Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.1
9.1 Inleiding
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648791:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 6.7 en zie onder meer Biemans 2011, 5.8.3.1
Zie paragraaf 6.8 en zie HR 28 juni 2002, JOR 2002/136; NJ 2002, 447.
Zie paragraaf 6.4 en zie onder meer HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/255.
Zie paragraaf 6.5 en zie onder meer HR 20 maart 2015, JOR 2015/140; NJ 2015/361.
Zie paragraaf 6.5 en onder meer HR 11 april 2014, JOR 2014/199; JIN 2014/108, zie ook Ondernemingsrecht 2014/83.
Zie paragraaf 6.6 en zie onder meer Hof Den Haag, 18 maart 2014, JOR 2015/93.
Zie paragraaf 6.9.
Hof Amsterdam, 31 juli 2001, JOR 2001/170, zie r.o. 4.10: “Anders dan Akzo heeft betoogd gaat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedervennootschap niet zover dat de contractant van de dochtervennootschap de moedervennootschap onmiddellijk en rechtstreeks tot nakoming kan aanspreken. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer wordt aan de door de wet beoogde bescherming van de contractant van de dochtervennootschap voldoende recht gedaan indien de moedervennootschap ten gevolge van de “artikel 403-verklaring” jegens de contractant van de dochtervennootschap komt te verkeren in een positie als had zij zich ten behoeve van de dochter, ten aanzien van de in artikel 2:403 BW genoemde schulden, jegens de contractant tot borg gesteld. Aldus beschouwd is het recht dat de contractant jegens de moedervennootschap aan artikel 2:403 BW ontleent, een afhankelijk recht als bedoeld in de artikelen 3:7 en 3:82 BW, dat, indien daartoe gronden zijn, ook door de pandhouder van de vordering uitgeoefend kan worden.”
De alternatieve benaderingen die in dit hoofdstuk worden gegeven, zijn geen weergave van het huidige geldende recht. Het zijn verkennende expedities op zoek naar een oplossing voor de 403-problemen.
In hoofdstuk 6 is gebleken dat de toepassing groepsvrijstellingsregeling van artikel 2:403 BW in de praktijk tot diverse problemen leidt. De zelfstandige 403-vordering gaat niet met de hoofdvordering mee over en blijft achter bij de cedent.1 De positie van de pandhouder die een pandrecht heeft op de hoofdvordering maar niet op de 403-vordering is vanwege de zelfstandigheid van de 403-vordering onduidelijk.2 Bij het treffen van een schikking,3 het overeenkomen van een achterstelling4 en het toekennen van preferentie5 wordt het bestaan van de zelfstandige 403-vordering vaak vergeten. Doordat de 403-vordering een zelfstandig vorderingsrecht is, is het vraagstuk van verjaring van de 403-vordering complex.6 Het leggen van een effectief beslag in een 403-situatie is vanwege het bestaan van zelfstandige vorderingsrechten minder eenvoudig.7
Gezien de onduidelijkheden en de ongewenste gevolgen die de hoofdelijkheid en het daaraan gekoppelde bestaan van zelfstandige vorderingsrechten met zich brengen, zijn er in de rechtspraak en de literatuur verschillende alternatieve benaderingen aangedragen. Een sprekend voorbeeld van een alternatieve benadering is te vinden in een uitspraak van de Ondernemingskamer uit 2001. In de kwestie inzake ING/Akzo oordeelde de Ondernemingskamer dat de 403-aanspraak op een lijn kon worden gesteld met borgtocht.8 De Hoge Raad maakte echter korte metten met deze benadering en stelde dat de rechtsverhouding op basis van een 403-verklaring niet op één lijn kan worden gesteld met borgtocht.
Verschillende alternatieve benaderingen zijn denkbaar. Gedacht kan worden aan een benadering waarbij een 403-vordering wordt gekwalificeerd als een afhankelijk recht. Een andere alternatieve benadering is om het recht dat voortvloeit uit een 403-verklaring te kwalificeren als een wilsrecht. In dit hoofdstuk zullen een aantal alternatieve benaderingen worden behandeld.9