Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.4.4
5.4.4 Dividend en andere uitkeringen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471948:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013/40; J.B. Huizink, Rechtspersonen, art. 2:89, aant. 5.5; J.N. Schutte-Veenstra, Rechtspersonen, art. 2:198, aant. 4; en Faber 2005/279.
Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 154; J.B. Huizink, Rechtspersonen, art. 2:89, aant. 5.5; en J.N. Schutte-Veenstra, Rechtspersonen, art. 2:198, aant. 4.
Zo ook Faber 2005/279.
Faber 2005/279.
Faber 2005/279 en Rongen 2012/979.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 735. Zie ook Steneker 2012/15 en 22. Het substitutiepandrecht op de overbedelingsvordering op grond van art. 3:229 BW vormt in zoverre het complement van het vervangende pandrecht bij verkrijging van het gemeenschappelijke goed door de pandgever op grond van art. 3:177 lid 1 BW.
Vgl. HR 23 april 1999, NJ 2000/158, m.nt. W.M. Kleijn (Van Gorp q.q./Rabobank) en NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 864-865.
Art. 3:9 lid 2 BW.
Vgl. art. 2:105/216 BW.
Zie ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/422; en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/79.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 94. Volgens de Toelichting Meijers volgt uit de verkeersopvatting dat “dividenden en al hetgeen zich daarbij aansluit als interim- dividenden, stockdividenden, scrips enz. als burgerlijke vruchten te worden aangemerkt, tenzij vaststaat, dat het kapitaalsuitkeringen of nieuwe aandelen in het oude stamkapitaal zijn”.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 735.
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 96, over de cessie bij voorbaat van nog niet vervallen toekomstige burgerlijke vruchten.
234. De toekomstige rechten op dividenden en andere uitkeringen van de aandeelhouder voortvloeiend uit het aandeelhouderschap kunnen als toekomstige vorderingen op de vennootschap zelfstandig bij voorbaat worden geleverd of verpand.
De heersende opvatting in de literatuur lijkt te zijn dat een afzonderlijke verpanding van de toekomstige rechten uit het aandeel niet nodig is. Tenzij partijen anders hebben bepaald, zou een pandrecht op een aandeel van rechtswege een pandrecht meebrengen op de uit het aandeel voortvloeiende uitkeringen.1Deze regel volgt echter niet met zoveel woorden uit de wet. Het merendeel van de schrijvers onderbouwt deze uitkomst – mijns inziens ten onrechte – met een beroep op art. 3:246 BW. De pandhouder van het aandeel zou op grond van dit artikel bevoegd zijn tot inning van de uitkeringen en van rechtswege een pandrecht krijgen op het geïnde.2 Men miskent hierbij dat de reikwijdte van art. 3:246 BW is beperkt tot een pandrecht op vorderingen en zich niet uitstrekt tot een pandrecht op aandelen. De voorvraag of de vordering tot uitkering is bezwaard met een pandrecht wordt niet door art. 3:246 BW beantwoord.3
Een andere – en mijns inziens betere – verklaring biedt de gedachte dat de vorderingen tot uitkering zijn te beschouwen als een aan het aandeel verboden nevenrecht en dat de art. 6:142 jo. 3:82 BW hierop analogisch van toepassing zijn.4 Aan deze benaderingen zitten niettemin evenzeer haken en ogen nu een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor deze regel ontbreekt. Daarvoor zal men moeten aannemen dat, zoals de overgang van een vordering in beginsel leidt tot de overgang van de aan deze vordering verbonden nevenrecht, de vestiging van een beperkt recht op een vordering in beginsel ertoe leidt dat een beperkt recht op de daaraan verbonden nevenrechten tot stand komt, zodra deze zelfstandig worden en mits zij daarvoor vatbaar zijn.5
Een meer solide benadering loopt naar mijn mening via de zaaksvervangingsregel van art. 3:229 lid 1 BW. Op grond van deze bepaling brengt een pand- of hypotheekrecht van rechtswege mee een recht van pand op alle vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden, waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed. Onder vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden, worden allereerst begrepen vorderingen uit schadeverzekering van het goed. Onder dit begrip vallen eveneens vorderingen uit onrechtmatige daad of wanprestatie (wegens vernieling, beschadiging of verwaarlozing van het goed) en vorderingen uit overbedeling.6 Vorderingen tot betaling van de koopprijs van het verpande goed vallen echter buiten de werking van art. 3:229 BW.7 Ter beantwoording van de vraag of de uitkeringen voortvloeiend uit het winstrecht van de aandeelhouder kunnen worden aangemerkt als vergoedingsvorderingen in de zin van art. 3:229 BW, kan naar mijn mening aansluiting worden gezocht bij HR 23 mei 1958, NJ 1958/458 (Pierlot/Kreemer).
Het arrest betrof – in de context van een vruchtgebruik op aandelen – de kwalificatie van uitkeringen die de aandeelhouder toekomen uit hoofde van het aandeelhouderschap als (burgerlijke) vrucht van het aandeel.8 Uitgangspunt is – volgens de Hoge Raad – dat het genot van de vruchten niet ten koste van de moederzaak mag worden verkregen, ook niet wanneer deze tijdens de duur van het beperkte recht ‘vermeerdering’ of ‘verbetering’ ondergaat. In het licht van dit principe komt het aan op het karakter van de uitkeringen door de vennootschap aan haar aandeelhouders. De Hoge Raad maakt daarbij een onderscheid dat is gebaseerd op het algemene beginsel van vennootschapsrecht dat de winst in beginsel door de aandeelhouders wordt bepaald en bestemd.9 De aandeelhouders kunnen de winst bestemmen tot directe uitkering (dividend) of tot een reserve die dient tot latere uitkering (dividendreserve). Dergelijke uitkeringen vormen naar verkeersopvatting de burgerlijke vruchten van het aandeel. Het deel van de winst dat wordt gereserveerd tot financiering van de vennootschap uit eigen middelen, gaat daarentegen deel uitmaken van het ‘gebonden deel’ van het vermogen van de vennootschap. Een uitkering ten laste van dit gebonden vermogen is geen vrucht van het aandeel, maar moet worden gezien als betrekking hebbende op het eigenlijke vermogensrecht van de aandeelhouder.10 Het door de Hoge Raad gemaakte onderscheid is in de parlementaire geschiedenis bij art. 3:9 BW met zoveel woorden onderschreven.11
Het onderscheid tussen uitkeringen die ten laste komen van de daartoe bestemde winst (vruchten van het aandeel) en uitkeringen die ten laste komen van het kapitaal van de vennootschap (andere voordelen van het aandeel), is mijns inziens ook bruikbaar ter afbakening van de vorderingen die in de plaats van het aandeel treden. De uitkeringen die ten laste komen van de niet tot winstuitkering bestemde reserves gaan ten koste van het aandeel in het kapitaal van de vennootschap. De vordering tot een dergelijke uitkering is dan ook te beschouwen als een vordering die (gedeeltelijk) in de plaats treedt van het verpande aandeel en dientengevolge van rechtswege met een pandrecht is bezwaard op grond van art. 3:229 BW. Hetzelfde geldt voor de vordering tot uitkering van een eventueel batig saldo bij de vereffening van de vennootschap ex art. 2:23b BW. Indien de pandhouder van het aandeel geen prijs stelt op dit vervangende pandrecht, dan kan hij van dit recht afstand doen.12 De uitkeringen die als vrucht van het aandeel hebben te gelden, vallen echter buiten de reikwijdte van art. 3:229 BW. Deze rechten zullen door de aandeelhouder bij voorbaat moeten worden verpand.13