Zie ook mijn bijdrage ‘Het gebruik van alcohol en drugs in relatie tot opzet en schuld’, in: Praktisch en Veelzijdig (vriendenboek Paul Vegter), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 51-59, m.n. p. 52-53.
HR, 30-06-2020, nr. 18/04075
ECLI:NL:HR:2020:1073
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-06-2020
- Zaaknummer
18/04075
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:1073, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑06‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:483
ECLI:NL:PHR:2020:483, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑05‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1073
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2020-0240 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NTS 2020/86
Uitspraak 30‑06‑2020
Inhoudsindicatie
Poging tot doodslag, meermalen gepleegd (art. 287 Sr), opzettelijke brandstichting (art. 157.2 Sr) en vernieling, meermalen gepleegd (art. 350.1 Sr) door verdachte begaan nadat hij door gebruik van amfetamine en wodka in psychose met paranoïde wanen is geraakt. 1. Art. 39 Sr en culpa in causa. Verweer dat feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, omdat hij handelde vanuit acute psychose terwijl mate waarin gebruik van amfetamine en alcohol psychisch functioneren kon beïnvloeden niet voorzienbaar was. 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Opvatting dat feiten slechts dan aan verdachte zouden kunnen worden toegerekend als hij wist dan wel moest weten dat gebruik van amfetamine en wodka psychotische stoornis zou kunnen veroorzaken en voorts ook concreet gevolg daarvan (plegen van onderhavige strafbare feiten) redelijkerwijs voorzienbaar was, vindt geen steun in het recht. ’s Hofs oordeel dat feiten in verminderde zin aan verdachte kunnen worden toegerekend, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Omstandigheid dat invloed van door verdachte ingenomen middelen verderstrekkend is geweest dan hij had voorzien, maakt dat niet anders. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffers in arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04075
Datum 30 juni 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 september 2018, nummer 21/006871-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Waar het in deze zaak om gaat
De advocaat-generaal heeft in zijn conclusie onder 4 en 5 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:
“4. De verdachte heeft op 9 juni 2017 samen met zijn vriendin amfetamine en wodka gebruikt. Hierdoor is een psychotische stoornis ontstaan met paranoïde waandenkbeelden. De verdachte en zijn vriendin verkeerden in de veronderstelling dat hun medebewoners hen iets wilden aandoen. De verdachte stichtte daarop brand in hun kamer om zo voor hem en zijn vriendin een afleidingsmanoeuvre te creëren om de woning ongemerkt te kunnen ontvluchten. In de woning waren op dat moment andere bewoners aanwezig, waardoor de verdachte door de brand levensgevaar voor anderen heeft veroorzaakt. Op hun vlucht kwamen zij aan bij een huis in de buurt waar de verdachte een ruit van de woning heeft vernield. Vervolgens verplaatsten zij zich naar de openbare weg en probeerden zij auto’s tot stilstand te brengen. Op het moment dat een automobiliste voor hen stopte, heeft de verdachte de ruit van haar auto bekrast met een mes.
5. Vervolgens zag [betrokkene 1], die met zijn destijds vijftienjarige dochter in de auto reed, de verdachte en zijn vriendin zwaaien en gebaren. Hij had de indruk dat zij hulp nodig hadden en liet hen in de auto plaatsnemen teneinde naar het dichtstbijzijnde politiebureau te rijden. De verdachte begon tijdens de autorit opeens met veel geweld met een mes op [betrokkene 1] in te steken. De dochter van [betrokkene 1] probeerde de verdachte tegen te houden, waarna de verdachte met zijn mes herhaaldelijk op haar probeerde in te steken. Toen zij zag dat de verdachte haar wilde steken, heeft zij in paniek het portier van de auto opengetrokken om uit de auto te springen. Toen zij zich omdraaide om uit de auto te springen, voelde zij iets langs haar hoofd door haar haar gaan. Zij zag dat de verdachte langs de hoofdsteun, tussen het portier en de hoofdsteun, in haar richting probeerde te steken. Hierop sprong zij uit de auto en is zij hard weggerend. De verdachte en zijn vriendin verlieten vervolgens de auto. [betrokkene 1] bleef zwaargewond achter.”
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof het verweer dat de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, omdat hij handelde vanuit een acute psychose terwijl de mate waarin het gebruik van amfetamine en alcohol het psychisch functioneren kon beïnvloeden niet voorzienbaar was, ten onrechte althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1:
hij op 09 juni 2017 te Putten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [betrokkene 1] meerdere malen, (met kracht) met een mes, in de nek/hals en in het (boven)lichaam heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. primair:
hij op 09 juni 2017 te Putten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 2] opzettelijk van het leven te beroven, als volgt heeft gehandeld, hebbende hij, verdachte:
- met zijn hand stekende bewegingen gemaakt in de richting van de arm en het hoofd van die [betrokkene 2], terwijl hij, verdachte, op dat moment een mes in zijn hand vasthield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3:
hij op 09 juni 2017 te Putten opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met kledingstukken, ten gevolge waarvan in een kamer (in een woning waarin kamers worden verhuurd) brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inventaris/meubilair van die woning en/of de andere kamers en gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de aanwezige (mede)bewoner(s) van (andere) kamer(s) in die woning, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige (mede)bewoner(s) van (andere) kamer(s) in die woning, te duchten was;
4:
hij op 09 juni 2017 te Putten, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning, die toebehoorde aan [betrokkene 3], heeft vernield;
5:
hij op 09 juni 2017 te Putten, opzettelijk en wederrechtelijk een autoruit, merk Volvo, die toebehoorde aan [betrokkene 4], heeft beschadigd.”
3.2.2
Het hof heeft een door de raadsman van de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard en derhalve ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat op grond van de rapporten van de deskundigen en hun verklaringen ter terechtzitting bij de rechtbank vaststaat dat verdachte de feiten gepleegd heeft onder invloed van een psychose. Het handelen van verdachte is ingegeven door de paranoïde waanbeelden, er was geen enkele ruimte voor verdachte om vrije keuzes te maken.
Culpa in causa - dat wil zeggen het eigen aandeel van verdachte aan de psychose - staat niet in de weg aan de volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Verdachte was zich er niet van bewust dat zijn middelengebruik een psychose kon veroorzaken, ook kon hij dit niet redelijkerwijs voorzien. Verdachte heeft eerder - los van elkaar - amfetamine en wodka gebruikt. Dit eerdere gebruik is onproblematisch geweest. Bovendien heeft hij ook geen grote hoeveelheid gebruikt. Daarnaast heeft hij de drug bij dezelfde persoon afgenomen als van wie hij het bij eerder gebruik gekocht had. Er kan niet gesteld worden dat het ontstaan van psychoses als gevolg van amfetaminegebruik in combinatie met alcohol een feit van algemene bekendheid is.
Oordeel hof
Psychiater Kaiser en psycholoog De Groot zijn beiden tot de conclusie gekomen dat verdachte beschouwd moet worden als verminderd toerekeningsvatbaar. De deskundigen hebben dit oordeel onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in een psychose / paranoïde waan verkeerde. Deze psychotische stoornis is veroorzaakt door het middelengebruik, te weten een combinatie van amfetamine en alcohol. Deskundige Kaiser stelt dat de psychose wisselend aanwezig lijkt te zijn geweest tijdens het ten laste gelegde, zodat niet nauwkeurig te bepalen is in welke mate hij keuzes kon maken. Hij heeft volgens de deskundige verschillende keuzemomenten gehad met als motivatie daaronder zijn paranoïde waan. In die zin komt zijn handelen niet direct voort uit de stoornis en zou het hem verminderd toe te rekenen zijn, aldus de deskundige.
Met de rechtbank overweegt het hof dat vaststaat dat verdachte voorafgaand aan het ten laste gelegde amfetamine en vervolgens wodka heeft gebruikt. Volgens verdachte gaat het om ongeveer twee derde gram amfetamine en heeft hij samen met medeverdachte een vijfde van een fles wodka van ongeveer 0,5 of 0,7 liter gedronken. Verder volgt uit de verklaringen van verdachte dat hij vaker amfetamine heeft gebruikt en dat hij wist dat dit gebruik effect had op zijn psychische toestand. Ook heeft hij bij zijn vader gezien dat het gebruik van alcohol tot agressie kon leiden. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij wist dat amfetamine een harddrug is en dat gebruik ervan in Nederland strafbaar is. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte kon weten dat het gebruik van dit verdovende middel niet ontbloot is van risico’s en dat voorzienbaar is dat het - al dan niet met alcohol gecombineerde - gebruik van een dergelijke middel tot riskant gedrag ten aanzien van derden kan leiden. Niet voor niets is amfetamine een stof waarvan de wetgever vanwege de daaraan voor de volksgezondheid verbonden risico’s zelfs het enkele aanwezig hebben heeft verboden. Van algemene bekendheid is dat het psychisch functioneren na het gebruik van een dergelijke middel van persoon tot persoon kan verschillen. Verdachte heeft dan ook bij zijn gebruik van amfetamine in combinatie met wodka ook de kans op een psychose en het handelen dat daaruit voort kan vloeien kunnen voorzien. Onder deze omstandigheden is het hof - met de rechtbank - van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn handelen en de gevolgen daarvan, maar in verminderde zin. Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”
3.3
Artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht luidde ten tijde van het tenlastegelegde:
“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.”
3.4.1
Voor zover het cassatiemiddel berust op de opvatting dat de feiten slechts dan aan de verdachte zouden kunnen worden toegerekend als hij wist, dan wel moest weten, dat het gebruik van amfetamine en wodka een psychotische stoornis zou kunnen veroorzaken en voorts ook het concrete gevolg daarvan - het plegen van de onderhavige strafbare feiten - redelijkerwijs voorzienbaar was, vindt die opvatting geen steun in het recht.
3.4.2
Het oordeel van het hof dat de feiten in verminderde zin aan de verdachte kunnen worden toegerekend, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. De omstandigheid dat de invloed van de door de verdachte ingenomen middelen verderstrekkend is geweest dan hij had voorzien, maakt dat niet anders.
3.4.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.5
Het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.
5. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.1
Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.
5.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast;
- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze vijf jaren en acht maanden beloopt;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020.
Conclusie 19‑05‑2020
Inhoudsindicatie
Conclusie AG in zaak waarin de verdachte op 9 juni 2017 te Putten ten gevolge van het gebruik van amfetamine en wodka onder invloed van een psychose/paranoïde waan onder meer heeft gepoogd een hem te hulp komende automobilist en zijn dochter met messteken om het leven te brengen. Toerekenbaarheid wanneer een opgetreden ziekelijke stoornis van de geestvermogens aan de verdachte zelf te wijten is geweest (culpa in causa). Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/04075
Zitting 19 mei 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
Het cassatieberoep
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 19 september 2018 wegens 1. “poging tot doodslag”, 2. “poging tot doodslag”, 3. “opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, 4. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en 5. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Verder heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Ten slotte heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen, één en ander zoals omschreven in het arrest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
3. Het gaat in deze zaak om het volgende.
4. De verdachte heeft op 9 juni 2017 samen met zijn vriendin amfetamine en wodka gebruikt. Hierdoor is een psychotische stoornis ontstaan met paranoïde waandenkbeelden. De verdachte en zijn vriendin verkeerden in de veronderstelling dat hun medebewoners hen iets wilden aandoen. De verdachte stichtte daarop brand in hun kamer om zo voor hem en zijn vriendin een afleidingsmanoeuvre te creëren om de woning ongemerkt te kunnen ontvluchten. In de woning waren op dat moment andere bewoners aanwezig, waardoor de verdachte door de brand levensgevaar voor anderen heeft veroorzaakt. Op hun vlucht kwamen zij aan bij een huis in de buurt waar de verdachte een ruit van de woning heeft vernield. Vervolgens verplaatsten zij zich naar de openbare weg en probeerden zij auto’s tot stilstand te brengen. Op het moment dat een automobiliste voor hen stopte, heeft de verdachte de ruit van haar auto bekrast met een mes.
5. Vervolgens zag [betrokkene 1] , die met zijn destijds vijftienjarige dochter in de auto reed, de verdachte en zijn vriendin zwaaien en gebaren. Hij had de indruk dat zij hulp nodig hadden en liet hen in de auto plaatsnemen teneinde naar het dichtstbijzijnde politiebureau te rijden. De verdachte begon tijdens de autorit opeens met veel geweld met een mes op [betrokkene 1] in te steken. De dochter van [betrokkene 1] probeerde de verdachte tegen te houden, waarna de verdachte met zijn mes herhaaldelijk op haar probeerde in te steken. Toen zij zag dat de verdachte haar wilde steken, heeft zij in paniek het portier van de auto opengetrokken om uit de auto te springen. Toen zij zich omdraaide om uit de auto te springen, voelde zij iets langs haar hoofd door haar haar gaan. Zij zag dat de verdachte langs de hoofdsteun, tussen het portier en de hoofdsteun, in haar richting probeerde te steken. Hierop sprong zij uit de auto en is zij hard weggerend. De verdachte en zijn vriendin verlieten vervolgens de auto. [betrokkene 1] bleef zwaargewond achter.
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“1. hij op 09 juni 2017 te Putten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [betrokkene 1] meerdere malen, (met kracht) met een mes, in de nek/hals en in het (boven)lichaam heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. primair: hij op 09 juni 2017 te Putten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 2] opzettelijk van het leven te beroven, als volgt heeft gehandeld, hebbende hij, verdachte:
- met zijn hand stekende bewegingen gemaakt in de richting van de arm en het hoofd van die [betrokkene 2] , terwijl hij, verdachte, op dat moment een mes in zijn hand vasthield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij op 09 juni 2017 te Putten opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met kledingstukken, ten gevolge waarvan in een kamer (in een woning waarin kamers worden verhuurd) brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inventaris/meubilair van die woning en/of de andere kamers en gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de aanwezige (mede)bewoner(s) van (andere) kamer(s) in die woning, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige (mede)bewoner(s) van (andere) kamer(s) in die woning, te duchten was;
4. hij op 09 juni 2017 te Putten, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning, [die] toebehoorde aan [betrokkene 3] , heeft vernield;
5. hij op 09 juni 2017 te Putten, opzettelijk en wederrechtelijk een autoruit, merk Volvo, [die] toebehoorde aan [betrokkene 4] , heeft beschadigd.”
De middelen
7. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte strafbaar is ter zake van hetgeen bewezen is verklaard, in het bijzonder wat de (verminderde) toerekeningsvatbaarheid van de verdachte betreft, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
8. Het hof heeft in het bestreden arrest onder de aanhef “strafbaarheid van de verdachte” het tot ontslag van alle rechtsvervolging strekkende verweer als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:
“(…)
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard en derhalve ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat op grond van de rapporten van de deskundigen en hun verklaringen ter terechtzitting bij de rechtbank vaststaat dat verdachte de feiten gepleegd heeft onder invloed van een psychose. Het handelen van verdachte is ingegeven door de paranoïde waanbeelden, er was geen enkele ruimte voor verdachte om vrije keuzes te maken.
Culpa in causa - dat wil zeggen het eigen aandeel van verdachte aan de psychose - staat niet in de weg aan de volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Verdachte was zich er niet van bewust dat zijn middelengebruik een psychose kon veroorzaken, ook kon hij dit niet redelijkerwijs voorzien. Verdachte heeft eerder - los van elkaar - amfetamine en wodka gebruikt. Dit eerdere gebruik is onproblematisch geweest. Bovendien heeft hij ook geen grote hoeveelheid gebruikt. Daarnaast heeft hij de drug bij dezelfde persoon afgenomen als van wie hij het bij eerder gebruik gekocht had. Er kan niet gesteld worden dat het ontstaan van psychoses als gevolg van amfetaminegebruik in combinatie met alcohol een feit van algemene bekendheid is.
Oordeel hof
Psychiater Kaiser en psycholoog De Groot zijn beiden tot de conclusie gekomen dat verdachte beschouwd moet worden als verminderd toerekeningsvatbaar. De deskundigen hebben dit oordeel onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in een psychose / paranoïde waan verkeerde. Deze psychotische stoornis is veroorzaakt door het middelengebruik, te weten een combinatie van amfetamine en alcohol. Deskundige Kaiser stelt dat de psychose wisselend aanwezig lijkt te zijn geweest tijdens het ten laste gelegde, zodat niet nauwkeurig te bepalen is in welke mate hij keuzes kon maken. Hij heeft volgens de deskundige verschillende keuzemomenten gehad met als motivatie daaronder zijn paranoïde waan. In die zin komt zijn handelen niet direct voort uit de stoornis en zou het hem verminderd toe te rekenen zijn, aldus de deskundige.
Met de rechtbank overweegt het hof dat vaststaat dat verdachte voorafgaand aan het ten laste gelegde amfetamine en vervolgens wodka heeft gebruikt. Volgens verdachte gaat het om ongeveer twee derde gram amfetamine en heeft hij samen met medeverdachte een vijfde van een fles wodka van ongeveer 0,5 of 0,7 liter gedronken. Verder volgt uit de verklaringen van verdachte dat hij vaker amfetamine heeft gebruikt en dat hij wist dat dit gebruik effect had op zijn psychische toestand. Ook heeft hij bij zijn vader gezien dat het gebruik van alcohol tot agressie kon leiden. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij wist dat amfetamine een harddrug is en dat gebruik ervan in Nederland strafbaar is. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte kon weten dat het gebruik van dit verdovende middel niet ontbloot is van risico’s en dat voorzienbaar is dat het - al dan niet met alcohol gecombineerde - gebruik van een dergelijke middel tot riskant gedrag ten aanzien van derden kan leiden. Niet voor niets is amfetamine een stof waarvan de wetgever vanwege de daaraan voor de volksgezondheid verbonden risico’s zelfs het enkele aanwezig hebben heeft verboden. Van algemene bekendheid is dat het psychisch functioneren na het gebruik van een dergelijk middel van persoon tot persoon kan verschillen. Verdachte heeft dan ook bij zijn gebruik van amfetamine in combinatie met wodka ook de kans op een psychose en het handelen dat daaruit voort kan vloeien kunnen voorzien. Onder deze omstandigheden is het hof - met de rechtbank - van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn handelen en de gevolgen daarvan, maar in verminderde zin. Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”
9. Het middel bevat allereerst een rechtsklacht. Bij het oordeel van het hof dat sprake is van (verminderde) toerekenbaarheid heeft het hof volgens de steller van het middel ten onrechte de verwijtbaarheid ten aanzien van het (ongecontroleerde) drugsgebruik op één lijn gesteld met de verwijtbaarheid van het ten laste gelegde handelen. Beide verschillen echter wezenlijk van elkaar. Dat heeft het hof volgens de steller van het middel miskend.
10. Ik deel dit standpunt niet en wijs daartoe op het volgende.1.
11. Art. 39 Sr luidde tot 1 januari 2020 als volgt:2.
“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.”
12. Het hof heeft op basis van deskundigenrapportages geoordeeld dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde in een psychose / paranoïde waan verkeerde, die is veroorzaakt door een combinatie van amfetamine en alcohol. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat de verdachte de keuze om alcohol en drugs te gebruiken vrijwillig had gemaakt.
13. De vraag naar toerekenbaarheid is van normatieve aard. Die juridische aard van de vraag naar de toerekening biedt ruimte bij de beantwoording ook gedragingen van de verdachte te betrekken die voorafgaan aan het ten laste gelegde feit. Denkbaar is immers dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit onder invloed van een stoornis heeft gehandeld, maar dat de verdachte een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van die stoornis. In een dergelijk geval kan sprake zijn van culpa in causa, die aan een geslaagd beroep op ontoerekenbaarheid in de weg staat. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat de vraag naar de toerekenbaarheid slechts kan worden beoordeeld aan de hand van aanwijzingen die de geestestoestand van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit betreffen, faalt het, omdat die veronderstelling onjuist is.
14. Bedacht moet worden dat het bij ontoerekenbaarheid gaat om een exceptie, een uitzondering op het uitgangspunt dat iemand die zich schuldig maakt aan een strafbaar feit daarvoor kan worden gestraft. Een dergelijke uitzondering kan niet licht worden aanvaard.3.Van Veen heeft in dit verband opgemerkt dat het vrijwillig en bewust innemen van verdovende middelen geen vrijbrief mag zijn voor het begaan van strafbare feiten.4.Bij culpa in causa gaat het in dit verband om een normatieve toetsing; de verontschuldigbaarheid staat centraal. Die toetsing is wezenlijk anders dan de beoordeling of sprake is van voorwaardelijk opzet in situaties waarin iemand teveel alcohol heeft gedronken of drugs heeft gebruikt. Bij de beoordeling of sprake is van voorwaardelijk opzet gaat het immers om de – in de kern feitelijke – vraag of sprake is geweest van de aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden.5.
15. In HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:110, NJ 2019/77 had de verdachte een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt. In het bloed van de verdachte werden sporen van amfetamine en THC gevonden. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat sprake was van “schuld” in de zin van art. 6 WVW 1994 niet onbegrijpelijk. Daarbij nam hij in aanmerking dat het hof had vastgesteld dat verdachte de keuze om amfetamine te gebruiken volledig vrijwillig had gemaakt, dat hij wist dat dit een harddrug was en dus een middel was dat (op gevaarlijke wijze) van invloed kan zijn op de psyche en dat hij is overgegaan tot het gebruik daarvan, zonder zich van tevoren te verdiepen in de dosering en de (mogelijke) precieze effecten daarvan, waaronder ook de duur van die effecten. In cassatie werd niet opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het rijgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig was geweest, maar wel tegen het oordeel dat het ontstaan van het ongeval de verdachte kan worden toegerekend ondanks de vaststelling van gedragsdeskundigen dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar was op het moment dat hij het ongeval veroorzaakte. Aangevoerd werd dat het voor de verdachte niet voorzienbaar was dat hij als gevolg van het gebruik van amfetamine de avond voor het ongeval in een psychose zou geraken en dat de invloed van zijn drugsgebruik op zijn geestesgesteldheid ook de dag na het gebruik nog aanwezig zou kunnen zijn. De Hoge Raad overwoog dat de opvatting dat een en ander slechts dan aan verdachte zou kunnen worden toegerekend als hij wist, dan wel moest weten, dat het gebruik van amfetamine een psychose zou kunnen veroorzaken en voorts ook het concrete gevolg daarvan - het plegen van de desbetreffende strafbare feiten - redelijkerwijs voorzienbaar was, geen steun vindt in het recht.
16. Deze uitspraak sluit aan bij eerdere rechtspraak. In een andere zaak had de verdachte gehandeld onder invloed van een psychose, die was ontstaan door cannabisgebruik. Aan het cassatiemiddel lag de opvatting ten grondslag dat de feiten slechts dan aan de verdachte zouden kunnen worden toegerekend als hij zou hebben geweten dat hij door het gebruik van cannabis de controle over zijn handelen zou verliezen en voorts ook het concrete gevolg daarvan — het plegen van de desbetreffende strafbare feiten — redelijkerwijze voorzienbaar was. De Hoge Raad oordeelde dat het middel daarmee eisen stelde die het recht niet kent. Het oordeel van het hof dat de feiten aan de verdachte konden worden toegerekend, achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Daarbij had het hof in aanmerking kunnen nemen dat de verdachte als regelmatig cannabisgebruiker die wist dat het gebruik van dat roesmiddel invloed heeft op zijn psychische toestand kon weten dat het gebruik van cannabis niet geheel ontbloot is van risico's en dat dit middel zijn functioneren zodanig kon beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan en het van algemene bekendheid is dat het psychisch functioneren na het gebruik van dergelijke middelen van persoon tot persoon verschilt.6.
17. Gelet op het normatieve karakter van de toetsing en op het feit dat het hierbij om een exceptie gaat, wekt deze lijn in de rechtspraak geen verwondering. Van het ontbreken van verwijtbaarheid zal in beginsel geen sprake kunnen zijn indien de verdachte de mogelijkheid dat hij de controle verliest zelf in het leven roept door het vrijwillig en bewust gebruik van geestverruimende middelen, ongeacht of hij de mate van controleverlies kon voorzien. Dat geldt temeer als het gaat om het gebruik van harddrugs, waarvan algemeen bekend is dat het gebruik invloed heeft op de geestestoestand van de betrokkene, terwijl die invloed doorgaans ook wordt beoogd.7.Het gaat daarbij om bewustzijnsbeïnvloedende middelen waarvan het gebruik naar het oordeel van de wetgever een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid meebrengt. Door het vrijwillig en bewust gebruik van harddrugs roept de gebruiker riskant gedrag en controleverlies in het leven. De verwijtbaarheid wordt bij feiten die onder invloed van harddrugs zijn begaan niet alleen ingekleurd door het gedrag ten tijde van het strafbare feit, maar ook door handelingen daaraan voorafgaand, die het strafbare gedrag hebben bevorderd. De omstandigheid dat de invloed van de door hem ingenomen middelen verderstrekkend is geweest dan de verdachte in dat geval heeft voorzien, is in dit verband niet voldoende om de verdachte te disculperen.8.
18. Het hof heeft het voorafgaande niet miskend. Ik deel de mening van de steller van het middel niet dat het hof de verwijtbaarheid ten aanzien van het (ongecontroleerde) drugsgebruik ten onrechte op één lijn gesteld met de verwijtbaarheid van het ten laste gelegde handelen. Het hof heeft in dit verband de vraag beantwoord of het verwijt ten aanzien van het ten laste gelegde ontbreekt doordat de verdachte een beroep op ontoerekenbaarheid toekomt. Daarbij ligt de lat hoog. Het gaat immers om een exceptie waarbij de strafbaarheid komt te ontvallen, terwijl het – zoals in de onderhavige zaak – kan gaan om ernstige feiten met ingrijpende gevolgen voor slachtoffers. Indien de psychotische toestand is ontstaan door het vrijwillig en bewust gebruik van harddrugs in combinatie met alcohol, kan bezwaarlijk worden gezegd dat de verdachte niet verwijtbaar in de toestand van ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens is komen te verkeren.
19. Uit het voorafgaande volgt ook dat het middel faalt, voor zover het is gebaseerd op de opvatting dat voor het aannemen van culpa in causa is vereist dat de mate waarin het gebruik van verdovende middelen het psychisch functioneren heeft beïnvloed voorzienbaar moet zijn geweest. Uit de hiervoor besproken rechtspraak, onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:110, NJ 2019/77, volgt dat de aan het middel ten grondslag gelegde opvatting geen steun vindt in het recht. Daarbij merk ik nog op dat als feit van algemene bekendheid mag worden beschouwd dat amfetamine de kans op psychische stoornissen, inclusief de kans op het ontstaan van een psychose, vergroot. Door het gebruik van amfetamine te combineren met alcohol wordt deze kans nog groter.9.
20. Het oordeel van het hof dat de feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, omdat de opgetreden psychose / paranoïde waan, aan hemzelf te wijten is geweest, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
21. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte (i) voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten (vrijwillig en bewust) amfetamine en alcohol heeft gebruikt; (ii) vaker amfetamine heeft gebruikt en wist dat dit gebruik effect had op zijn psychische toestand; (iii) wist dat amfetamine een harddrug is en het gebruik ervan in Nederland strafbaar is en (iv) wist dat het gebruik van alcohol tot agressie kan leiden.
22. Het hof heeft uit deze omstandigheden kunnen afleiden dat de verdachte wist dat het – al dan niet in combinatie met alcohol – gebruiken van amfetamine kan leiden tot riskant gedrag ten aanzien van derden. In het licht van deze vaststellingen heeft het hof – ook los van de mate van voorzienbaarheid van het ontstaan van een psychose en het handelen onder invloed daarvan – kunnen oordelen dat de bewezen verklaarde gedragingen de verdachte (verminderd) kunnen worden toegerekend.
23. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
24. Het tweede middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
25. Namens de (gedetineerde) verdachte is op 21 september 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 17 april 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Daarbij komt dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van cassatieberoep. Dat betekent dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en dat de duur van de opgelegde gevangenisstraf dient te worden verminderd.
Slotsom
26. Het eerste middel faalt. Het tweede slaagt.
27. Ambtshalve heb ik – behoudens de hiervoor gesignaleerde overschrijding van de redelijke termijn – geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.10.
28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑05‑2020
Met ingang van 1 januari 2020 luidt de bepaling als volgt: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.”
Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, zevende druk. Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 354. Zie nader over deze schulduitsluitingsgrond: J. Bijlsma, Stoornis en strafuitsluiting, Oisterwijk: WLP 2016.
Th.W. van Veen, noot onder HR 9 juni 1981, ECLI:NL: HR:1981:AC0902, NJ 1983/412.
Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384, NJ 2019/150 (PHR:2019:82).
HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797, NJ 2008/263, m.nt. Keijzer.
Zie ook de conclusie van mijn naamgenoot en voormalig ambtgenoot voorafgaand aan HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797, NJ 2008/263, m.nt. Keijzer.
Zie ook J. Bijlsma, ‘Drank, drugs en culpa. Zelfintoxicatie en culpa in causa: pleidooi voor een voorzienbaarheidseis’, DD 2011/44. Bijlsma pleit ervoor dat culpa in causa alleen zou moeten worden aangenomen indien de verdachte het in de roes vertoonde gedrag heeft voorzien of redelijkerwijs moet hebben voorzien. In dit verband zou volgens hem onderscheid moeten worden gemaakt tussen harddrugs aan de ene kant en softdrugs en alcohol aan de andere kant.
Wel verwijs ik in dit verband naar de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 10 maart 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:207), die met kracht van argumenten aanvoert dat ambtshalve cassatie aangewezen is in gevallen waarin vervangende hechtenis aan de schadevergoedingsmaatregel is verbonden in verband met de per 1 januari 2020 in werking getreden Wet USB, waarmee de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden vervangende hechtenis is vervangen door gijzeling. Volgens Harteveld betreft het een voor de verdachte gunstiger wettelijke bepaling op het gebied van het sanctierecht. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken van 12 mei 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:454). De Hoge Raad casseert tot op heden echter niet ambtshalve in dergelijke gevallen. Vgl. bijvoorbeeld HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:657 en HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:765.