Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/7.6.2
7.6.2 De insiderlijst
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS495062:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor Obenhuijsen, V&O 2006, p. 13-16; Perrick/Chang, Serie 00&R, deel 34(2008), p. 126-129; Schreurs, Ondernemingsrecht 2005, p. 188-189; Van Woerden, Bankjuridische Reeks, deel 53(2005), p. 105-127.
Zie Kamerstukken H, 2004-2005, 29 827, nr. 3, p. 36 en Kamerstukken II, 2005-2006, 29 708, nr. 19, P. 606.
Zie Kamerstukken II, 2004-2005, 29 827, nr. 3, p. 36.
Dat wil zeggen: in aanvulling op de in art. 5:59 lid 1 Wft uitgeschreven tekst van de werkingssfeer van deze verplichting.
Kennelijk anders: Perrick/Chang, Serie OO&R, deel 34(2008), p. 127. Deze schrijvers suggereren in de hoofdtekst dat de verplichting tot het opstellen en bijhouden van een insiderlijst geldt voor uitgevende instellingen met zetel in Nederland ongeacht waar de financiële instrumenten tot de handel zijn toegelaten (in Nederland, een lidstaat of een niet-lidstaat). In voetnoot 66 van hun bijdrage noemen zij wel de werkingssfeer van art. 5:56 lid 1 onderdeel b Wft, maar laten daarbij onvermeld dat een discrepantie bestaat met de tekst van art. 5:59 lid 1 Wft (in die zin dat in art. 5:56 lid 1 onderdeel b Wft ook gewag wordt gemaakt van een multilaterale handelsfaciliteit in een andere lidstaat en een met een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is, terwijl dat in art. 5:59 lid 1 Wft niet het geval is).
Zie de Nota van toelichting op het Besluit marktmisbruik Wft (Stb. 2006, 510), p. 4.
Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — third set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, mei 2009, CESR/09-219, onder 15.
Mijns inziens wordt niet vereist dat de insiderlijst van de uitgevende instelling de namen bevat van alle personen die op de insiderlijst van de opdrachtnemer van de uitgevende instelling voorkomen. Uit Vzngr. Rb. Rotterdam 3 september 2008, JOR 2008/274 m.nt. G.T.J. Hoff (Numico B.V./AFM) blijkt dat de AFM kennelijk een andere opvatting is toegedaan. Mijns inziens gaat de AFM er ten onrechte aan voorbij dat blijkens art. 5:59 lid 1 Wft de verplichting van de uitgevende instelling en de opdrachtnemer om een insiderlijst op te stellen nevenschikkend is geformuleerd. Zo geldt deze verplichting voor de uitgevende instelling onderscheidenlijk voor 'een ieder die namens of voor rekening van een hiervoor bedoelde uitgevende instelling optreedt' ten aanzien van 'de bij haar of hem werkzame personen' (cursivering toegevoegd, JH) die op regelmatige of incidentele basis kennis kunnen hebben van koersgevoelige informatie. Ook CESR gaat ervan uit dat opdrachtnemers van de uitgevende instelling een eigen verplichting hebben een insiderlijst op te stellen en bij te houden. Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — third set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, mei 2009, CESR/09-219, onder 10 en 15. In dezelfde zin: Doorenbos, Ondernemingsrecht 2008, p. 562.
Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — second set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, juli 2007, CESR /06-562b, onder 4.7.
Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — third set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, mei 2009, CESR/09-219, onder 10.
Ik teken nog aan dat de Nederlandse wetgever verder is gegaan dan waartoe de Richtlijn marktmisbruik vetplicht door in de wettelijke regeling van de insiderlijst uitgevende instellingen waarvan de financiële instrumenten met hun instemming zijn toegelaten tot de handel op een multilaterale handelsfaciliteit te betrekken.
Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — second set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, juli 2007, CESR/06-562b, onder 4.3.
Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — second set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, juli 2007, CESR/06-562b, onder 4.5.
Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — second set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, juli 2007, CESR/06-562b, onder 4.6.
Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — third set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, mei 2009, CESR/09-219, onder 17 en 18.
Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — third set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, mei 2009, CESR/09-219, onder 11. CESR stelt onomwonden: 'To be included by a company on its insiders' list, the concept of having access to inside information means that the person concerned must have access to information as a result of his activities or duties within the issuer or persons acting on their behalf, as opposed to obtaining access by other means, such as by accident, of which the issuer is not aware.'
Zie de Nota van toelichting op het Besluit marktmisbruik Wft (Stb. 2006, 510), p. 41. De wetgever lijkt hier gehoor te hebben gegeven aan de oproep van Schreurs om te verduidelijken dat voor de uitgevende instelling geen verplichting bestaat om op de insiderlijst gegevens te verwerken ten aanzien van de vraag 'welke personen op welk moment over welke bijzondere informatie beschikken'. Zie Schreurs, Ondernemingsrecht 2005, p. 188-189.
Zie de Nota van toelichting op het Besluit marktmisbruik Wft (Stb. 2006, 510), p. 41.
Zie art. 4 lid 2 van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft. CESR stelt te dien aanzien vast: 'Whilst CESR understands that companies may feel that many people within the organisation need to know some inside information, there are clear risks associated with large numbers of people having access to such infonnation and issuers should make every effort to keep inside information known to as small a group of people as possible. CESR's experience to date shows that insiders' lists often have very large numbers of names on the list' Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — mini set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, mei 2009, CESR/09-219, onder 11.
Zie de Nota van toelichting op het Besluit marktmisbruik Wft (Stb. 2006, 510), p. 41.
Zie CESR, Market Abuse Directive, Level 3 — third set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market, mei 2009, CESR/09-219, onder 16.
Art. 5:59 lid 1 Wft legt in de eerste plaats een verplichting op aan bepaalde uitgevende instellingen om een lijst op te stellen en bij te houden van personeelsleden die op regelmatige of incidentele basis kennis kunnen hebben van voorwetenschap als bedoeld in art. 5:53 lid 1 Wft. Deze lijst wordt ook wel als `insiderlijst' aangeduid. In de tweede plaats wordt een verplichting aan deze uitgevende instellingen opgelegd om de op de insiderlijst geplaatste personen op de hoogte te stellen van de in afdeling 5.4.2 (Regels ter voorkoming van marktmisbruik) van de Wet op het financieel toezicht gestelde verboden en de hoogte van de sancties die op overtreding daarvan zijn gesteld.1 Bij of krachtens AMvB worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud, het bijwerken en het bewaren van de insiderlijst (art. 5:59 lid 2 Wft). Deze regels zijn opgenomen in art. 10 van het Besluit marktmisbruik Wft.
Doel van de maatregelen
Het opstellen en bijhouden van een insiderlijst wordt door de wetgever gezien als een maatregel ter bescherming van de marktintegriteit. De insiderlijsten kunnen nuttig zijn voor uitgevende instellingen om de stroom van als voorwetenschap informatie aan te merken informatie onder controle te houden en zullen uitgevende instellingen in staat stellen om aan hun wettelijke verplichtingen te voldoen. Bovendien kunnen deze lijsten een nuttig hulpmiddel vormen voor de toezichthouder bij de uitoefening van het toezicht.2
De verplichting om de personeelsleden van de uitgevende instelling op de hoogte te stellen van de in afdeling 5.4.2 van de Wet op het fmancieel toezicht gestelde verboden en de hoogte van de sancties die op overtreding daarvan zijn gesteld, geldt eveneens als een preventieve maatregel. Met de in afdeling 5.4.2 gestelde verboden wordt gedoeld op het transactieverbod van art. 5:56, het tipverbod van art. 5:57 en het verbod van marktmanipulatie van art. 5:58 Wft. Indien een uitgevende instelling heeft nagelaten een van haar personeelsleden hiervan op de hoogte te stellen, kan die persoon hieraan geen verweer ontlenen door op deze omissie een beroep te doen als rechtvaardigingsgrond of als schulduitsluitingsgrond in verband met de overtreding van een van genoemde verboden.3
Werkingssfeer
Het afbakenen van de werkingssfeer van de voor uitgevende instellingen geldende verplichting een insiderlijst op te stellen en bij te houden, heeft de wetgever in art. 5:59 lid 1 Wft nodeloos ingewikkeld gemaakt. Het lijkt er bovendien op dat de wetgever in zijn eigen systematiek verstrikt is geraakt. Als gevolg hiervan is mijns inziens een aantal ongerijmdheden in de wettekst geslopen.
Bij het afbakenen van de werkingssfeer hinkt de wetgever op twee gedachten. Enerzijds wordt de werkingssfeer bepaald door in art. 5:59 lid 1 Wft verwijzingen op te nemen naar de werkingssfeer van het transactieverbod zoals vastgelegd in art. 5:56 lid 1 Wft. Anderzijds lijkt de werkingssfeer ook volledig te zijn uitgeschreven in art. 5:59 lid 1 Wft. Een dubbele werkwijze is vanzelfsprekend overbodig indien beide benaderingswijzen tot hetzelfde resultaat zouden leiden. Problemen ontstaan echter indien — zoals in dit geval — de beide benaderingswijzen tot een uiteenlopend resultaat leiden. Welke benaderingswijze trekt dan aan het langste eind?
Gelet op het complexe karakter van de materie loop ik de verschillende categorieën uitgevende instellingen waarvoor de verplichting geldt om een insider-lijst op te stellen en bij te houden, stap voor stap af. Wie de vele tussenstappen niet wenst te zetten, kan ook met een hink-stap-sprong doorgaan naar het volgende kopje waar de werkingssfeer samengevat is weergegeven.
In art. 5:59 lid 1 Wft wordt een onderscheid gemaakt tussen uitgevende instellingen met een zetel4 in Nederland (eerste categorie), in een andere lidstaat (tweede categorie) of in een staat die geen lidstaat is (derde categorie).
De eerste categorie uitgevende instellingen wordt als volgt omschreven:
"Een uitgevende instelling met zetel in Nederland die financiële instrumenten als bedoeld in artikel 5:56, eerste lid, onderdeel a of b, heeft uitgegeven die met haar instemming zijn toegelaten tot de handel op een daar bedoelde gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit waarvoor de beleggingsondememing een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:96 of waarvoor met haar instemming verzocht is om toelating van die financiële instrumenten tot de handel op een dergelijke markt (...)."
De verwijzing naar art. 5:56 lid 1 onderdeel a Wft houdt in dat bij de afbakening van de werkingssfeer mede5 moet worden betrokken een uitgevende instelling waarvan:
"(...) financiële instrumenten (...) zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, is verleend of een multilaterale handelsfaciliteit waarvoor de beleggingsondememing een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:96 of waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd".
In dit geval leidt de dubbele benaderingswijze van de wetgever tot hetzelfde resultaat. Het is alleen nogal omslachtig opgeschreven.
Dan de verwijzing naar art. 5:56 lid 1 onderdeel b Wft bij deze eerste categorie uitgevende instellingen. Deze verwijzing houdt in dat bij de afbakening van de werkingssfeer mede moet worden betrokken een uitgevende instelling waarvan:
"(...) financiële instrumenten (...) zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit in een andere lidstaat of die zijn toegelaten tot de handel op een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is, of in financiële instrumenten waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd".
Bij dit onderdeel leidt de toevoeging van een gereglementeerde markt in een andere lidstaat niet tot enig verschil. Die toevoeging wordt afgedekt door de verwijzing in art. 5:59 lid 1 Wft naar "een daar bedoelde gereglementeerde markt". Dat ligt anders voor de verwijzing in art. 5:56 lid 1 onderdeel b Wft naar een multilaterale handelsfaciliteit in een andere lidstaat of een met een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is, omdat het vervolg van art. 5:59 lid 1 Wft slechts het oog heeft op een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland. Naar mag worden aangenomen, wordt door het vervolg van art. 5:59 lid 1 Wft de reikwijdte van de verwijzing naar art. 5:56 lid 1 onderdeel b Wft op dit gebied ingeperkt.6
Kortom, een uitgevende instelling met zetel in Nederland dient een insiderlijst op te stellen en bij te houden indien haar fmanciële instrumenten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt — hetzij in Nederland, hetzij in een andere lidstaat — of een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland.
De tweede categorie uitgevende instellingen wordt in art. 5:59 lid 1 Wft als volgt omschreven:
"(...) een uitgevende instelling met zetel in een andere lidstaat die financiële instrumenten als bedoeld in artikel 5:56, eerste lid, onderdeel d, heeft uitgegeven die met haar instemming zijn toegelaten tot de handel op een daar bedoeld met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem".
Als gevolg van de verwijzing naar art. 5:56 lid 1 onderdeel d Wft moet bij de afbakening van de werkingssfeer mede betrokken worden een uitgevende instelling waarvan:
"(...) financiële instrumenten (...) zijn toegelaten tot de handel op een multilaterale handelsfaciliteit waarvoor de beleggingsonderneming een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:96."
Wonderlijk genoeg suggereert de tekst van art. 5:59 lid 1 Wft met betrekking tot deze categorie uitgevende instellingen, door mede te verwijzen naar een gereglementeerde markt, een ruimere werkingssfeer dan uiteindelijk in art. 5:56 lid 1 onderdeel d Wft wordt waargemaakt. Immers, in art. 5:56 lid 1 onderdeel d wordt alleen gewag gemaakt van een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland. In dit geval is de inperking van de werkingssfeer te lezen in art. 5:56 lid 1 onderdeel d Wft. De verplichting om een insiderlijst op te stellen en bij te houden, geldt voor uitgevende instellingen met een zetel in een andere lidstaat slechts indien haar financiële instrumenten zijn toegelaten tot de handel op een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland.
Ten slotte luidt de omschrijving van de derde categorie uitgevende instellingen:
"(...) een uitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is die financiële instrumenten als bedoeld in artikel 5:56, eerste lid, onderdeel a, heeft uitgegeven of voornemens is uit te geven die met haar instemming zijn toegelaten tot de handel op een daar bedoelde gereglementeerde markt of een markt in financiële instrumenten, niet zijnde een gereglementeerde markt, waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, of waarvoor met haar instemming verzocht is om toelating van die financiële instrumenten tot de handel op een dergelijke markt".
Bij deze passage plaats ik vooreerst twee opmerkingen. In de eerste plaats is onduidelijk waarom de werkingssfeer bij deze derde categorie opeens uitgebreid wordt met uitgevende instellingen die voornemens zijn om fmanciële instrumenten uit te geven. Een dergelijke uitbreiding komt niet voor bij de twee andere categorieën uitgevende instellingen. Naar mag worden aangenomen, is hier sprake van een slip of the pen van de wetgever. In de tweede plaats wordt verwezen naar een erkende markt in financiële instrumenten. Als gevolg van de omzetting van de Richtlijn markten in financiële markten in de Wet op het fmancieel toezicht had de tekst hier moeten verwijzen — zoals dat ook is gebeurd bij de eerste categorie uitgevende instellingen — naar "een multilaterale handelsfaciliteit waarvoor de beleggingsonderneming een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:96 of waarvoor met haar instemming verzocht is om toelating van die fmanciële instrumenten tot de handel op een dergelijke markt". Ook hier heeft de Wft-wetgever een steekje laten vallen.
Hiervoor is de tekst van art. 5:56 lid 1 onderdeel a Wft reeds aangehaald. In dit geval geldt ten aanzien van deze derde categorie uitgevende instellingen dat de beide benaderingswijzen weer tot hetzelfde resultaat leiden. Een uitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is, dient een insiderlijst op te stellen en bij te houden indien haar financiële instrumenten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland.
Uit art. 5:59 lid 1 Wft volgt dat de verplichting een insiderlijst op te stellen en bij te houden mede geldt voor "een ieder die namens of voor rekening van een hiervoor bedoelde uitgevende instelling optreedt". Deze categorie kent een ruime omschrijving van opdrachtnemers van de uitgevende instelling. Volgens de Nota van toelichting7 kan hierbij onder meer gedacht worden aan advocaten, accountants of andere opdrachtnemers. Hier kunnen volgens CESR als voorbeelden nog "tax advisors, managers of issuers (like corporate and investment banks), communication and IT agencies, rating agencies, and investor relations agencies" aan toegevoegd worden.8 Het is begrijpelijk dat ook op deze opdrachtnemers een plicht rust een insiderlijst op te stellen en bij te houden aangezien voor de uitgevende instelling niet altijd inzichtelijk zal zijn wie binnen het bedrijf van de opdrachtnemer(s) kennis kunnen hebben van koersgevoelige informatie met betrekking tot de uitgevende instelling. Wel lijkt vereist te zijn dat de uitgevende instelling in haar insiderlijst aangeeft dat zij een dergelijke opdrachtnemer heeft ingeschakeld en wie daarvan de contactpersoon is.9
Ten aanzien van de werkingssfeer van deze voor opdrachtnemers van de uitgevende instelling geldende verplichting tot het opstellen en bijhouden van een insiderlijst geldt dat het voor de uitgevende instelling geldende wettelijk regime van toepassing is.10 De plaats van vestiging van deze opdrachtnemers is niet relevant. Omdat deze opdrachtnemers niet altijd op de hoogte zullen zijn van de verplichting om een insiderlijst op te stellen en bij te houden, rust op de uitgevende instelling de plicht om deze opdrachtnemers daarvan in kennis te stellen.11
Werkingssfeer samengevat
De verplichting tot het opstellen en bijhouden van een insiderlijst geldt ingevolge art. 5:59 lid 1 Wft voor:
een uitgevende instelling met zetel in Nederland indien de door haar uitgegeven fmanciële instrumenten met haar instemming zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland of een andere lidstaat gelegen of functionerende gereglementeerde markt dan wel een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland, of waarvoor met haar instemming is verzocht om toelating tot de handel op een dergelijk handelsplatform;
een uitgevende instelling met zetel in een andere lidstaat waarvan de door haar uitgegeven fmanciële instrumenten met haar instemming zijn toegelaten tot de handel op een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland, of waarvoor met haar instemming is verzocht om toelating tot de handel op een dergelijk handelsplatform;
een uitgevende instelling met zetel in een andere staat waarvan de door haar uitgegeven fmanciële instrumenten met haar instemming zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt dan wel een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland.
Het wettelijk regime dat geldt voor een opdrachtnemer van een uitgevende instelling volgt dat van de uitgevende instelling waarvoor wordt opgetreden.
Commentaar op de werkingssfeer
In vergelijking met de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie — waarop uitgebreid in hoofdstuk 4 is ingegaan — treedt één significant verschil aan de dag. Uitgevende instellingen met zetel in een andere lidstaat die financiële instrumenten hebben uitgegeven die met haar instemming zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen gereglementeerde markt of waarvoor met haar instemming is verzocht om toelating tot de handel op een dergelijk handelsplatform, zijn wel onderworpen aan de openbaarmakingsplicht van art. 5:25i Wft maar daarvoor geldt niet de verplichting tot het opstellen en bijhouden van een insiderlijst op grond van art. 5:59 lid 1 Wft. Deze uitgevende instellingen zijn onderworpen aan de op de Richtlijn marktmisbruik gebaseerde implementatiewetgeving van de insiderlijst van de lidstaat waar de uitgevende instelling haar zetel heeft. Mijns inziens had de Nederlandse wetgever op grond van de territoriale rechtsmacht van art. 10 van de Richtlijn marktmisbruik deze materie wel moeten regelen voor deze uitgevende instellingen (zie § 3.4.2).12 De door de Nederlandse wetgever gemaakte keuze lijkt enerzijds te billijken, omdat aldus wordt voorkomen dat de insiderlijst dubbel wordt geregeld maar daar staat tegenover dat uitgevende instellingen met zetel in een andere lidstaat waarvan de fmanciële instrumenten uitsluitend met hun instemming zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen gereglementeerde markt thans mogelijk geheel buiten schot blijven.
Gelet op de territoriale rechtsmacht van art. 10 van de Richtlijn marktmisbruik zal een uitgevende instelling met zetel in Nederland waarvan de financiële instrumenten met haar instemming eveneens zijn toegelaten tot de handel op een handelsplatform in één of meer andere lidstaten óók zijn onderworpen aan de nationale wetgeving met betrekking tot het opstellen en bijhouden van een insiderlijst van die andere lidsta(a)t(en). CESR13 merkt ten aanzien van deze samenloop nogal laconiek op:
"There are already a certain number of issuers whose financial instruments are admitted to trading on regulated markets in different European jurisdictions. Consequently, it appears that the same issuer hos to comply with the requirement to draw up and maintain insider lists in accordance with the legai framework applicable in each of the concemed jurisdictions. In other words, there may be overlapping requirements with respect to keeping the insider list, in certain circumstances. From the competent authorities' perspective, it is considered that overlapping is preferable to loopholes. However, it may be argued that such overlapping could prove `burdensome' for issuers."
CESR14 beveelt in elk geval aan dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de insiderlijsten erkennen die opgesteld zijn volgens de wetgeving van de lidstaten waar de uitgevende instelling haar zetel heeft. Wat CESR echter met de ene hand geeft, lijkt zij met de andere hand weer terug te nemen. CESR15 stelt namelijk vervolgens:
"This recommendation does not challenge the obligation of an issuer in each of the relevant jurisdictions to establish an insider list and the right for the competent authority from any of these jurisdictions to request such list"
Niet duidelijk is waar CESR precies het oog op heeft. Het beginsel van erkenning houdt mijns inziens in dat, hoewel een uitgevende instelling in elke lidstaat waar haar fmanciële instrumenten met haar instemming zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt een insiderlijst moet opstellen en bijhouden, de inhoud van die lijst bepaald wordt door de wetgeving van de lidstaat waar zij haar zetel heeft. Naar mag worden aangenomen, zal CESR in de aangehaalde passage niet bedoeld hebben te stellen dat de uitgevende instelling ook verplicht is in elke relevante lidstaat een insiderlijst op te stellen en bij te houden in overeenstemming met de wetgeving van die lidstaat.
Ten aanzien van de taal waarin de insiderlijst aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat moet worden overgelegd, is CESR van oordeel dat de insiderlijst in een voor die bevoegde autoriteit buitenlandse taal mag zijn opgesteld, mits deze taal in internationale fmanciële kringen gebruikelijk is.16
Inhoud van de insiderlijst
Volgens art. 10 lid 1 van het Besluit marktinisbruik Wft dient de insiderlijst de volgende gegevens te bevatten: (a) de naam van alle personen die op regelmatige of incidentele basis kennis kunnen hebben van voorwetenschap, (b) de reden waarom deze personen op de lijst zijn vermeld en (c) de datum waarop de lijst is opgesteld en bijgewerkt. De insiderlijst bevat slechts de namen van de personeelsleden van de uitgevende instelling. De namen van familieleden van de personeelsleden behoeven niet te worden opgenomen.
Niet is vereist dat de betrokken personen daadwerkelijk kennis hebben van voorwetenschap. Voldoende is dat de betrokken personen op regelmatige of incidentele basis kennis kunnen hebben van voorwetenschap. In de regel zal deze categorie van personen samenvallen met de kring van primaire insiders die in art. 5:56 lid 2 onder a en c Wft wordt omschreven. Vanzelfsprekend mag verder worden aangenomen dat de kring van deze personen beperkt is tot degenen die bevoegd toegang hebben tot voorwetenschap.17
Bij de reden waarom een persoon vermeld is op de insiderlijst kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een functie die de betrokken persoon bekleedt als die functie met zich brengt dat de betrokkene op regelmatige basis kennis kan nemen van voorwetenschap (zoals bestuurders, commissarissen, compliance officers, medewerkers van stafafdelingen e.d.). Het is ook mogelijk dat een persoon op incidentele basis kennis kan hebben van voorwetenschap, bijvoorbeeld omdat de betrokkene bij een bepaalde transactie of project betrokken is. Omdat kennis waarover personen beschikken fluctueert en het redelijkerwijs ondoenlijk is om bijvoorbeeld binnen één bepaalde transactie of project bij te houden wie precies over welke voorwetenschap beschikt en wanneer dit het geval is, volstaat een opgave op de insiderlijst van de transactie of het project waarbij de betreffende persoon betrokken is.18
Het staat een uitgevende instelling vrij om ofwel één geïntegreerde lijst te hanteren waarop niet alleen alle personeelsleden staan die op grond van hun functie regelmatig kennis kunnen hebben van voorwetenschap, maar ook alle personeelsleden die betrokken zijn of kunnen worden bij bijvoorbeeld een project of een transactie op grond waarvan zij incidenteel kennis kunnen hebben van voorwetenschap, dan wel om afzonderlijke lijsten te hanteren (bijvoorbeeld één met personeelsleden die op grond van hun functie regelmatig kennis kunnen hebben van voorwetenschap en één met personeelsleden die bij een concreet project of transactie betrokken zijn).19
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat alle personeelsleden van de uitgevende instelling zonder verdere afweging op de insiderlijst worden geplaatst. Hierbij is zowel de betrokken uitgevende instelling als de AFM niet gebaat. Het gaat erom dat een redelijke beoordeling gemaakt wordt van de kring van personen die op regelmatige of incidentele basis kennis kunnen hebben van voorwetenschap, zulks mede gelet op de omvang van de uitgevende instelling en de wijze waarop (de gang van zaken binnen) het bedrijf is georganiseerd. Daarbij dient voor de uitgevende instelling verder als richtsnoer te gelden dat de toegang tot voorwetenschap beperkt wordt tot personen voor wie het noodzakelijk is om in het kader van de normale taakuitoefening bekend te zijn met deze informatie (zie § 5.14).20
Bijwerken van de insiderlijst
Vervolgens bepaalt art. 10 lid 2 van het Besluit marktmisbruik Wft in welke gevallen de insiderlijst onverwijld bijgewerkt dient te worden. De insiderlijst moet bijgewerkt worden indien: (a) de reden waarom een persoon op de lijst is vermeld, is gewijzigd, (b) een persoon dient aan de lijst te worden toegevoegd en (c) een persoon die op de lijst staat geen toegang meer heeft tot koersgevoelige informatie. Art. 10 lid 3 van het Besluit marktmisbruik Wft verlangt ten slotte dat als een persoon geen toegang meer heeft tot koersgevoelige informatie de uitgevende instelling dit gegeven onder vermelding van het bewuste tijdstip onverwijld op de insiderlijst vermeldt. Een grondslag voor deze verplichting is mijns inziens reeds te lezen in art. 10 lid 2 onderdelen a en c van het Besluit marktmisbruik Wft.
Bewaring van gegevens
De uitgevende instelling dient verouderde gegevens ten minste vijf jaar na het opstellen of bijwerken van de insiderlijst te bewaren (art. 10 lid 4 van het Besluit marktmisbruik Wft). De verouderde gegevens mogen in elektronisch toegankelijke en beveiligde bestanden bewaard worden.21
Outsourcing
De uitgevende instelling mag de werkzaamheden in verband met het opstellen en bijhouden van de insiderlijst aan een derde uitbesteden.22 Outsourcing heft de verantwoordelijkheid van de uitgevende instelling voor de naleving van deze verplichting niet op. Ook de personen aan wie het opstellen en bijhouden van de insiderlijst door de uitgevende instelling wordt gedelegeerd, dienen op de insiderlijst geplaatst te worden.
Toezicht
De uitgevende instelling behoeft de insiderlij st niet ter kennisneming aan de AFM te sturen. Het opstellen en bijhouden van de insiderlijst is daarmee voor de uitgevende instelling echter allerminst een vrijblijvende aangelegenheid. Indien de AFM bijvoorbeeld tijdens een onderzoek inzage in de insiderlijst wil, kan zij deze bij de uitgevende instelling opvragen. De gegevens die op de insiderlijst voorkomen, kunnen voor de AFM aanleiding zijn om nadere vragen te stellen (art. 1:74 Wft).