Vgl. Hof 's Hertogenbosch van 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638.
HR, 18-12-2020, nr. 20/01529
ECLI:NL:HR:2020:2038
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-12-2020
- Zaaknummer
20/01529
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑12‑2020
ECLI:NL:HR:2020:2038, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑12‑2020; (Cassatie)
- Vindplaatsen
FED 2021/21 met annotatie van E. THOMAS
Belastingblad 2021/60 met annotatie van R.A. Eskes
NLF 2021/0014 met annotatie van Jeannette van der Vegt
NTFR 2021/71 met annotatie van mr. S.A. Eckhardt
FutD 2020-3770
Viditax (FutD) 2020121814
Beroepschrift 18‑12‑2020
Geachte heer, mevrouw,
Namens [X] (hierna: belanghebbende) woonachtig te [Z], stel ik hierbij beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 april 2020 (zaaknr. BK-AMS 19/00899) hier als bijlage overgelegd. Een afschrift van de volmacht wordt eveneens meegezonden.
Cassatiemiddelen
1. Wettelijke rente over de verbeurde dwangsom (r.o. 8 van 's hofs uitspraak)
Belanghebbende heeft het Hof gevraagd om een schadevergoeding vast te stellen in de vorm van wettelijke rente over de verbeurde dwangsom.
De overweging van het Hof in rechtsoverweging 8 van de aangevallen uitspraak, namelijk dat de te betalen dwangsom vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf vier weken na de verzending van 's Hofs uitspraak tot de dag van de algehele voldoening, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is daarmee in strijd met de wet en het recht.
Kennelijk bedoelt het Hof hiermee te overwegen dat voor wettelijke rente over de door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van een dwangsom als uitgangspunt geldt dat de uiterste datum waarop aan deze veroordeling moet zijn voldaan gelegen is vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin die veroordeling is opgenomen, is gedaan.
Ingevolge artikel 4:85, eerste lid, van de Awb is Titel 4.4 van de Awb van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit:
- a.
een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of
- b.
een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep.
Ingevolge het derde lid is deze titel niet van toepassing op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd.
In de memorie van toelichting bij de Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 702, nr. 3, p. 31–32) staat het volgende:
‘De uitzondering van het derde lid betreft in het algemeen uitspraken die hun grondslag vinden in hoofdstuk 8 Awb, zoals uitspraken tot vergoeding van schade, griffierecht of proceskosten als geregeld in de artikelen 8:73, 8:74, 8:75 en 8:75a. De uitzondering heeft geen betrekking op de gevallen waarin een bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, dan wel het voorgestelde artikel 8:72a, zelf in de zaak voorziet door de inhoud van een financiële beschikking bij zijn uitspraak te bepalen. In dat geval stelt hij niet een verplichting tot betaling bij zijn uitspraak vast, maar bepaalt hij hoe het bestuursorgaan had dienen te beslissen. De inning of betaling van deze geldschulden door het bestuursorgaan behoort op dezelfde wijze te geschieden als ingeval de beschikking door het bestuursorgaan aanstonds op de juiste wijze was vastgesteld. ’
Nu het Hof in de aangevallen uitspraak zelf in de zaak heeft voorzien door de door de heffingsambtenaar aan belanghebbende verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast te stellen op een bedrag van € 1.260,00 heeft de uitzondering als bedoeld in artikel 4:85, derde lid, van de Awb, gelet op de memorie van toelichting, geen betrekking op de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom. Derhalve is Titel 4.4 van de Awb in het onderhavige geval van toepassing.
Ingevolge artikel 4:87, eerste lid, van de Awb geschiedt de betaling binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
Ingevolge artikel 4:97 van de Awb is de schuldenaar in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.
Ingevolge artikel 4:100 van de Awb is, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, het wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.
In de memorie van toelichting bij de Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 702, nr. 3, p. 45) staat het volgende:
‘De regeling van het verzuim sluit aan bij die in het privaatrecht, waar eveneens geldt dat verzuim intreedt wanneer de betalingstermijn verstrijkt zonder dat de schuld is voldaan.
Een ingebrekestelling is daarvoor niet nodig. ’
Ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder a, van het BW treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.
In aanmerking genomen dat de ingebrekestelling door de heffingsambtenaar op 4 januari 2017 is ontvangen en dat 2 maart 2017 daarom de laatste dag is waarover de dwangsom verschuldigd was, had de heffingsambtenaar, gelet op artikel 4:18 van de Awb, uiterlijk op 16 maart 2017, de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking moeten vaststellen. Gelet hierop en gelet op de in artikel 4:87, eerste lid, van de Awb bepaalde betalingstermijn van zes weken, zou 26 april 2017 de laatste dag van de betalingstermijn zijn. De wettelijke rente over de verschuldigde dwangsom van € 1.260,00 ging dan ook reeds lopen per 27 april 2017. Gelet hierop had het Hof moeten beslissen dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende de wettelijke rente over € 1.260,00 verschuldigd is met ingang van 27 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.
Belanghebbende merkt daarbij nog op dat de verschuldigde wettelijke rente een bedrag ruim boven de drempel van artikel 4:98, tweede lid, van de Awb beloopt.
2. Strijd met het bpb (r.o. 7 van 's hofs uitspraak)
Het Hof heeft beslist dat de heffingsambtenaar veroordeeld dient te worden in de door belanghebbende gemaakte kosten van het beroep bij de rechtbank Den Haag (1 punt), het hoger beroep bij het Hof Den Haag (1 punt) en het geding na verwijzing bij het Hof Amsterdam (0,5 punt voor de schriftelijke conclusie). Hierbij heeft het Hof ten onrechte geen punten toegekend voor de namens belanghebbende ingediende conclusie van repliek van 25 april 2018 bij het Hof Den Haag.
Volgens vaste rechtspraak wordt een stuk dat in reactie op het verweerschrift inkomt na het verweerschrift en vóór de uitnodiging voor de zitting, aanvaard als conclusie van repliek en doorgestuurd voor dupliek naar de wederpartij. Het stuk is door het Hof ook niet aan belanghebbende geretourneerd. De kwalificatie van zo'n stuk als conclusie van repliek wordt niet anders indien (onverhoopt) geen gelegenheid is geboden tot het indienen van een conclusie van dupliek aan de wederpartij.1. Bij het berekenen van de proceskostenvergoeding heeft het Hof het puntenstelsel opgenomen in de bijlage bij het Bpb toegepast. Daarbij is het Hof uitgegaan van één punt voor het hoger beroepschrift.
Op grond van onderdeel A1, punt 3, van de bijlage bij het Bpb wordt voor de conclusie van repliek een half punt toegekend. Het Hof heeft daarom ten onrechte voor die handeling geen proceskostenvergoeding toegekend.
De uitspraak van het Hof getuigt, gelet op het vorenstaande, van het een onjuiste rechtsopvatting dan wel is de uitspraak ontoereikend gemotiveerd, althans is deze in strijd met het geschreven dan wel ongeschreven recht. Ik verzoek uw Raad daarom de aangevallen uitspraak te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien, althans een zodanige voorziening te treffen die uw Raad juist acht, met veroordeling van de wederpartij in de proceskosten.
Hoogachtend,
Conclusie
[…]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑12‑2020
Uitspraak 18‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Tweede cassatie, ingangsdatum wettelijke rente over dwangsom die het bestuursorgaan had moeten toekennen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01529
Datum 18 december 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 april 2020, nr. 19/00899, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Het eerste geding in cassatie
Bij arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175, is vernietigd de uitspraak van het GerechtshofDen Haag] (nr. BK-17/00778), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend, maar niet via het webportaal van de Hoge Raad. Artikel 1 van het Koninklijk besluit van 6 maart 2019, Stb. 99 (Inwerkingtredingsbesluit digitaal procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures) brengt mee dat het College verplicht is om het verweerschrift digitaal in te dienen. Van de geboden herstelmogelijkheid heeft het College geen gebruik gemaakt. Daarom slaat de Hoge Raad geen acht op dit stuk.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Na verwijzing was in geschil of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard. Aangezien op 28 september 2017 uitspraak op bezwaar is gedaan, is een dwangsom verbeurd over het ten hoogste in aanmerking te nemen aantal dagen (42). Die dwangsom bedraagt, omdat de ingebrekestelling voor 1 januari 2019 is ontvangen, € 1.260. Het Hof heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (hierna: de heffingsambtenaar) voorts veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de dwangsom vanaf vier weken na de verzending van de uitspraak van het Hof tot de dag van de algehele voldoening.
3.2
Het eerste middel is gericht tegen het in 3.1, laatste zin, vermelde oordeel van het Hof en betoogt dat de heffingsambtenaar wettelijke rente dient te vergoeden vanaf 27 april 2017 tot de dag van betaling van de dwangsom.
3.3
Artikel 4:18 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van een ingevolge artikel 4:17 Awb verschuldigde dwangsom vaststelt bij beschikking binnen twee weken na de laatste dag waarover die dwangsom verschuldigd was. Ervan uitgaande dat de heffingsambtenaar op 2 januari 2017 in gebreke is gesteld, is 27 februari 2017 de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was ingevolge artikel 4:17, lid 1 en 3, Awb. De heffingsambtenaar had ingevolge artikel 4:18 Awb, uiterlijk op 13 maart 2017, de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking moeten vaststellen.
3.4
Met inachtneming van de in artikel 4:87, lid 1, Awb bepaalde betalingstermijn van zes weken, zou 24 april 2017 de laatste dag van de betalingstermijn zijn. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf 24 april 2017.
3.5
Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.6
Uit hetgeen in 3.3 en 3.4 is overwogen volgt dat het eerste middel slaagt en dat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd voor zover deze de wettelijke rente over de dwangsom betreft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen en zal bepalen dat de heffingsambtenaar wettelijke rente moet betalen over een bedrag van € 1.260 vanaf 24 april 2017 tot de dag van de algehele voldoening daarvan.
4. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof maar uitsluitend voor zover deze de wettelijke rente over de dwangsom van € 1.260 betreft,
- bepaalt dat de heffingsambtenaar van de gemeente De Haag wettelijke rente over de dwangsom van € 1.260 is verschuldigd vanaf 24 april 2017 tot de dag van de algehele voldoening daarvan,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 131, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.