M en R 2025/69
Beroepsverbod. De bijkomende straf van ontzetting van het recht tot de uitoefening van een (voldoende) bepaald beroep als bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder 5° Sr.
HR 25-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:450, m.nt. H.J.A. van Ham
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 maart 2025
- Magistraten
Borgers, Kuijer, Caminada
- Zaaknummer
23/03435
- Noot
H.J.A. van Ham
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD15521:1
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Algemeen
Milieurecht / Inrichtingen en activiteiten - vergunningen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:450, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1207, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑08‑2024
- Wetingang
Art. 28 Sr
Essentie
Beroepsverbod. De bijkomende straf van ontzetting van het recht tot de uitoefening van een (voldoende) bepaald beroep als bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder 5° Sr.
Samenvatting
Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder 5° Wetboek van Strafrecht (Sr) kan verdachte worden ontzet uit onder meer het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen. Die mogelijkheid bestaat in de bij wet bepaalde gevallen en als het strafbaar feit is begaan in de uitoefening van dat beroep. De ontzetting moet betrekking hebben op het recht op de uitoefening van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.