De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/1.2.1.2:1.2.1.2 Wettelijke grondslag in 1838
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/1.2.1.2
1.2.1.2 Wettelijke grondslag in 1838
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384598:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voorduin 1837, p. 10.
Geens & Wyckaert 2011/99.
Het besluit is afgedrukt in Voorduin 1837, p. 12-13.
Voorduin 1837, p. 14.
Voorduin 1837, p. 21, 40 en 56-57.
Voorduin 1837, p. 114.
Voorduin 1837, p. 187-189.
Voorduin 1837, p. 311.
Voorduin 1837, p. 316.
Voorduin 1837, p. 317-318.
Voorduin 1837, p. 355.
Voorduin 1837, p. 359.
Voorduin 1837, p. 412, 413.
Voorduin 1837, p. 4.
De art. 19-21 WvK zien specifiek op de CV.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toen Nederland los was gekomen uit de greep van Napoleon en Willem I tot koning was gekroond, bestond in Nederland de grote wens om de Franse wetgeving te verbannen en een volledig eigen nationale wetgeving in te voeren. De koning kondigde in maart 1814 een constitutie af waarvan artikel 100 bepaalde dat er een algemeen wetboek van burgerlijk recht, van lijfstraffelijk recht, van koophandel en van de samenstelling van de rechterlijke macht en van de wijze van procederen moest worden ingevoerd.1 Dat het privaatrecht gesplitst werd in een Burgerlijk Wetboek en een Wetboek van Koophandel, is overigens wel het gevolg van de ordening in de codificatie van Napoleon; de Code Civil regelde het verbintenissenrecht en het bijzondere overeenkomstenrecht, dat aansloot bij het gerecipieerde Romeins recht, en het aparte Wetboek van Koophandel (Code de Commerce) regelde de rechtsfiguren die in het handelsrechtelijk gewoonterecht waren ontwikkeld.2 Op 18 april 1814 stelde koning Willem I een commissie in om dit Nederlandse wetboek te ontwerpen,3 welke commissie vervolgens enkele subcommissies instelde. Voor het ontwerp van het Wetboek van Koophandel werden de heren Van Gennep (later vervangen door Reuvens) en Walraven benoemd, voor het ontwerp van het Burgerlijk Wetboek de heren Van Wesele Scholten, Moorrees, Westenbergh en Kemper.4 Het ontwerp van een Wetboek voor den Koophandel werd in 1815 aangeboden aan de koning en in 1816 volgde het Ontwerp Burgerlijk Wetboek (Ontwerp 1816), waarvan de negentiende titel van het Derde Boek (Van regten op of tegen personen) ging over de verbintenissen uit gemeenschap ontstaan, namelijk de sociëteit of compagnieschap.5
De Belgische commissie bood veel weerstand tegen het Ontwerp BW omdat zij liever een wetboek op Franse grondslag zag dan een geheel nieuw wetboek, maar de koning legde het Ontwerp in 1817 niettemin voor aan de Raad van State.6 Deze bracht met inachtneming van de bezwaren van de Belgen enkele belangrijke wijzigingen aan en bood het daardoor ontstane tweede Ontwerp BW (Ontwerp 1820) aan de koning aan, die het door middel van een daartoe benoemde commissie indiende bij de Tweede Kamer. Uit de Tweede Kamer werd een commissie, bestaande uit zeven leden afkomstig uit de noordelijke en zeven leden afkomstig uit de zuidelijke provinciën, benoemd om het Ontwerp 1820 te bezien.7 Het Burgerlijk Wetboek werd uiteindelijk in het Staatsblad en het Journalofficiel geplaatst, maar het tijdstip voor invoering van het gehele Burgerlijk Wetboek (deels trad het geleidelijk al in werking) moest nog worden bepaald.8
Over het ontwerp van de eerste twee boeken van het Wetboek van Koophandel waren de noordelijke en zuidelijke provinciën het eens en dit werd in 1822 aan de Tweede Kamer aangeboden; het ontwerp van het derde boek volgde in 1826.9 Zowel de Tweede als de Eerste Kamer nam het ontwerp aan en al in 1826 werd de wet afgekondigd. Bijzonder was dat bij het opstellen en behandelen van dit ontwerp steeds gebruik was gemaakt van inlichtingen van ervaren kooplieden en van opmerkingen van de kamers van koophandel.10
Bij besluit van 5 juli 1830 werden onder andere het Wetboek van Koophandel en het Burgerlijk Wetboek verbindend verklaard en ingevoerd met ingang van 1 februari 1831.11 Tot daadwerkelijke invoering kwam het echter niet, omdat de Belgische provinciën in augustus 1830 in opstand kwamen. De koning besloot om een nieuwe commissie in te stellen die de wetboeken moest herzien, opdat het echt Nederlandse wetboeken zouden worden.12 Dit verliep voorspoedig: het nieuwe Burgerlijk Wetboek werd al in 1836 officieel uitgegeven.13 Bij koninklijk besluit van 10 april 1838 (stb. 12) werd aangekondigd dat de nieuwe Nederlandse wetgeving, waaronder het Wetboek van Koophandel en het Burgerlijk Wetboek, per 1 oktober 1838 in werking zou treden, hetgeen ook daadwerkelijk geschiedde. Veel van de bepalingen van burgerlijk recht zijn gebaseerd op het Franse recht; wat goed en bruikbaar was, is in onze wetboeken overgenomen.14
De maatschap was als bijzondere overeenkomst geregeld in de negende titel (‘Van maatschap of vennootschap’) van het Derde Boek (‘Van verbintenissen’) van het Burgerlijk Wetboek en wel in de artikelen 1655-1689. De VOF en de commanditaire vennootschap (CV) als gekwalificeerde vormen van maatschap vonden een thuis in de artikelen 15 tot en met 3415 van de Derde Titel ‘Van de vennootschap onder ene firma en van die bij wijze van geldschieting of ‘en commandite’ genaamd’ van het Eerste Boek ‘Van den koophandel in het algemeen’ van het Wetboek van Koophandel. De naamloze vennootschap was oorspronkelijk als derde type vennootschap geregeld in het Wetboek van Koophandel, maar is later overgeplaatst naar Boek 2 BW.