing tot zich te nemen [cursief, JCTF], indien zulks kan geschieden zonder het goed te beschadigen.”
Het toe-eigeningsrecht was in de ogen van Suijling een zakelijk recht.
“Dit zakelijk toeëigeningsrecht moet ook door derden worden geëerbiedigd. Wanneer de eigenaar failleert, oogst de pachter het gewas, dat op den grond van den failliet groeit. Aan de crediteuren van den schuldenaar is het ontzegd daarop de hand te leggen.”3
De “toe-eigeningsgerechtigde” verkreeg het eigendomsrecht van de afgescheiden zaak op het ogenblik van de afscheiding. Het was niet nodig dat hij deze zaak zelf in bezit nam. De term “recht van toe-eigening” is daarom verwarrend, want hij doet te veel denken aan occupatio (toe-eigening). Om verwarring te voorkomen zou ik de term van Suijling “recht van toe- eigening” niet willen overnemen, maar in de plaats daarvan de uitdrukking “recht van verwerving” willen gebruiken.4
Als een derde op eigen initiatief de vruchten verwijderde, dan verkreeg de vruchtgebruiker daarvan de eigendom.5 Volgens Suijling werd in bepaalde gevallen het eigendomsrecht met het recht van verwerving verward. Zo stelde hij dat de opstalgerechtigde niet het eigendomsrecht van de opstal had, maar een recht van verwerving. Dat art. 758 OBW stelde dat het recht van opstal een zakelijk recht was om gebouwen, werken en beplantingen op andermans grond te hebben, “miste beslissende betekenis”.6
Het verschil tussen het recht van verwerving en het eigendomsrecht is van belang voor de dogmatiek. De vruchtgebruiker had een recht van verwerving en daardoor verkreeg hij de eigendom van de vruchten. Ditzelfde gold voor de erfpachter, de bezitter, enzovoorts. De eigenaar had het eigendomsrecht van een zaak en daardoor verkreeg hij de eigendom van de afgescheiden bestanddelen. Het eigendomsrecht dat de vruchtgebruiker verkreeg was dus niet alleen afgeleid van het eigendomsrecht van de eigenaar, maar óók afgeleid van het recht van vruchtgebruik waarin het recht van verwerving was verdisconteerd.7 Vandaar dat de beperkte rechten die op de hoofdzaak rustten, niet op de afgescheiden vruchten kwamen te rusten.
Het recht van verwerving doet sterk denken aan het Duitse Aneignungsrecht. De Aneignungsberechtigte verkreeg na de afscheiding en toe-eigening de eigendom. Dit zakelijk recht was eveneens verdisconteerd in de beperkte rechten, zoals vruchtgebruik. Het Aneignungsrecht wordt, anders dan het toe-eigeningsrecht, expliciet in het BGB genoemd.8 De bezitter mocht blijkens §997 BGB een wezenlijk bestanddeel “abtrennen und sich aneignen”.
Naast de vergelijking met het Duitse Aneignungsrecht dringt zich nog een vergelijking op, zeker voor de gevallen waarin het recht van verwerving verdisconteerd was in een afscheidingsrecht (ius tollendi). Ze vormden gezamenlijk een soort hulprecht om de eigendom te verkrijgen. Werden aan het vruchtgebruik zaken door de vruchtgebruiker toegevoegd, dan kon hij na de afscheiding de eigendom ervan verkrijgen. Daarmee hadden het recht van afscheiding en het recht van verwerving dezelfde functie als de actio ad exhibendum. Met deze actie kon men vorderen dat een bestanddeel werd afgescheiden, waarna men de zakelijke rechten van vóór de verbinding verkreeg. Die verkrijging was in het Romeinse recht gelegen in het “ontwaken” van de slapende rechten.9 Dit was anders onder het OBW. Daar werd de eigendom verkregen door zowel het recht van afscheiding als het recht van verwerving gezamenlijk. Op die manier werd hetzelfde resultaat bereikt als onder het Romeinse recht, met dien verstande dat naar Romeins recht het oorspronkelijke (“ontwaakte”) eigendomsrecht werd verkregen en naar het OBW een nieuw eigendomsrecht. Waar de Romeinen dit bereikten in één stap (afscheiding), hadden het Duitse en het oud-Nederlandse recht van 1838 twee stappen nodig (afscheiding en “toe-eigening”). Door de erkenning van het recht van verwerving kon voor het OBW worden verklaard waarom een ander dan de eigenaar van de hoofdzaak het eigendomsrecht verkreeg.
Het verschil tussen het Romeinse recht enerzijds en het Duitse en het oud-Nederlandse recht van 1838 anderzijds, doet zich voor als bij de laatstgenoemde rechtsstelsels geen Aneignungsrecht of “recht van verwerving” voorhanden waren. Een voorbeeld: indien iemand een huis op zijn grond bouwt met andermans materialen, dan verkrijgt de grondeigenaar naar Romeins, Duits en oud-Nederlands recht de eigendom van die materialen. Wanneer het huis wordt afgebroken, dan verkrijgt de oorspronkelijke eigenaar naar Romeins recht de materialen in eigendom. Zijn eigendomsrecht (lees eigendomsactie) herleefde immers weer. Naar Duits en oud-Nederlands recht verkreeg de oorspronkelijke eigenaar de eigendom niet, aangezien aan hem geen Aneignungsrecht respectievelijk “recht van verwerving” toekomt.