Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 19-09-2024, nr. C-264/23
ECLI:EU:C:2024:764
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
19-09-2024
- Magistraten
A. Prechal, F. Biltgen, N. Wahl, J. Passer, M.L. Arastey Sahún
- Zaaknummer
C-264/23
- Conclusie
A. M. Collins
- Roepnaam
Booking.com en Booking.com (Deutschland)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:764, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑09‑2024
ECLI:EU:C:2024:470, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 06‑06‑2024
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBAMS:2023:1242
Uitspraak 19‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Artikel 101 VWEU — Overeenkomsten tussen ondernemingen — Overeenkomsten tussen een onlinereserveringsplatform en hotels — Prijspariteitsclausules — Nevenrestrictie — Groepsvrijstelling — Verticale overeenkomsten — Verordening (EU) nr. 330/2010 — Artikel 3, lid 1 — Afbakening van de relevante markt
A. Prechal, F. Biltgen, N. Wahl, J. Passer, M.L. Arastey Sahún
Partij(en)
In zaak C-264/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Amsterdam (Nederland) bij beslissing van 22 februari 2023, ingekomen bij het Hof op 24 april 2023, in de procedure
Booking.com BV,
Booking.com (Deutschland) GmbH
tegen
25hours Hotel Company Berlin GmbH,
Aletto Kudamm GmbH,
Air-Hotel Wartburg Tagungs- & Sporthotel GmbH,
Andel's Berlin Hotelbetriebs GmbH,
Angleterre Hotel GmbH & Co. KG,
Atrium Hotelgesellschaft mbH,
Azimut Hotelbetrieb Köln GmbH & Co. KG,
Barcelo Cologne GmbH,
Business Hotels GmbH,
Cocoon München GmbH,
DJC Operations GmbH,
Dorint GmbH,
Eleazar Novum GmbH,
Empire Riverside Hotel GmbH & Co. KG,
Explorer Hotel Fischen GmbH & Co. KG,
Explorer Hotel Nesselwang GmbH & Co. KG,
Explorer Hotel Schönau GmbH & Co. KG,
Fleming's Hotel Management und Servicegesellschaft mbH & Co. KG,
G. Stürzer GmbH Hotelbetriebe,
Hotel Bellevue Dresden Betriebs GmbH,
Hotel Europäischer Hof W.A.L. Berk GmbH & Co. KG,
Hotel Hafen Hamburg. Wilhelm Bartels GmbH & Co. KG,
Hotel John F GmbH,
Hotel Obermühle GmbH,
Hotel Onyx GmbH,
Hotel Rubin GmbH,
Hotel Victoria Betriebs- und Verwaltungs GmbH,
Hotel Wallis GmbH,
i31 Hotel GmbH,
IntercityHotel GmbH,
ISA Group GmbH,
Kur-Cafe Hotel Allgäu GmbH,
Lindner Hotels AG,
M Privathotels GmbH & Co. KG,
Maritim Hotelgesellschaft mbH,
MEININGER Shared Services GmbH,
Oranien Hotelbetriebs GmbH,
Platzl Hotel Inselkammer KG,
prize Deutschland GmbH,
Relexa Hotel GmbH,
SANA BERLIN HOTEL GmbH,
SavFra Hotelbesitz GmbH,
Scandic Hotels Deutschland GmbH,
Schlossgarten Hotelgesellschaft mbH,
Seaside Hotels GmbH & Co. KG,
SHK Hotel Betriebsgesellschaft mbH,
Steigenberger Hotels GmbH,
Sunflower Management GmbH & Co. KG,
The Mandala Hotel GmbH,
The Mandala Suites GmbH,
THR Hotel am Alexanderplatz Berlin Betriebs- und Management GmbH,
THR III Berlin Prager-Platz Hotelbetriebs- und Beteiligungsgesellschaft mbH,
THR München Konferenz und Event Hotelbetriebs- und Management GmbH,
THR Rhein/Main Hotelbetriebs- und Beteiligungs-GmbH,
THR XI Berlin Hotelbetriebs- und Beteiligungsgesellschaft mbH,
THR XXX Hotelbetriebs- und Beteiligungs-GmbH,
Upstalsboom Hotel + Freizeit GmbH & Co. KG,
VI VADI HOTEL Betriebsgesellschaft mbH & Co. KG,
Weissbach Hotelbetriebsgesellschaft mbH,
Wickenhäuser & Egger AG,
Wikingerhof GmbH & Co. KG,
Hans-Hermann Geiling (Hotel Präsident),
Karl Herfurtner, Hotel Stadt München e.K.,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, F. Biltgen, N. Wahl (rapporteur), J. Passer en M. L. Arastey Sahún, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 februari 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Booking.com BV en Booking.com (Deutschland) GmbH, vertegenwoordigd door J. K. de Pree, H. Gornall, P. W. Post en K. J. Saarloos, advocaten,
- —
25hours Hotel Company Berlin GmbH e.a., vertegenwoordigd door R. Buchmann en V. Soyez, Rechtsanwälte, H. C. E. P. J. Janssen en A. P. van Oosten, advocaten,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P.-L. Krüger als gemachtigden,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Boskovits en C. Kokkosi als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll en E. Samoilova als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Baches Opi, G. Meessen en C. Zois als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101 VWEU en van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 2010, L 102, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Booking.com BV en Booking.com (Deutschland) GmbH (hierna samen: ‘Booking.com’) enerzijds en 25hours Hotel Company Berlin GmbH en 62 andere hotels in Duitsland anderzijds over de geldigheid, in het licht van artikel 101 VWEU, van de prijspariteitsclausules die Booking.com in de overeenkomsten met deze hotels gebruikt.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 1/2003
3
Artikel 11 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) heeft als opschrift ‘Samenwerking tussen de [Europese] Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten’ en bepaalt:
- ‘1.
De Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten passen de […] mededingingsregels [van de Unie] in nauwe samenwerking toe.
[…]
- 5.
De mededingingsautoriteiten van de lidstaten kunnen de Commissie over elk geval van toepassing van het [Unierecht] raadplegen.
[…]’
Verordening nr. 330/2010
4
Volgens artikel 10, tweede alinea, van verordening nr. 330/2010 is deze verordening vervallen op 31 mei 2022.
5
De overwegingen 5 en 9 ervan luidden:
- ‘(5)
Het voordeel van de bij deze verordening vastgestelde groepsvrijstelling dient te worden beperkt tot verticale overeenkomsten waarvan met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat zij aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, [VWEU] voldoen.
[…]
- (9)
Boven de marktaandeeldrempel van 30 % bestaat er geen vermoeden dat verticale overeenkomsten welke onder artikel 101, lid 1, [VWEU] vallen, gewoonlijk objectieve voordelen zullen meebrengen die naar hun aard en omvang opwegen tegen de nadelen die voor de mededinging uit deze overeenkomsten voortvloeien. Terzelfder tijd bestaat er geen vermoeden dat deze verticale overeenkomsten onder artikel 101, lid 1, [VWEU] vallen of dat zij niet aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, [VWEU] voldoen.’
6
Artikel 1, lid 1, onder a), van deze verordening luidde:
‘Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:
- a)
‘verticale overeenkomst’ betekent een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging waarbij twee of meer, met het oog op de toepassing van de overeenkomst of de onderling afgestemde feitelijke gedraging, elk in een verschillend stadium van de productie- of distributieketen werkzame ondernemingen partij zijn en die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen of diensten kunnen kopen, verkopen of doorverkopen;’
7
Artikel 2 van die verordening bepaalde:
- ‘1.
Overeenkomstig artikel 101, lid 3, [VWEU] en onverminderd de bepalingen van deze verordening, wordt artikel 101, lid 1, [VWEU] buiten toepassing verklaard voor verticale overeenkomsten.
Deze vrijstelling is van toepassing voor zover deze overeenkomsten verticale beperkingen bevatten.
[…]’
8
Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 330/2010 luidde:
‘De in artikel 2 bepaalde vrijstelling is van toepassing op voorwaarde dat het marktaandeel van de leverancier niet meer bedraagt dan 30 % van de relevante markt waarop hij de contractgoederen of -diensten verkoopt en het marktaandeel van de afnemer niet meer bedraagt dan 30 % van de relevante markt waarop hij de contractgoederen of -diensten koopt.’
Richtlijn 2014/104
9
Artikel 1 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1), met als opschrift ‘Onderwerp en toepassingsgebied’, luidt:
- ‘1.
Deze richtlijn stelt bepaalde regels vast die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat eenieder die schade heeft geleden ten gevolge van een door een onderneming of een ondernemersvereniging gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht effectief het recht kan uitoefenen volledige vergoeding van die schade te vorderen van die onderneming of ondernemersvereniging. Zij stelt regels vast die een onvervalste mededinging op de interne markt bevorderen en de belemmeringen voor de goede werking ervan wegnemen door in de hele [Europese] Unie een gelijkwaardige bescherming te garanderen voor eenieder die dergelijke schade heeft geleden.
- 2.
In deze richtlijn worden de regels vastgesteld voor de coördinatie tussen de handhaving van de mededingingsregels door mededingingsautoriteiten en de handhaving van die regels in schadevorderingen voor de nationale rechterlijke instanties.’
10
Artikel 9 van deze richtlijn, ‘Doorwerking van nationale beslissingen’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door een nationale mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of artikel 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht.
- 2.
De lidstaten zorgen ervoor dat indien in een andere lidstaat een definitieve beslissing in de zin van lid 1 is genomen[,] deze definitieve beslissing overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels voor hun nationale rechterlijke instanties tenminste kan worden gebruikt als een prima-faciebewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan, en naargelang het geval, naast eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal kan worden beoordeeld.
- 3.
Dit artikel laat de rechten en verplichtingen van nationale rechterlijke instanties uit hoofde van artikel 267 VWEU onverlet.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11
Booking.com BV, een te Amsterdam (Nederland) gevestigde vennootschap naar Nederlands recht, is opgericht in 1996 en verleent wereldwijd tussenhandelsdiensten voor de reservering van hotelkamers via haar onlineplatform booking.com. Zij wordt bij haar activiteiten ondersteund door in andere lidstaten gevestigde dochterondernemingen, zoals met name het in Duitsland gevestigde Booking.com (Deutschland).
12
Booking.com koopt noch verkoopt kamers en zij bepaalt ook niet welke kamers op haar platform worden aangeboden en voor welke prijs. Dat bepaalt de accommodatie zelf. Booking.com beperkt zich dus tot het samenbrengen van accommodaties en reizigers op haar platform.
13
De diensten die op het door Booking.com geëxploiteerde platform worden aangeboden, zijn gratis voor reizigers. De accommodaties betalen Booking.com een provisie als de klant via het platform een reservering plaatst en deze later niet annuleert. De accommodaties kunnen naast het platform gebruikmaken van alternatieve verkoopkanalen.
14
Bij haar intrede op de Duitse markt in 2006 gebruikte Booking.com, net als andere hotelreserveringsplatformen die ook online travel agencies (onlinereisbureaus) (OTA's) worden genoemd, in de algemene voorwaarden van haar overeenkomsten met de accommodaties een zogenaamde ‘brede pariteitsclausule’. Volgens deze clausule was het de accommodaties niet toegestaan om op hun eigen verkoopkanalen of op door derden — inclusief concurrerende OTA's — geëxploiteerde verkoopkanalen kamers voor een lagere prijs aan te bieden dan die op de website van Booking.com.
15
Bij besluit van 20 december 2013 heeft het Bundeskartellamt (Duitse mededingingsautoriteit) in wezen geoordeeld dat de brede pariteitsclausule die gehanteerd werd door Hotel Reservation Service Robert Ragge GmbH (hierna: ‘HRS’) — een van de op de Duitse markt actieve OTA's — in strijd was met het Unierechtelijke en Duitse kartelverbod en heeft het de staking van het gebruik ervan gelast.
16
In 2013 is die autoriteit ook een onderzoek gestart naar de brede pariteitsclausule van Booking.com, die vergelijkbaar was met die welke HRS hanteerde.
17
Bij arrest van 9 januari 2015 heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf, Duitsland) het door HRS tegen het besluit van die autoriteit van 20 december 2013 ingestelde beroep verworpen. Dat arrest, waartegen geen rechtsmiddel is ingesteld, is definitief geworden.
18
Vanaf 1 juli 2015 heeft Booking.com zich, in overleg met de Franse, Italiaanse en Zweedse mededingingsautoriteiten, ertoe verbonden de brede pariteitsclausule uit haar algemene voorwaarden te verwijderen en te vervangen door een zogenaamde ‘smalle’ pariteitsclausule, volgens welke het verbod voor accommodaties om kamers aan te bieden voor een lagere prijs dan die op Booking.com alleen geldt voor hun eigen verkoopkanalen.
19
Bij besluit van 22 december 2015 heeft het Bundeskartellamt, na raadpleging van de Commissie krachtens artikel 11, lid 5, van verordening nr. 1/2003, geoordeeld dat ook dergelijke smalle pariteitsclausules in strijd waren met het in het Unierecht en Duitse recht neergelegde kartelverbod en heeft het Booking.com gelast het gebruik ervan stop te zetten. Het stelde in wezen vast dat die clausules de mededinging beperkten op zowel de markt voor het aanbieden van accommodaties als de markt voor het aanbieden van onlinetussenhandelsdiensten door platformen aan accommodaties. Het was ook van oordeel dat gezien het grote aandeel van Booking.com in de relevante markt, die clausules niet konden worden vrijgesteld krachtens verordening nr. 330/2010, en dat evenmin was voldaan aan de voorwaarden voor een individuele vrijstelling op grond van artikel 101, lid 3, VWEU.
20
Bij arrest van 4 juni 2019 heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf het door Booking.com tegen dat besluit van 22 december 2015 ingestelde beroep gedeeltelijk toegewezen. Die rechterlijke instantie was onder meer van oordeel dat de smalle prijspariteitsclausules inderdaad de mededinging beperkten maar als nevenrestricties noodzakelijk konden worden geacht opdat Booking.com een billijke vergoeding voor de door haar verleende diensten kon verkrijgen. Het zou namelijk niet loyaal zijn van accommodaties om zich op het reserveringsplatform van Booking.com te plaatsen maar vervolgens gasten ertoe aan te zetten rechtstreeks bij hen te boeken door op hun eigen website goedkopere tarieven aan te bieden. Volgens die rechterlijke instantie vormt de mogelijkheid voor accommodaties om reserveringen weg te sluizen naar hun eigen reserveringssystemen, voldoende rechtvaardiging voor Booking.com om hen contractueel te beletten ‘meeliftgedrag’ (free riding) te vertonen. De smalle pariteitsclausule kon volgens die instantie dus niet worden geacht in strijd te zijn met het nationale kartelverbod of met artikel 101, lid 1, VWEU.
21
In 2020 heeft het Hotelverband Deutschland e.V. — een vereniging die meer dan 2 600 hotels vertegenwoordigt — bij het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) een aansprakelijkheidsvordering tegen Booking.com ingesteld tot vergoeding van de schade die de leden van deze vereniging stelden te hebben geleden door de prijspariteitsclausules.
22
Bij beslissing van 18 mei 2021 heeft het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), waarbij het Bundeskartellamt hogere voorziening had ingesteld, de beslissing van het Oberlandesgericht Düsseldorf van 4 juni 2019 vernietigd. Het was van oordeel dat de smalle prijspariteitsclausule de mededinging op de markt voor onlinehotelreserveringsplatformen en de markt voor hotelkamers merkbaar beperkte. Deze clausule kon niet als een ‘nevenrestrictie’ worden gekwalificeerd, aangezien niet was aangetoond dat de winstgevendheid van Booking.com zonder deze clausule in het gedrang zou komen. Voor deze clausule gold evenmin een vrijstelling krachtens verordening nr. 330/2010 of enige andere vrijstelling van het in het Unierecht en het Duitse recht neergelegde kartelverbod.
23
Op 23 oktober 2020 heeft Booking.com bij de rechtbank Amsterdam (Nederland), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak, een vordering ingesteld tot vaststelling dat haar pariteitsclausules geen inbreuk maakten op artikel 101 VWEU en dat de verwerende partijen in het hoofdgeding geen schade hadden geleden ten gevolge van deze clausules. Die partijen hebben de verwijzende rechter in reconventie verzocht om vast te stellen dat Booking.com inbreuk had gemaakt op artikel 101 VWEU en om Booking.com te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens schending van artikel 101 VWEU.
24
Volgens de verwijzende rechter, die zich bij tussenvonnis van 26 oktober 2022 bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de zaak, rijst in de eerste plaats de vraag of de prijspariteitsclausules — zowel de brede als de smalle — die in de overeenkomsten tussen de OTA's en de aangesloten accommodaties zijn opgenomen, voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU als ‘nevenrestricties’ moeten worden aangemerkt.
25
De verwijzende rechter constateert dat het Hof zich tot op heden niet heeft uitgesproken over de vraag of dergelijke clausules, op grond waarvan een onlinereserveringsplatform de bij dat platform aangesloten accommodaties belet om — naargelang het geval op alle verkoopkanalen of op bepaalde andere verkoopkanalen — lagere prijzen toe te passen dan die welke op het platform worden aangeboden, als nevenrestricties kunnen worden onttrokken aan de werkingssfeer van het kartelverbod van artikel 101, lid 1, VWEU. Deze vraag geeft volgens hem aanleiding tot uiteenlopende analysen, wat tegenstrijdige beslissingen zou kunnen opleveren.
26
In dit verband vraagt die rechter zich af of Booking.com zich niet zou moeten kunnen beschermen tegen het risico op meeliftgedrag. Uit de door verzoeksters in het hoofdgeding aangevoerde rechtspraak blijkt met name dat niet hoeft te worden aangetoond dat bij schending van een contractuele beperking de levensvatbaarheid van de onderneming op het spel komt te staan, maar dat het volstaat dat die ‘in het gedrang komt’. Ook moet worden opgemerkt dat zowel de brede als de smalle pariteitsclausule inmiddels bij wet is verboden in België, Frankrijk, Italië en Oostenrijk, en dat in de thans bij het Landgericht Berlin aanhangige procedure dezelfde problematiek aan de orde is als in de onderhavige procedure.
27
In de tweede plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat, mocht worden geoordeeld dat de litigieuze pariteitsclausules niet als ‘nevenrestrictie’ kunnen worden aangemerkt, de vraag rijst of deze clausules kunnen worden vrijgesteld. Voor de toepassing van verordening nr. 330/2010 moet dan worden nagegaan hoe de relevante productmarkt moet worden afgebakend. In casu bestaat er volgens de verwijzende rechter onduidelijkheid over de wijze waarop de relevante markt — die ‘meerzijdig’ van aard is — moet worden afgebakend.
28
Derhalve heeft de rechtbank Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Zijn de brede en smalle pariteitsclausule in het kader van artikel 101 lid 1 VWEU aan te merken als een nevenrestrictie?
- 2)
Hoe moet bij de toepassing van [verordening nr. 330/2010] de relevante markt worden afgebakend wanneer transacties worden bemiddeld door een online travel agency platform (OTA) waar accommodaties kamers kunnen aanbieden en in contact kunnen komen met reizigers die via het platform een kamer kunnen boeken?’
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
29
De ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt om drie redenen betwist.
30
Ten eerste voldoet dit verzoek volgens verweersters in het hoofdgeding niet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, aangezien de verwijzende rechter de feitelijke context waarin de vragen zijn gesteld, niet nauwkeurig en volledig heeft omschreven.
31
In dit verband blijkt uit een lezing van het gehele verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter het feitelijke en juridische kader van zijn uitleggingsverzoek voldoende heeft afgebakend zodat de belanghebbenden hun opmerkingen kunnen indienen, overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en het Hof zinvol op dat verzoek kan antwoorden. Die rechter heeft in het bijzonder duidelijk verwezen naar de besluiten van het Bundeskartellamt en de beslissingen van de Duitse rechterlijke instanties in de gedingen tussen OTA's en hotels in Duitsland.
32
De eerste door verweersters in het hoofdgeding aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgrond moet dan ook worden afgewezen.
33
Ten tweede betogen zowel verweersters in het hoofdgeding als de Duitse regering dat het verzoek om een prejudiciële beslissing zuiver hypothetische vragen betreft die geen verband houden met het hoofdgeding. Zij stellen dat de problematiek achter de prejudiciële vragen reeds is behandeld in de besluiten die het Bundeskartellamt op 20 december 2013 en 22 december 2015 heeft genomen met betrekking tot de brede respectievelijk de smalle pariteitsclausule en die uiteindelijk zijn bevestigd bij de beslissingen van het Oberlandesgericht Düsseldorf van 9 januari 2015 en van het Bundesgerichtshof van 18 mei 2021. Aangezien de nationale rechter krachtens artikel 9 van richtlijn 2014/104 met name rekening moet houden met die besluiten en arresten, valt te betwijfelen of het wel noodzakelijk is deze prejudiciële vragen te stellen.
34
Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een Unierechtelijke regel, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arresten van 9 juli 2020, Santen, C-673/18, EU:C:2020:531, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 27).
35
Hieruit volgt dat aangezien op vragen betreffende het recht van de Unie een vermoeden van relevantie rust, het Hof slechts kan weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden wanneer de gevraagde uitlegging van een regel van Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 9 juli 2020, Santen, C-673/18, EU:C:2020:531, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 28).
36
In casu is dit niet het geval. Het antwoord van het Hof op de gestelde vragen zal duidelijk bepalend zijn voor de uitkomst van het hoofdgeding.
37
Uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, volgt wat dat betreft dat het hoofdgeding deels lijkt te vallen binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/104, zoals omschreven in artikel 1 ervan. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties hebben de bij hem aanhangige vorderingen in hoofdorde en tegenvorderingen immers niet alleen betrekking op de vraag of de betrokken pariteitsclausules in strijd zijn met artikel 101 VWEU maar ook op de vraag of verzoeksters in het hoofdgeding aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade die verweersters in het hoofdgeding stellen te hebben geleden door die clausules.
38
Artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104 bepaalt dat wanneer bij de rechterlijke instanties van een lidstaat een schadevordering wordt ingesteld wegens inbreuk op het mededingingsrecht, de lidstaten ervoor zorgen dat definitieve beslissingen van een nationale mededingingsautoriteit of beroepsinstantie van een andere lidstaat kunnen worden aangevoerd als een prima-faciebewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan.
39
Hieruit volgt dat de verwijzende rechter, gesteld al dat bij hem daadwerkelijk een schadevordering aanhangig is gemaakt die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, hetgeen hij dient uit te maken, niet noodzakelijkerwijs gebonden is door de besluiten van het Bundeskartellamt of de daaropvolgende beslissingen van de Duitse rechterlijke instanties in verband met de prijspariteitsclausules. Het feit dat deze beslissingen als een begin van bewijs van een inbreuk kunnen dienen, betekent dus nog niet dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.
40
Wat betreft de vraag of en in hoeverre de in Duitsland vastgestelde definitieve beslissingen van invloed kunnen zijn op de beoordeling door de nationale rechter van de verenigbaarheid van de litigieuze pariteitsclausules, zij eraan herinnerd dat artikel 9, lid 3, van richtlijn 2014/104 duidelijk bepaalt dat de leden 1 en 2 van dit artikel ‘de rechten en verplichtingen van nationale rechterlijke instanties uit hoofde van artikel 267 VWEU onverlet [laten]’.
41
Bovendien wijst niets erop dat de prejudiciële procedure, zoals in punt 29 van het arrest van 16 december 1981, Foglia (244/80, EU:C:1981:302), is gesteld, door de partijen is gebruikt voor andere doeleinden dan die waarvoor zij is voorzien. Zelfs al zouden verzoeksters in het hoofdgeding zich uiteindelijk alleen tot de verwijzende rechter hebben gewend met als doel het dwarsbomen van de in Duitsland gewezen definitieve beslissingen waarbij die clausules in strijd met artikel 101 VWEU zijn verklaard, dan staat het slechts in uitzonderlijke omstandigheden aan het Hof om de situatie te onderzoeken waarin de nationale rechter om een prejudiciële beslissing verzoekt om aldus zijn eigen bevoegdheid na te gaan.
42
Derhalve blijkt dus niet duidelijk dat de uitlegging van de in de prejudiciële vragen genoemde bepalingen geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding en evenmin dat het vraagstuk van hypothetische aard is.
43
Bijgevolg moet ook de tweede niet-ontvankelijkheidsgrond worden afgewezen.
44
Ten derde zijn verweersters in het hoofdgeding en de Duitse regering van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen betrekking heeft op de ‘uitlegging’ van de Verdragen en handelingen van afgeleid recht in de zin van artikel 267 VWEU, maar in werkelijkheid ziet op de ‘toepassing’ van bepalingen van Unierecht. Het is volgens hen namelijk niet mogelijk om de vraag of de prijspariteitsclausules nevenrestricties vormen die buiten de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU vallen, abstract en los van hun feitelijke, juridische en economische context te beantwoorden. Een relevante productmarkt afbakenen is geen juridische kwestie, maar vereist veeleer een feitelijke beoordeling.
45
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat bij artikel 267 VWEU aan het Hof niet de bevoegdheid wordt verleend om de bepalingen van het Unierecht op een concreet geval toe te passen, maar enkel om zich uit te spreken over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie. Het staat dus niet aan het Hof om de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten vast te stellen en daaruit de consequenties te trekken voor de door de verwijzende rechter te wijzen beslissing, noch om de nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen in kwestie uit te leggen (arrest van 14 mei 2020, Bouygues travaux publics e.a., C-17/19, EU:C:2020:379, punten 51 en 52).
46
Dit gezegd zijnde, kan het Hof in het kader van de gerechtelijke samenwerking waarin voormeld artikel voorziet, op grond van de gegevens van het dossier de nationale rechter de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen die voor deze rechter van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van het effect van deze of gene bepaling van dat recht [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming), C-487/19, EU:C:2021:798, punt 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47
Het Hof heeft precies naar aanleiding van verzoeken om het gedrag van een onderneming te kwalificeren in het licht van de Unierechtelijke mededingingsbepalingen en met name van artikel 101 VWEU geoordeeld dat het weliswaar aan de verwijzende rechter staat om definitief te beoordelen of de betrokken overeenkomst ertoe strekt de mededinging te beperken, gelet op alle relevante gegevens van de situatie in het hoofdgeding en de economische en juridische context ervan, maar dat het Hof niettemin op basis van de stukken waarover het beschikt, preciseringen kan geven om de verwijzende rechter bij zijn uitlegging te leiden opdat die het geding kan beslechten (zie met name arresten van 18 november 2021, Visma Enterprise, C-306/20, EU:C:2021:935, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C-211/22, EU:C:2023:529, punten 28 en 29).
48
Bijgevolg kan ook de derde niet-ontvankelijkheidsgrond niet worden aanvaard.
49
Gelet op een en ander is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
50
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de pariteitsclausules — zowel de brede als de smalle — die worden gebruikt in de overeenkomsten tussen onlinehotelreserveringsplatformen en accommodaties, buiten de toepassing van die bepaling vallen omdat zij nevenrestricties bij die overeenkomsten vormen.
51
Wanneer een bepaalde transactie of activiteit niet onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt omdat zij geen invloed of een positieve invloed heeft op de mededinging, valt een beperking van de commerciële autonomie van een of meer partijen bij die transactie of die activiteit volgens vaste rechtspraak evenmin onder dit verbod indien die beperking objectief noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die transactie of activiteit en evenredig is aan de doelstelling ervan (zie in die zin arresten van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 89; 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C-179/16, EU:C:2018:25, punt 69, en 26 oktober 2023, EDP — Energias de Portugal e.a., C-331/21, EU:C:2023:812, punt 88).
52
Wanneer het bestaan of de doelstellingen van de primaire transactie of activiteit in het gedrang komen bij gebreke van die beperking, moet de verenigbaarheid van die beperking met artikel 101 VWEU dan ook samen worden onderzocht met de verenigbaarheid van de primaire transactie of activiteit waarvan zij de nevenrestrictie vormt, ook al kan die restrictie — afzonderlijk beschouwd — op het eerste gezicht onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU lijken te vallen (zie in die zin arresten van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 90; 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C-179/16, EU:C:2018:25, punt 70, en 26 oktober 2023, EDP — Energias de Portugal e.a., C-331/21, EU:C:2023:812, punt 89).
53
Opdat een restrictie kan worden aangemerkt als een ‘nevenrestrictie’, moet om te beginnen worden nagegaan of de primaire transactie, die de mededinging niet beperkt, nog zou kunnen worden uitgevoerd zonder de betrokken beperking. Het feit dat die transactie zonder de restrictie in kwestie gewoon moeilijker te realiseren of zelfs minder winstgevend is, leidt er niet toe dat die restrictie objectief noodzakelijk is, hetgeen zij moet zijn om als nevenrestrictie te kunnen worden aangemerkt. Een dergelijke uitlegging zou namelijk erop neerkomen dat dit begrip wordt uitgebreid tot beperkingen die niet strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de primaire transactie. Een dergelijk resultaat zou afdoen aan de nuttige werking van het in artikel 101, lid 1, VWEU vervatte verbod (zie in die zin arresten van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 91; 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C-179/16, EU:C:2018:25, punt 71, en 26 oktober 2023, EDP — Energias de Portugal e.a., C-331/21, EU:C:2023:812, punt 90).
54
Vervolgens moet in voorkomend geval worden onderzocht of de betrokken restrictie evenredig is aan de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de transactie in kwestie. De Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten mogen ter weerlegging van de stelling dat een bepaalde restrictie een nevenrestrictie is dus onderzoeken of er realistische alternatieven bestaan die de mededinging minder beperken dan de restrictie in kwestie. Die alternatieven betreffen niet alleen de situatie die zich zonder de restrictie in kwestie zou voordoen, maar eventueel ook andere contrafeitelijke hypothesen die gebaseerd zijn op realistische situaties die zich bij gebreke van die restrictie kunnen voordoen (zie in die zin arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punten 107–111).
55
Het is van belang te preciseren dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het begrip ‘nevenrestricties’, zoals dat wordt onderzocht in het kader van artikel 101, lid 1, VWEU, en de vrijstelling op grond van artikel 101, lid 3, VWEU. In tegenstelling tot deze laatste houdt het criterium van de objectieve noodzakelijkheid, om een restrictie als een ‘nevenrestrictie’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU te kwalificeren, geen afweging in van de concurrentiebevorderende en -verstorende effecten van een overeenkomst. Deze afweging kan immers enkel plaatsvinden in het kader van artikel 101, lid 3, VWEU (zie in die zin arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 93).
56
In casu staat het in beginsel uitsluitend aan de nationale rechter om, rekening houdend met de hem voorgelegde feiten, te bepalen of aan de voorwaarden voor het bestaan van een nevenrestrictie is voldaan. Zo kan hij, wanneer bij hem een vordering is ingesteld die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/104 valt, zoals omschreven in artikel 1, lid 2, ervan, onder meer rekening houden met definitieve beslissingen van een nationale mededingingsautoriteit of een beroepsinstantie overeenkomstig artikel 9, lid 2, van deze richtlijn.
57
Het Hof is niettemin bevoegd om de verwijzende rechter aanwijzingen te geven om hem te leiden bij zijn onderzoek of een restrictie objectief noodzakelijk is voor de primaire transactie.
58
Dat onderzoek is immers, in tegenstelling tot het onderzoek dat vereist is bij de afweging van de mededingingsverstorende en -bevorderende gevolgen van een overeenkomst voor de toepassing van artikel 101, lid 3, VWEU, vrij algemeen en abstract en vereist geen louter feitelijke beoordeling.
59
In de eerste plaats blijkt de in casu aan de orde zijnde primaire transactie, namelijk de verlening van onlinehotelreserveringsdiensten door platformen als Booking.com, een neutraal of zelfs positief effect op de mededinging te hebben gehad. Deze diensten brengen aanzienlijke efficiëntieverbeteringen met zich mee omdat ten eerste consumenten daardoor toegang krijgen tot een breed scala aan accommodatieaanbiedingen en zij deze aanbiedingen eenvoudig en snel kunnen vergelijken op basis van verschillende criteria en ten tweede accommodaties daardoor zichtbaarder worden en op die manier een groter aantal potentiële klanten kunnen trekken.
60
In de tweede plaats is daarentegen niet aangetoond dat de prijspariteitsclausules objectief noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van deze primaire transactie en evenredig zijn aan het daarmee nagestreefde doel.
61
In dit verband blijken de brede pariteitsclausules, op grond waarvan het de partnerhotels die op het reserveringsplatform staan vermeld verboden is om op hun eigen verkoopkanalen of op door derden geëxploiteerde verkoopkanalen kamers aan te bieden tegen een lagere prijs dan die welke op dat platform wordt aangeboden, niet objectief noodzakelijk voor de primaire transactie van onlinehotelreserveringsdiensten noch evenredig aan het daarmee nagestreefde doel.
62
Er is immers geen intrinsiek verband tussen het voortbestaan van de primaire activiteit die met het hotelreserveringsplatform wordt uitgeoefend, en het opleggen van dergelijke clausules, die duidelijk aanzienlijke beperkende gevolgen hebben. Naast het feit dat die clausules de concurrentie tussen de verschillende hotelreserveringsplatformen kunnen beperken, bestaat het gevaar dat door die clausules kleine en nieuwe platformen worden verdrongen.
63
In de omstandigheden van het hoofdgeding geldt hetzelfde voor de smalle pariteitsclausules, op grond waarvan het de partneraccommodaties enkel verboden is om op hun eigen onlinekanalen overnachtingen aan te bieden tegen een lager tarief dan het tarief dat wordt aangeboden op het hotelreserveringsplatform. Hoewel laatstgenoemde clausules op het eerste gezicht minder beperkend zijn voor de mededinging en bedoeld zijn om het risico op meeliftgedrag aan te pakken waarnaar onder meer Booking.com in het hoofdgeding heeft verwezen, blijken zij niet objectief noodzakelijk om de economische levensvatbaarheid van het hotelreserveringsplatform te verzekeren.
64
Het is juist dat in het hoofdgeding is aangevoerd dat de pariteitsclausules tot doel hebben te voorkomen dat accommodaties op deloyale wijze en zonder tegenprestatie gebruikmaken van de diensten en de zichtbaarheid die het hotelreserveringsplatform biedt, en te verhinderen dat de investeringen in de ontwikkeling van de zoek- en vergelijkingsfuncties van dit platform niet zouden kunnen worden afgeschreven.
65
Zoals echter uit de in punt 55 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt, mag de toepassing van het begrip ‘nevenrestrictie’, die bepaalt of een restrictie aan het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU kan ontsnappen, niet leiden tot verwarring tussen, enerzijds, de in de rechtspraak gestelde voorwaarden om voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU een restrictie als een ‘nevenrestrictie’ aan te merken en, anderzijds, het onmisbaarheidscriterium van artikel 101, lid 3, VWEU om een verboden restrictie te kunnen vrijstellen.
66
Uit de in de punten 51 tot en met 55 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt namelijk dat bij het onderzoek of een restrictie objectief noodzakelijk is voor de primaire transactie, niet moet worden nagegaan of, gelet op de mededingingssituatie op de betrokken markt, die restrictie noodzakelijk is om het commerciële succes van de primaire transactie te verzekeren, maar wel of die restrictie in het specifieke kader van die transactie onmisbaar is voor de verwezenlijking van die transactie.
67
De kwalificatie als ‘nevenrestrictie’, waarvoor het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU niet geldt, heeft het Hof immers slechts willen overwegen in gevallen waarin de verwezenlijking van de primaire transactie zonder de restrictie onvermijdelijk in het gedrang kwam. Daarom kunnen enkel restricties die intrinsiek noodzakelijk zijn opdat de primaire transactie in alle gevallen kan worden verricht, als ‘nevenrestricties’ worden aangemerkt.
68
Dit was het geval in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie (42/84, EU:C:1985:327, punten 19 en 20), waarin het Hof heeft geoordeeld dat een niet-concurrentiebeding objectief noodzakelijk was voor een ondernemingsoverdracht, voor zover het zonder een dergelijk beding en wanneer de verkoper en de koper na de overdracht met elkaar in concurrentie blijven, niet mogelijk blijkt de overeenkomst tot overdracht van de onderneming tot stand te brengen. Er werd immers geoordeeld dat de verkoper, die de bijzonderheden van de overgedragen onderneming zeer goed kende, in staat bleef om zijn oude klantenkring onmiddellijk na de overdracht weer naar zich toe te trekken en de onderneming dus onrendabel te maken.
69
Dat was ook het geval met bepaalde restricties in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 28 januari 1986, Pronuptia de Paris (161/84, EU:C:1986:41). In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat clausules in overeenkomsten inzake verkoopfranchising die onmisbaar waren voor de werking van het franchisesysteem, geen beperkingen van de mededinging opleverden. Het betrof clausules die verhinderden dat de overgedragen knowhow en de door de franchisegever verleende bijstand ten goede kwamen aan concurrenten. Het betrof ook clausules die het onmisbare toezicht regelden voor het behoud van de identiteit en de reputatie van de door de handelsnaam gesymboliseerde verkooporganisatie (punten 16 en 17 van dat arrest).
70
In het arrest van 19 april 1988, Erauw-Jacquery (27/87, EU:C:1988:183, punt 11), heeft het Hof tevens geoordeeld dat een bepaling in een overeenkomst betreffende de vermeerdering en de verkoop van zaden, waarbij een van de partijen de houder van bepaalde kwekersrechten of de gemachtigde van die houder was en de handelaar/teler verbood om basiszaad te verkopen en uit te voeren, verenigbaar was met artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag (thans artikel 101, lid 1, VWEU) voor zover zij noodzakelijk was om de kweker in staat te stellen handelaars/telers als licentiehouder te selecteren.
71
Ook heeft het Hof in de arresten van 15 december 1994, DLG (C-250/92, EU:C:1994:413, punt 45), en 12 december 1995, Oude Luttikhuis e.a. (C-399/93, EU:C:1995:434, punt 20), geoordeeld dat bepaalde restricties die aan de leden van een inkoopcoöperatie of landbouwcoöperatie werden opgelegd, zoals de restricties die hun verboden om deel te nemen aan andere georganiseerde samenwerkingsverbanden die rechtstreeks met die coöperaties concurreerden of die voorzagen in een uittredingsvergoeding, niet onder het thans in artikel 101, lid 1, VWEU neergelegde verbod vielen, met name omdat de desbetreffende statutaire bepalingen beperkt waren tot wat noodzakelijk was om de goede werking van de coöperatie veilig te stellen en haar contractuele onderhandelingspositie ten opzichte van de producenten te ondersteunen.
72
In casu heeft de omstandigheid dat zonder de door het hotelreserveringsplatform opgelegde prijspariteitsclausules de winstgevendheid van de door dat platform aangeboden diensten mogelijk onder druk komt te staan, niet op zichzelf tot gevolg dat die clausules als objectief noodzakelijk moeten worden beschouwd. Mocht een dergelijke omstandigheid worden aangetoond, dan lijkt die verband te houden met het bedrijfsmodel van het onlinereserveringsplatform, waarbij er met name voor is gekozen de hoogte van de door de aangesloten accommodaties te betalen provisies te beperken om het aantal aanbiedingen op dat platform te verhogen en de indirecte netwerkeffecten die dit teweegbrengt, te versterken.
73
Bijgevolg kunnen de prijspariteitsclausules niet wegens het feit dat die bedoeld zijn om mogelijk meeliftgedrag tegen te gaan en onmisbaar zijn om efficiëntieverbeteringen of het commerciële succes van de primaire transactie te garanderen, gesteld al dat dat feit juist is, worden aangemerkt als ‘nevenrestricties’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Dat feit kan enkel in aanmerking worden genomen bij de toepassing van artikel 101, lid 3, VWEU.
74
Hoewel het onderzoek of een restrictie objectief noodzakelijk is voor de primaire transactie, vrij abstract van aard is, kan daarbij een contrafeitelijke analyse worden verricht waardoor kan worden nagegaan hoe de onlinetussenhandelsdiensten zouden hebben gefunctioneerd zonder de pariteitsclausule (zie in die zin arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 164). Welnu, uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat zowel de brede als de smalle pariteitsclausules in verschillende lidstaten zijn verboden, maar de dienstverlening van Booking.com toch niet in het gedrang is gekomen.
75
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de pariteitsclausules — zowel de brede als de smalle — die worden gebruikt in de overeenkomsten tussen onlinehotelreserveringsplatformen en accommodaties, geen nevenrestricties bij die overeenkomsten vormen en dus niet buiten de toepassing van die bepaling vallen.
Tweede vraag
76
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe, bij de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 330/2010, de relevante productmarkt moet worden afgebakend in een situatie waarin een hotelreserveringsplatform bemiddelt bij transacties tussen accommodaties en consumenten.
77
Volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 330/2010 is de in artikel 2 bepaalde vrijstelling van toepassing op voorwaarde dat het marktaandeel van de leverancier niet meer bedraagt dan 30 % van de relevante markt waarop hij de contractgoederen of -diensten verkoopt en het marktaandeel van de afnemer niet meer bedraagt dan 30 % van de relevante markt waarop hij de contractgoederen of -diensten koopt.
78
Zoals in overweging 5 van die verordening wordt bevestigd, is de marktaandeeldrempel in voormelde bepaling bedoeld om het voordeel van de bij de verordening vastgestelde groepsvrijstelling te beperken tot verticale overeenkomsten waarvan met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat zij aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU voldoen. Zoals in overweging 9 van die verordening wordt gepreciseerd, bestaat er boven de marktaandeeldrempel van 30 % geen vermoeden dat verticale overeenkomsten die onder artikel 101, lid 1, VWEU vallen, gewoonlijk objectieve voordelen zullen meebrengen die naar hun aard en omvang opwegen tegen de nadelen die voor de mededinging uit deze overeenkomsten voortvloeien.
79
Dienaangaande is de verwijzende rechter ervan uitgegaan dat de door de betrokken prijspariteitsclausules veroorzaakte mededingingsbeperkingen deel uitmaken van een ‘verticale overeenkomst’, die in artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 330/2010 wordt gedefinieerd als ‘een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging waarbij twee of meer, met het oog op de toepassing van de overeenkomst of de onderling afgestemde feitelijke gedraging, elk in een verschillend stadium van de productie- of distributieketen werkzame ondernemingen partij zijn en die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen of diensten kunnen kopen, verkopen of doorverkopen’.
80
Het Hof wordt dus enkel verzocht om aanwijzingen te geven over de uitleggingselementen die in aanmerking moeten worden genomen bij de afbakening van de relevante markt wanneer het, zoals in het hoofdgeding, om onlinetussenhandelsdiensten gaat, met dien verstande dat die afbakening, waarbij rekening moet worden gehouden met de mededingingsvoorwaarden en de structuur van vraag en aanbod op de betrokken markt, grotendeels afhangt van een grondig feitelijk onderzoek dat alleen de verwijzende rechter kan verrichten. Dit geldt temeer daar die rechter het Hof weinig gegevens heeft verstrekt en het Hof bijgevolg niet in staat is de relevante productmarkt nauwkeurig af te bakenen.
81
Zoals is aangegeven in zowel punt 2 van de bekendmaking van de Commissie van 1997 inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (PB 1997, C 372, blz. 5) als punt 6 van de herziene bekendmaking van de Commissie van 2024 betreffende de afbakening van de relevante markt ten behoeve van het mededingingsrecht van de Unie (PB 2024, C 1645, blz. 1), is de bepaling van de markt een instrument om de grenzen van de mededinging tussen de betrokken ondernemingen te onderkennen en af te bakenen.
82
Wat de productmarkt betreft — de enige die bij de onderhavige prejudiciële vraag aan de orde is — blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het begrip ‘relevante markt’ inhoudt dat het tussen de van die markt deel uitmakende producten of diensten tot daadwerkelijke mededinging kan komen, hetgeen veronderstelt dat alle producten of diensten die deel uitmaken van een en dezelfde markt, elkaar voor hetzelfde gebruik in voldoende mate kunnen substitueren. Het onderzoek of producten of diensten onderling verwisselbaar of substitueerbaar zijn, mag niet alleen uitgaan van de objectieve kenmerken van de betrokken producten of diensten. Daarbij moeten eveneens de mededingingsomstandigheden en de structuur van vraag en aanbod op de markt in aanmerking worden genomen [arresten van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C-179/16, EU:C:2018:25, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 129].
83
In casu wenst de verwijzende rechter uiteindelijk te vernemen of, zoals is beslist in de in Duitsland ingeleide procedures, de relevante productmarkt voor de toepassing van de marktaandeeldrempel van verordening nr. 330/2010 de ‘markt voor hotelplatformen’ was, die wordt omschreven als de markt waarop onlinehotelplatformen bemiddelingsdiensten aanbieden aan accommodaties, dan wel of de betrokken markt ruimer is dan die van hotelreserveringsplatformen.
84
In dit verband staat in punt 95 van de in punt 81 van het onderhavige arrest genoemde herziene bekendmaking te lezen dat in het geval van multi-sided platforms een relevante productmarkt kan worden afgebakend voor de producten die het platform als geheel aanbiedt, op een wijze die alle (of meerdere) groepen gebruikers omvat; ook kunnen in dat geval afzonderlijke (hoewel onderling verbonden) relevante productmarkten worden afgebakend voor de producten die aan elke zijde van het platform worden aangeboden. Afhankelijk van de feiten in de zaak kan het meer aangewezen zijn om afzonderlijke markten af te bakenen wanneer er tussen de verschillende zijden van het platform aanzienlijke verschillen in de substitutiemogelijkheden zijn. Om na te gaan of er sprake is van dergelijke verschillen, kunnen factoren in aanmerking worden genomen zoals de vraag of het verschillende ondernemingen zijn die substitueerbare producten voor elke groep gebruikers aanbieden, de mate van productdifferentiatie aan elke zijde (of de perceptie daarover bij elke groep gebruikers), gedragsfactoren zoals de homing-keuzen van elke gebruikersgroep en de aard van het platform.
85
Om voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 330/2010 het marktaandeel van Booking.com als aanbieder van onlinetussenhandelsdiensten aan accommodaties te bepalen, moet dus worden onderzocht of andere soorten tussenhandelsdiensten en andere verkoopkanalen daarmee substitueerbaar zijn uit het oogpunt van de vraag naar die diensten van enerzijds de accommodaties en anderzijds de eindklanten.
86
Om de relevante markt te bepalen, moet de verwijzende rechter dus nagaan of de onlinetussenhandelsdiensten en de andere verkoopkanalen daadwerkelijk onderling substitueerbaar zijn, ongeacht of deze kanalen verschillende kenmerken vertonen en niet dezelfde zoek- en vergelijkingsfuncties voor hotelaanbiedingen hebben.
87
Daarbij dient de verwijzende rechter rekening te houden met alle informatie die hem is voorgelegd.
88
In casu moet worden opgemerkt dat het Bundesgerichtshof in het kader van de in Duitsland ingeleide procedures die aan de onderhavige zaak ten grondslag liggen, in zijn beslissing van 18 mei 2021 de beoordelingen van zowel het Oberlandesgericht Düsseldorf als het Bundeskartellamt heeft bevestigd wat de afbakening van de relevante markt betreft. Het heeft aldus de conclusie bevestigd dat de relevante productmarkt voor de toepassing van de marktaandeeldrempel van verordening nr. 330/2010 de markt voor hotelplatformen was, die wordt omschreven als de markt waarop onlinehotelplatformen tussenhandelsdiensten aan accommodaties aanbieden.
89
Hoewel de beoordelingen van het Bundeskartellamt en de beroepsinstanties in Duitsland over de afbakening van de relevante productmarkt voor de toepassing van verordening nr. 330/2010 strikt genomen geen verband houden met definitieve beslissingen tot vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht, die overeenkomstig artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104, voor de nationale rechterlijke instanties op zijn minst als prima-faciebewijs van een inbreuk kunnen worden voorgelegd, neemt dit niet weg dat die beoordelingen, wanneer zij dezelfde geografische markt betreffen, een uiterst relevant contextueel gegeven vormen.
90
Het staat niettemin aan de verwijzende rechter om uit te maken of een dergelijke afbakening van de markt waarbij uit het oogpunt van zowel de accommodaties als de eindklanten rekening wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van de ‘contractdiensten’ die de OTA's aanbieden, enige analysefout bevat of op onjuiste vaststellingen berust.
91
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin een onlinehotelreserveringsplatform bemiddelt bij transacties tussen accommodaties en consumenten, de afbakening van de relevante markt voor de toepassing van de in die bepaling neergelegde marktaandeeldrempels vereist dat concreet wordt onderzocht of de onlinetussenhandelsdiensten en de andere verkoopkanalen substitueerbaar zijn uit het oogpunt van vraag en aanbod.
Kosten
92
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 101, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
de pariteitsclausules — zowel de brede als de smalle — die worden gebruikt in de overeenkomsten tussen onlinehotelreserveringsplatformen en accommodaties, geen nevenrestricties bij die overeenkomsten vormen en dus niet buiten de toepassing van die bepaling vallen.
- 2)
Artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen
moet aldus worden uitgelegd dat
in een situatie waarin een onlinehotelreserveringsplatform bemiddelt bij transacties tussen accommodaties en consumenten, de afbakening van de relevante markt voor de toepassing van de in die bepaling neergelegde marktaandeeldrempels vereist dat concreet wordt onderzocht of de onlinetussenhandelsdiensten en de andere verkoopkanalen substitueerbaar zijn uit het oogpunt van vraag en aanbod.
Prechal | Biltgen | Wahl |
Passer | Arastey Sahún |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 september 2024.
De griffier | De kamerpresident |
A. Calot Escobar | A. Prechal |
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑09‑2024
Conclusie 06‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Mededinging — Overeenkomsten tussen ondernemingen — Overeenkomsten tussen een online hotelreserveringsplatform en hotels — Prijspariteitsclausules — Artikel 101 VWEU — Nevenrestricties — Groepsvrijstelling — Verticale overeenkomsten — Verordening (EU) nr. 330/2010 — Afbakening van de markt
A. M. Collins
Partij(en)
Zaak C-264/231.
Booking.com BV,
Booking.com (Deutschland) GmbH
tegen
25hours Hotel Company Berlin GmbH,
Aletto Kudamm GmbH,
Air-Hotel Wartburg Tagungs- & Sporthotel GmbH,
Andel's Berlin Hotelbetriebs GmbH,
Angleterre Hotel GmbH & Co. KG,
Atrium Hotelgesellschaft mbH,
Azimut Hotelbetrieb Köln GmbH & Co. KG,
Barcelo Cologne GmbH,
Business Hotels GmbH,
Cocoon München GmbH,
DJC Operations GmbH,
Dorint GmbH,
Eleazar Novum GmbH,
Empire Riverside Hotel GmbH & Co. KG,
Explorer Hotel Fischen GmbH & Co. KG,
Explorer Hotel Nesselwang GmbH & Co. KG,
Explorer Hotel Schönau GmbH & Co. KG,
Fleming's Hotel Management und Servicegesellschaft mbH & Co. KG,
G. Stürzer GmbH Hotelbetriebe,
Hotel Bellevue Dresden Betriebs GmbH,
Hotel Europäischer Hof W.A.L. Berk GmbH & Co. KG,
Hotel Hafen Hamburg. Wilhelm Bartels GmbH & Co. KG,
Hotel John F GmbH,
Hotel Obermühle GmbH,
Hotel Onyx GmbH,
Hotel Rubin GmbH,
Hotel Victoria Betriebs- und Verwaltungs GmbH,
Hotel Wallis GmbH,
i31 Hotel GmbH,
IntercityHotel GmbH,
ISA Group GmbH,
Kur-Cafe Hotel Allgäu GmbH,
Lindner Hotels AG,
M Privathotels GmbH & Co. KG,
Maritim Hotelgesellschaft mbH,
MEININGER Shared Services GmbH,
Oranien Hotelbetriebs GmbH,
Platzl Hotel Inselkammer KG,
prize Deutschland GmbH,
Relexa Hotel GmbH,
SANA BERLIN HOTEL GmbH,
SavFra Hotelbesitz GmbH,
Scandic Hotels Deutschland GmbH,
Schlossgarten Hotelgesellschaft mbH,
Seaside Hotels GmbH & Co. KG,
SHK Hotel Betriebsgesellschaft mbH,
Steigenberger Hotels GmbH,
Sunflower Management GmbH & Co. KG,
The Mandala Hotel GmbH,
The Mandala Suites GmbH,
THR Hotel am Alexanderplatz Berlin Betriebs- und Management GmbH,
THR III Berlin Prager-Platz Hotelbetriebs- und Beteiligungsgesellschaft mbH,
THR München Konferenz und Event Hotelbetriebs- und Management GmbH,
THR Rhein/Main Hotelbetriebs- und Beteiligungs-GmbH,
THR XI Berlin Hotelbetriebs- und Beteiligungsgesellschaft mbH,
THR XXX Hotelbetriebs- und Beteiligungs-GmbH,
Upstalsboom Hotel + Freizeit GmbH & Co. KG,
VI VADI HOTEL Betriebsgesellschaft mbH & Co. KG,
Weissbach Hotelbetriebsgesellschaft mbH,
Wickenhäuser & Egger AG,
Wikingerhof GmbH & Co. KG,
Hans-Hermann Geiling, Hotel Präsident,
Karl Herfurtner, Hotel Stadt München eK
[verzoek van de rechtbank Amsterdam (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
In de onderhavige zaak moet het Hof twee nieuwe en belangrijke vragen beantwoorden die rijzen bij de toepassing van het mededingingsrecht op digitale markten.. Zijn brede en smalle prijspariteitsclausules nevenrestricties voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU? Welke rechtsbeginselen zijn in de context van tweezijdige digitale platformen zoals Booking.com van toepassing op de afbakening van de relevante productmarkt?
II. Hoofdgeding, prejudiciële verwijzing en procedure bij het Hof
2.
Booking.com BV, een in 1996 in Nederland opgerichte onderneming, exploiteert een online hotelreserveringsplatform2. met dezelfde naam. Booking.com treedt op als tussenpersoon tussen aanbieders van hoteldiensten en eindklanten. Zij bepaalt niet tegen welke prijs hotelkamers via haar platform worden aangeboden. Eindklanten betalen geen vergoeding voor het gebruik van Booking.com. Wanneer een eindklant een reservering maakt via Booking.com, betaalt het hotel een commissie aan dat platform. Eindklanten kunnen hotelkamers rechtstreeks bij het hotel boeken (per telefoon, per e-mail of via de website van het hotel) of via een fysiek reisbureau. Booking.com biedt via haar platform hotelkamers aan in meer dan 1,2 miljoen hotels over de hele wereld.
3.
Toen Booking.com in 2006 de Duitse markt betrad, was online hotelreservering nog niet gebruikelijk en werden de meeste hotelkamers rechtstreeks bij de hotels geboekt. In Duitsland waren ook andere onlinereisbureaus actief, waaronder Hotel Reservation Service Robert Ragge (hierna: ‘HRS’) en Expedia Inc. Deze onlinereisbureaus namen in hun overeenkomsten met hotels brede prijspariteitsclausules op. Die clausules beletten de hotels om kamers tegen een lagere prijs aan te bieden via hun eigen directe verkoopkanalen en via andere verkoopkanalen, waaronder via concurrerende onlinereisbureaus.
4.
In 2010 heeft het Bundeskartellamt (Duitse mededingingsautoriteit) een onderzoek tegen HRS ingesteld in verband met haar gebruik van brede prijspariteitsclausules. Op 20 december 2013 heeft deze autoriteit een besluit vastgesteld waarin zij tot de bevinding kwam dat de prijspariteitsclausules in overeenkomsten tussen HRS en hotels inbreuk maakten op artikel 101 VWEU en op de gelijkwaardige bepaling van het Duitse recht (hierna: ‘HRS-besluit’). In 2013 stelde het Bundeskartellamt ook een onderzoek in naar Booking.com in verband met de brede prijspariteitsclausules die de onderneming in haar overeenkomsten opnam.
5.
Bij uitspraak van 9 januari 2015 heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf, Duitsland) een tegen het HRS-besluit ingesteld beroep tot nietigverklaring verworpen (hierna: ‘HRS-uitspraak’). HRS heeft geen hoger beroep ingesteld tegen die beslissing, die definitief is geworden.
6.
In juli 2015 heeft Booking.com in overleg met de Franse, de Italiaanse en de Zweedse mededingingsautoriteit een einde gemaakt aan de brede prijspariteitsclausules die zij tot dan toe in al haar overeenkomsten opnam. Zij heeft die clausules vervangen door smalle prijspariteitsclausules. Deze laatste beletten hotels om kamers via hun directe verkoopkanalen tegen een lagere prijs aan te bieden.
7.
Op 22 december 2015 heeft het Bundeskartellamt vastgesteld dat smalle prijspariteitsclausules in strijd waren met artikel 101 VWEU en met de gelijkwaardige bepaling van het Duitse recht (hierna: ‘Booking.com-besluit’). Daarin verklaarde het dat dergelijke clausules de mededinging beperkten op de markt voor het aanbieden van hotelaccommodatie en, in de praktijk, op de markt voor het aanbieden van onlinetussenhandelsdiensten door platforms aan hotels.3. Vanwege het grote aandeel van Booking.com in de relevante markt, waren deze clausules niet vrijgesteld krachtens verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen4. (‘vertical agreement block exemption regulation’; hierna: ‘oude VBER’). Ook de voorwaarden voor de toepassing van een individuele vrijstelling op grond van artikel 101, lid 3, VWEU waren niet vervuld.
8.
Bij uitspraak van 4 juni 2019 heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf geoordeeld dat smalle prijspariteitsclausules een beperking van de mededinging vormden, maar noodzakelijk waren om meeliftgedrag te voorkomen. Deze clausules beletten hotels om Booking.com te gebruiken om klanten te bereiken en hen vervolgens ertoe aan te zetten rechtstreeks bij de hotels te boeken. Het Oberlandesgericht Düsseldorf kwam tot de conclusie dat dergelijke clausules nevenrestricties waren die geen inbreuk vormden op artikel 101, lid 1, VWEU. Het verklaarde het Booking.com-besluit derhalve nietig.
9.
Op 18 mei 2021 heeft het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) die uitspraak vernietigd en het Booking.com-besluit bevestigd. Het oordeelde dat smalle prijspariteitsclausules de mededinging op de markt voor het aanbieden van hotelaccommodatie beperkten. Deze clausules waren niet vrijgesteld krachtens de oude VBER en waren ook geen nevenrestricties. De afweging van de mededingingsbevorderende en de mededingingsbeperkende effecten van smalle prijspariteitsclausules moet worden gemaakt in het kader van een individuele analyse op grond van artikel 101, lid 3, VWEU. Het Bundesgerichtshof kwam tot de conclusie dat dergelijke clausules niet objectief noodzakelijk waren voor de verwezenlijking van een primaire transactie, aangezien niet was aangetoond dat de winstgevendheid van Booking.com zonder deze clausules in het gedrang zou komen.
10.
In 2020 heeft Hotelverband Deutschland (IHA) eV, een vereniging die meer dan 2 600 hotels vertegenwoordigt, een schadevordering tegen Booking.com ingesteld bij het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland).
11.
Op 23 oktober 2020 heeft Booking.com bij de rechtbank Amsterdam (Nederland) een vordering ingesteld tot vaststelling dat haar prijspariteitsclausules geen inbreuk maken op artikel 101 VWEU. In de context van die vordering hebben 62 Duitse hotels (hierna: ‘hotels in reconventie’) een tegenvordering ingesteld en schadevergoeding geëist van Booking.com wegens inbreuk op artikel 101 VWEU. Bij de rechtbank Amsterdam zijn in wezen twee belangrijke rechtsvragen aan de orde.
12.
Ten eerste: vormen de prijspariteitsclausules een nevenrestrictie in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU? Booking.com stelt dat brede en smalle prijspariteitsclausules nevenrestricties zijn omdat deze de hotels beletten haar diensten te gebruiken zonder daarvoor te betalen, en aldus meeliftgedrag voorkomen. De hotels in reconventie voeren aan dat de afschaffing van de clausules in 2016 geen merkbare negatieve gevolgen had voor de activiteiten van Booking.com, hetgeen aantoont dat het risico van meeliftgedrag beperkt was.
13.
De rechtbank Amsterdam merkt voorts op dat er tegenstrijdige opvattingen bestaan over de behandeling van prijspariteitsclausules, zoals blijkt uit de uiteenlopende standpunten van het Bundeskartellamt en het Oberlandesgericht Düsseldorf. Zij voegt daaraan toe dat nationale wettelijke regelingen in België, Frankrijk, Italië en Oostenrijk het gebruik van brede en smalle prijspariteitsclausules verbieden.
14.
Ten tweede merkt de rechtbank Amsterdam op dat indien prijspariteitsclausules geen nevenrestricties zijn, het nodig is om de relevante productmarkt af te bakenen om te onderzoeken of de oude VBER van toepassing is. Die rechtbank merkt op dat het volgens de oude bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht5. nodig is de substitueerbaarheid aan de vraagzijde en aan de aanbodzijde te onderzoeken om een relevante productmarkt te bepalen.6.
15.
Booking.com voert aan dat de relevante productmarkt de markt voor de distributie en boeking van hotelaccommodatie is, die een tweezijdige markt is. De verschillende distributiekanalen, online en offline, zijn substitueerbaar voor de hotels en voor de eindklanten en behoren dus tot dezelfde relevante productmarkt. Volgens een economisch rapport dat Booking.com heeft laten opstellen, gebruikte 62 % van de Duitse eindklanten in 2014 twee tot vier websites om hotelaccommodatie te zoeken. Van de eindklanten die onlinereisbureaus gebruikten om hotelaccommodatie te zoeken, gebruikte 46 % ook metazoekmachines. In 2015 werd 60 % van de hotelboekingen offline gemaakt.
16.
De hotels in reconventie stellen daarentegen dat onlinereisbureaus op een afzonderlijke productmarkt actief zijn, aangezien zij diensten voor het zoeken, vergelijken en boeken aanbieden. De offline distributie van hoteldiensten en de directe verkoopkanalen van de hotels behoren daarom niet tot dezelfde relevante productmarkt.
17.
De rechtbank Amsterdam oppert dat er een tegenstrijdigheid lijkt te bestaan tussen het argument dat de directe verkoopkanalen van de hotels een afzonderlijke productmarkt vormen en de stelling dat smalle prijspariteitsclausules de mededinging tussen onlinereisbureaus, zoals Booking.com, en de directe verkoopkanalen van de hotels verstoren. Die rechtbank merkt tevens op dat besluit C(2011) 3913 definitief van de Commissie van 30 mei 2011 (zaak nr. COMP/M.6163 — AXA/PERMIRA/OPODO/GO VOYAGES/EDREAMS), waarin werd vastgesteld dat de relevante productmarkt de online distributie van vliegtickets via onlinereisbureaus en via de websites van de luchtvaartmaatschappijen behelsde, het standpunt van Booking.com lijkt te ondersteunen.
18.
Volgens de samenvatting van de raadpleging van belanghebbenden bij de evaluatie van de bekendmaking betreffende marktbepaling van 18 december 2020 (hierna: ‘samenvatting van de raadpleging van belanghebbenden’)7. bestaat er in de economische literatuur of in de besluitvormingspraktijk van de mededingingsautoriteiten geen consensus over hoe meerzijdige markten moeten worden afgebakend. Er bestaat discussie over de vraag of zij moeten worden afgebakend als meerdere relevante markten (één aan elke zijde van het platform) of als één enkele markt (die alle zijden van het platform omvat).8.
19.
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank Amsterdam de behandeling van de aldaar aanhangige zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Zijn de brede en smalle pariteitsclausule in het kader van artikel 101, lid 1, VWEU aan te merken als een nevenrestrictie?
- 2)
Hoe moet bij de toepassing van [verordening nr. 330/2010] de relevante markt worden afgebakend wanneer transacties worden bemiddeld door een online travel agency platform (OTA) waar accommodaties kamers kunnen aanbieden en in contact kunnen komen met reizigers die via het platform een kamer kunnen boeken?’
20.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Booking.com, de hotels in reconventie, de Duitse, de Griekse, de Spaanse en de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie. Booking.com, de hotels in reconventie, de Duitse en de Spaanse regering en de Commissie hebben deelgenomen aan de mondelinge behandeling en vragen van het Hof beantwoord ter terechtzitting van 29 februari 2024.
III. Beoordeling
A. Ontvankelijkheid
21.
De hotels in reconventie en de Duitse regering betwisten de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
22.
Zij voeren ten eerste aan dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is omdat het niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Het verzoek bevat niet alle relevante feiten, namelijk niet het feit dat zowel in het Booking.com-besluit als in het HRS-besluit werd ingegaan op de vragen die de verwijzende rechter aan de orde stelt. De Duitse rechterlijke instanties hebben die besluiten bevestigd en zij zijn definitief geworden. Terwijl de hotels in reconventie van mening zijn dat de verwijzende rechter gebonden is aan de vaststellingen in die besluiten, stelt de Duitse regering dat deze besluiten op zijn minst prima facie bewijs vormen voor het bestaan van een inbreuk.
23.
Ten tweede voeren de hotels in reconventie aan dat de vragen zuiver hypothetisch zijn, aangezien de verwijzende rechter gebonden is aan de uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties. Evenzo is de Duitse regering van mening dat de vragen onnodig zijn, aangezien het Booking.com-besluit en het HRS-besluit, die door de Duitse rechterlijke instanties zijn bevestigd, elke twijfel ten aanzien van de uitlegging van het Unierecht wegnemen.
24.
Ten derde zijn de vragen niet-ontvankelijk voor zover zij geen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, maar wel op de toepassing ervan. De vraag of brede en smalle prijspariteitsclausules nevenrestricties zijn, is onmogelijk in abstracto te beantwoorden, los van de feitelijke, juridische en economische context waarin zij van toepassing zijn. De afbakening van een relevante productmarkt is geen juridisch concept, maar vereist veeleer een feitelijke beoordeling.
25.
Volgens vaste rechtspraak is de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaft die deze voor de beslechting van de aan hen voorgelegde geschillen nodig hebben. In het kader van die samenwerking staat het uitsluitend aan de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.9.
26.
Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen inzake de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader stelt en ten aanzien van welk kader het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter enkel afwijzen wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en voorts wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.10.
27.
Wat het eerste bezwaar tegen de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, de verwijzingsbeslissing bevat voldoende feitelijke, juridische en procedurele informatie om het Hof in staat te stellen de opgeworpen vragen te beantwoorden. Zij bevat meer in het bijzonder gegevens over het HRS-besluit, het Booking.com-besluit en de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties over deze besluiten.
28.
Wat de relevantie van deze besluiten en de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties voor de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak betreft, de materiële werkingssfeer van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie11. is beperkt tot schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht. Deze richtlijn strekt zich niet uit tot andere soorten vorderingen die betrekking hebben op inbreuken op het mededingingsrecht12., zoals vorderingen tot vaststelling dat er geen inbreuk heeft plaatsgevonden, wanneer in het nationale recht is voorzien in dergelijke vorderingen. Uit het dossier van het Hof blijkt dat hoewel Booking.com van de verwijzende rechter de vaststelling vordert dat haar prijspariteitsclausules geen inbreuk hebben gemaakt op de mededingingsregels, de hotels in reconventie bij die rechter een vordering tot schadevergoeding hebben ingesteld tegen Booking.com. Die tegenvordering brengt de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 2014/104.
29.
Volgens artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104 wordt een inbreuk op het mededingingsrecht die door een nationale mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een rechter van de desbetreffende lidstaat aanhangig gemaakte schadevordering.13. Artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104 regelt de situatie die zich voordoet in de context van de onderhavige zaak. Wanneer een schadevordering wegens inbreuk op het mededingingsrecht wordt ingesteld bij de rechterlijke instanties van een lidstaat, moeten die rechterlijke instanties in andere lidstaat genomen definitieve beslissingen in aanmerking nemen als prima facie bewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan, onverminderd de mogelijkheid om bewijs van het tegendeel te leveren.14. De verwijzende rechter is derhalve niet gebonden aan de vaststellingen in het Booking.com-besluit, het HRS-besluit of de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties. Dat deze besluiten prima facie bewijs kunnen vormen van het feit dat zich een inbreuk heeft voorgedaan, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
30.
Het tweede bezwaar met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verwijzing kan om soortgelijke redenen worden afgewezen. De vragen van de verwijzende rechter zijn niet hypothetisch, aangezien bovengenoemde besluiten niet bindend zijn voor deze rechter. Het bestaan van deze besluiten betekent evenmin dat het Hof de prejudiciële vragen niet hoeft te beantwoorden, aangezien het Hof de ultieme uitlegger van het Unierecht is.15.
31.
Tot slot is het Hof in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU niet bevoegd om regels van Unierecht toe te passen op de feiten van een specifieke zaak, aangezien dat aan de verwijzende rechter staat. Het Hof kan echter op grond van de gegevens van het dossier de nationale rechter een uitlegging van het Unierecht verschaffen, die voor deze rechter van waarde kan zijn bij de beoordeling van het effect van deze of gene bepaling van dat recht.16.
32.
In de onderhavige zaak hebben de vragen van de verwijzende rechter betrekking op de uitlegging van het Unierecht, te weten het begrip ‘nevenrestricties’ en de rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de afbakening van de relevante productmarkten waarop onlinereisbureaus in de hotelsector actief zijn.
33.
Om deze redenen geef ik het Hof in overweging de verschillende bezwaren tegen de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing af te wijzen.
B. Ten gronde
1. Eerste vraag
— Opmerkingen van partijen
34.
Wat brede prijspariteitsclausules betreft, is de Commissie van mening dat het HRS-besluit en de HRS-uitspraak aanwijzingen vormen dat dergelijke clausules in beginsel strijdig zijn met artikel 101, lid 1, VWEU, aangezien zij de mededinging tussen zowel onlinereisbureaus als hotels beperken. Dat Booking.com geen partij was bij die procedure en artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104 dus niet van toepassing is, doet daar niet aan af.
35.
Wat smalle prijspariteitsclausules betreft, stelt de Commissie dat het Booking.com-besluit en de daaropvolgende uitspraak van het Bundesgerichtshof, dat heeft geoordeeld dat dergelijke clausules de mededinging tussen hotels en onlinereisbureaus beperken, op grond van artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104 prima facie bewijs vormen dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan. Volgens de Commissie zijn er geen aanwijzingen dat de vaststellingen van de Duitse autoriteiten met betrekking tot brede en smalle prijscompensatieclausules berusten op een onjuiste juridische analyse of dat deze autoriteiten het bewijsmateriaal verkeerd hebben geïnterpreteerd.
36.
De Commissie is van mening dat een restrictie als nevenrestrictie moet worden beschouwd indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de restrictie objectief noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een primaire transactie, die zonder de nevenrestrictie onmogelijk zou zijn. Die primaire transactie moet een positieve invloed hebben op of op zijn minst neutraal zijn vanuit het oogpunt van de mededinging. Ten tweede moet de nevenrestrictie in verhouding staan tot het doel dat met de primaire transactie wordt nagestreefd. De opmerkingen van de Commissie zijn toegespitst op de eerste van deze voorwaarden. Zij is van mening dat de primaire activiteit in de onderhavige zaak, te weten het aanbieden van onlinetussenhandelsdiensten door onlinereisbureaus aan hotels, een positieve invloed heeft. Deze activiteit vergroot de mededinging tussen hotels en stelt eindklanten in staat om concurrerende aanbiedingen van hoteldiensten te zoeken en te vergelijken. De Commissie voert voorts aan dat de Duitse autoriteiten het juiste rechtscriterium lijken te hebben toegepast door na te gaan of de prijspariteitsclausules objectief noodzakelijk zijn. Hoewel het niet aan de Commissie staat om in de context van verzoeken om prejudiciële beslissingen haar eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van nationale mededingingsautoriteiten en nationale rechterlijke instanties, lijkt niets erop te wijzen dat het economische voortbestaan van Booking.com in gevaar zou komen als er geen prijspariteitsclausules zouden bestaan. Ofschoon smalle prijspariteitsclausules nuttig kunnen zijn om meeliftgedrag te voorkomen, moet dit worden beoordeeld bij de toepassing van artikel 101, lid 3, VWEU op specifieke omstandigheden.17.
37.
Volgens de hotels in reconventie, de Duitse, de Griekse en de Oostenrijkse regering kunnen de prijspariteitsclausules slechts als nevenrestricties worden beschouwd als zij onmisbaar zijn om de levensvatbaarheid van Booking.com te garanderen. Het volstaat niet om aan te tonen dat de activiteiten van Booking.com minder winstgevend zouden kunnen zijn. Zij zijn van mening dat de prijspariteitsclausules geen nevenrestricties zijn omdat zij niet objectief noodzakelijk zijn. Ten eerste heeft Booking.com een paar jaar na haar succesvolle intrede op de Duitse markt prijspariteitsclausules ingevoerd. Ten tweede heeft Booking.com haar marktpositie in Duitsland verder versterkt nadat zij was opgehouden dergelijke clausules te hanteren.18. Ten derde stelt Booking.com dat hoewel veel hotels de prijspariteitsclausules niet naleefden, zij niet heeft getracht deze clausules af te dwingen.
38.
De hotels in reconventie en de Griekse regering voeren verder aan dat de prijspariteitsclausules onevenredig zijn, aangezien Booking.com haar legitieme commerciële belangen op andere manieren zou kunnen beschermen. Zo zou zij van hotels een vermeldingsvergoeding kunnen vragen of eindklanten kunnen verplichten om per klik te betalen.
39.
De Duitse en de Griekse regering zijn van mening dat prijspariteitsclausules uitgesloten beperkingen in de zin van artikel 5, lid 1, onder d), van de nieuwe VBER zijn. Die bepaling toont aan dat dergelijke clausules geen nevenrestricties zijn en dat individueel op grond van artikel 101, lid 3, VWEU moet worden beoordeeld of zij verenigbaar zijn met het mededingingsrecht. Smalle prijspariteitsclausules kunnen evenwel binnen de werkingssfeer van de nieuwe VBER vallen voor zover de marktaandeeldrempels en overige toepasselijke voorwaarden worden nageleefd.
40.
De Spaanse regering staat een andere beoordeling van brede en smalle prijspariteitsclausules voor. Aangezien brede prijspariteitsclausules bijzonder schadelijke effecten hebben op de mededinging, vormen zij beperkingen van de mededinging naar strekking, waardoor zij als hardcore beperkingen in de zin van artikel 4 van de nieuwe VBER moeten worden behandeld. Daarentegen kunnen smalle prijspariteitsclausules krachtens de nieuwe VBER worden vrijgesteld wanneer de betrokken ondernemingen de marktaandeeldrempels van 30 % niet overschrijden. Wanneer deze marktaandeeldrempels worden overschreden, moet de verenigbaarheid van smalle prijspariteitsclausules individueel worden onderzocht. De Spaanse regering sluit niet uit dat dergelijke clausules in dat geval als nevenrestricties kunnen worden beschouwd, voor zover zij noodzakelijk zijn om meeliftgedrag te voorkomen en er geen alternatieve, minder restrictieve middelen zijn om dat doel te bereiken.
41.
Booking.com geeft twee redenen waarom brede en smalle prijspariteitsclausules nevenrestricties zijn. Ten eerste houden de prijspariteitsclausules rechtstreeks verband met de tenuitvoerlegging van de primaire overeenkomsten tussen Booking.com en de hotels, die een positieve invloed hebben gehad op de mededinging en voordelen hebben opgeleverd voor de hotels en de eindklanten. Dankzij het platform van Booking.com hebben hotels meer zichtbaarheid gekregen en hebben zij meer eindklanten over de hele wereld kunnen bereiken. Eindklanten krijgen toegang tot een ruimer aanbod van hotels en kunnen op eenvoudige en efficiënte wijze accommodaties vergelijken en boeken. Het platform van Booking.com heeft de mededinging tussen hotels vergroot, wat tot lagere prijzen voor de eindklanten heeft geleid.
42.
Ten tweede waren prijspariteitsclausules vanwege de aanzienlijke investeringen in de opzet, ontwikkeling en promotie van haar platform een objectieve noodzaak om het ondernemingsmodel van Booking.com te beschermen. Hotels betalen geen vergoeding om hun kamers op het platform van Booking.com aan te bieden. Zij betalen pas wanneer een klant een kamer boekt via Booking.com en die niet annuleert. Eindklanten maken gratis gebruik van de diensten van Booking.com. De prijspariteitsclausules waren onmisbaar om te voorkomen dat hotels zouden meeliften doordat zij hun kamers op het platform van Booking.com aanbieden en tegelijkertijd proberen om de reserveringskosten te vermijden door dezelfde kamers via andere verkoopkanalen tegen een lagere prijs aan te bieden. Booking.com stelt dat de prijspariteitsclausules (i) een passende maatregel waren om het succes van haar ondernemingsmodel te garanderen, (ii) een legitieme doelstelling nastreefden en (iii) de minst restrictieve maatregel waren om meeliftgedrag tegen te gaan.19.
— Analyse
43.
Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of brede en smalle prijspariteitsclausules die een onlinereisbureau in het kader van zijn verkoopvoorwaarden aan hotels tracht op te leggen, als nevenrestricties in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU moeten worden beschouwd.
44.
Ingevolge artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104 moet de verwijzende rechter het Booking.com-besluit en de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties ten minste opvatten als prima facie bewijs dat de smalle prijspariteitsclausules inbreuk maken op het mededingingsrecht. De verwijzende rechter kan ook het HRS-besluit, dat niet tot Booking.com gericht was, en de latere uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties met betrekking tot dat besluit, in aanmerking nemen als ‘eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal’ om te bepalen of de brede prijspariteitsclausules van Booking.com inbreuk maakten op het mededingingsrecht. De verwijzende rechter is niet gebonden aan definitieve beslissingen die in een andere lidstaat zijn vastgesteld indien die beslissingen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting of een kennelijke beoordelingsfout, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
45.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat indien een bepaalde transactie of activiteit niet onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt omdat zij geen invloed of een positieve invloed heeft op de mededinging, een beperking van de commerciële autonomie van een of meer partijen bij die transactie of die activiteit evenmin onder dit verbod valt indien die beperking objectief noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die transactie of activiteit en evenredig is aan de doelstelling ervan.20.
46.
Om te bepalen of een mededingingsverstorende restrictie aan het in artikel 101, lid 1, VWEU vastgelegde verbod kan ontkomen omdat zij een nevenrestrictie vormt van een primaire transactie die de mededinging niet beperkt, moet worden nagegaan of deze transactie nog zou kunnen worden uitgevoerd zonder die beperking. Het feit dat een transactie zonder gebruik te maken van een restrictie gewoon moeilijker te realiseren of zelfs minder winstgevend is, volstaat niet om te stellen dat die restrictie objectief noodzakelijk is, hetgeen zij moet zijn om als nevenrestrictie te kunnen worden aangemerkt. Anders zou de inhoud van nevenrestricties beperkingen omvatten die niet strikt onmisbaar zijn voor de uitvoering van de primaire transactie. Indien dit zou worden aanvaard, zou een dergelijk resultaat afdoen aan de nuttige werking van het in artikel 101, lid 1, VWEU vervatte verbod.21. Het criterium van de objectieve noodzakelijkheid heeft betrekking op de vraag of het gevaar bestaat dat een primaire transactie of activiteit die niet onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt en waaraan een bepaalde restrictie van de commerciële autonomie ondergeschikt is, zonder die restrictie niet meer kan worden gerealiseerd of voortgezet.22.
47.
Om verwarring te voorkomen tussen de in de rechtspraak gestelde voorwaarden om een restrictie als nevenrestrictie te kunnen aanmerken voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU, en het onmisbaarheidscriterium van artikel 101, lid 3, VWEU, op grond waarvan een verboden restrictie kan worden vrijgesteld, is het onderzoek van de objectieve noodzakelijkheid van een restrictie vrij abstract. Hoewel de afweging tussen mededingingsbevorderende en mededingingsbeperkende effecten wordt gemaakt in het kader van artikel 101, lid 3, VWEU, kunnen alleen de restricties die noodzakelijk zijn opdat de primaire transactie onder alle omstandigheden zou kunnen functioneren23., worden geacht onder de theorie van de nevenrestricties te vallen24..
48.
In de onderhavige zaak is het duidelijk dat het aanbieden van hotelaccommodatie door onlinereisbureaus zoals Booking.com een positieve invloed heeft gehad op de mededinging, voor zover deze activiteit de mededinging tussen hotels vergroot en eindklanten in staat stelt concurrerende aanbiedingen van accommodatiediensten te zoeken en te vergelijken. De echte vraag is of brede en/of smalle prijspariteitsclausules objectief noodzakelijk en evenredig zijn om de voor de verwijzende rechter aan de orde zijnde primaire activiteit te verrichten. Zoals de meeste partijen bij de onderhavige procedure aanvoeren, lijken brede en smalle prijspariteitsclausules niet onmisbaar te zijn. Er lijkt geen intrinsiek verband te bestaan tussen de primaire activiteit van de onlinereisbureaus en het opleggen van prijspariteitsclausules. Zij lijken evenmin objectief noodzakelijk om de economische levensvatbaarheid van onlinereisbureaus te waarborgen. Uit het dossier van het Hof blijkt dat onlinereisbureaus in verschillende lidstaten hun diensten blijven aanbieden en zelfs floreren nadat het hun werd verboden prijspariteitsclausules te hanteren. Zoals diverse partijen bij de procedure bij het Hof hebben betoogd, kunnen andere, minder restrictieve middelen worden overwogen om het legitieme doel van het voorkomen van meeliftgedrag te bereiken, bijvoorbeeld het aanrekenen van een vermeldingsvergoeding aan hotels. Het valt dan ook te betwijfelen dat brede en smalle prijspariteitsclausules voldoen aan het evenredigheidscriterium waaraan nevenrestricties moeten voldoen.
49.
De voorgaande overwegingen doen niets af aan de afweging die moet worden gemaakt tussen de mededingingsbevorderende en de mededingingsbeperkende effecten van dergelijke restricties in het kader van een individueel onderzoek op grond van artikel 101, lid 3, VWEU. Het voorkomen van meeliftgedrag is een legitieme doelstelling die mededingingsbeperkingen kan rechtvaardigen als aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 101, lid 3, VWEU is voldaan.25. Daaruit volgt dat onlinereisbureaus dergelijke argumenten kunnen aanvoeren in de context van het door artikel 101, lid 3, VWEU geboden kader en niet bij de vaststelling van het bestaan van nevenrestricties.26.
50.
Aangezien het probleem ter terechtzitting werd aangekaart, zou ik hieraan willen toevoegen dat brede en smalle prijspariteitsclausules geen hardcore beperkingen in de zin van artikel 4 van de oude VBER zijn. In de oude VBER wordt niet verwezen naar brede of smalle prijspariteitsclausules. De hardcore beperking in artikel 4, onder a), van de oude VBER27. betreft ‘verticale prijsbinding’, dat wil zeggen overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die direct of indirect de vastlegging van een vaste wederverkoopprijs of minimumwederverkoopprijs tot doel hebben. Het begrip ‘verticale prijsbinding’ verwijst naar een beperking van de mogelijkheden van de afnemer om zijn wederverkoopprijs vast te stellen.28. Brede en smalle prijspariteitsclausules werken op een heel andere manier. Ten eerste leveren onlinereisbureaus tussenhandelsdiensten aan hotels. Zij bieden geen accommodatie aan die de hotels doorverkopen aan eindklanten. Het begrip ‘verticale prijsbinding’ past niet gemakkelijk in die contractuele matrix. Ten tweede geldt dat zelfs indien een vergelijking zou worden gemaakt tussen verticale prijsbinding en het opleggen door een onlinereisbureau van een vaste verkoopprijs voor de transacties waarvoor zij bemiddelt29., brede en smalle prijspariteitsclausules hotels niet beletten om de verkoopprijs van door dat onlinereisbureau uitgevoerde transacties te verlagen30..
51.
De stelling dat prijspariteitsclausules geen hardcore beperkingen zijn in de zin van de oude VBER wordt ondersteund door twee aanvullende overwegingen uit de nieuwe VBER en de nieuwe verticale richtsnoeren.31. Ten eerste is in artikel 5, lid 1, onder d), van de nieuwe VBER uitdrukkelijk bepaald dat prijspariteitsclausules ‘uitgesloten beperkingen’ zijn32., en geen hardcore beperkingen in de zin van artikel 4 van de nieuwe VBER.33. Dat lijkt te impliceren dat smalle prijspariteitsclausules, die de mededinging minder beperken, krachtens de nieuwe VBER zijn vrijgesteld.34. Ten tweede is in de verticale richtsnoeren uitdrukkelijk bevestigd dat smalle prijspariteitsclausules in aanmerking kunnen komen voor de vrijstelling waarin de nieuwe VBER voorziet.35.
52.
Aangezien de oude VBER geen bepaling bevat die vergelijkbaar is met artikel 5, lid 1, onder d), van de nieuwe VBER en prijspariteitsclausules geen hardcore beperkingen zijn, lijkt in beginsel niets te beletten dat de oude VBER van toepassing is op zowel brede als smalle prijspariteitsclausules, mits aan de andere voorwaarden van die verordening is voldaan.
53.
Ik geef het Hof derhalve in overweging de eerste vraag aldus te beantwoorden dat brede en smalle prijspariteitsclausules die een onlinereisbureau aan hotels tracht op te leggen als onderdeel van haar voorwaarden, geen nevenrestricties in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormen, tenzij zij onmisbaar en evenredig zijn om de economische levensvatbaarheid van het onlinereisbureau te waarborgen, hetgeen de verwijzende rechter dient te bepalen onverminderd zijn analyse op grond van artikel 101, lid 3, VWEU.
2. Tweede vraag
— Opmerkingen van partijen
54.
De Commissie merkt op dat de relevante productmarkt, volgens het Booking.com-besluit, dat definitief is geworden, de markt voor het aanbieden van onlinetussenhandelsdiensten door platforms aan hotels was. De directe verkoopkanalen van de hotels en metazoekmachines maakten geen deel uit van de relevante productmarkt. De Commissie, die hierin wordt gesteund door de Duitse regering, stelt dat er geen aanwijzingen zijn dat deze vaststellingen berusten op een kennelijke beoordelingsfout.36. Voornoemd besluit dient, dienovereenkomstig, ten minste prima facie bewijs te vormen voor de afbakening van de relevante markt door de verwijzende rechter.
55.
De Commissie wijst erop dat de marktaandeeldrempel in artikel 3, lid 1, van de oude VBER betrekking heeft op de relevante markt waarop de leverancier de contractgoederen of -diensten verkoopt. De Commissie en de Duitse regering verwijzen naar analogie naar punt 67 van de nieuwe verticale richtsnoeren.
56.
De hotels in reconventie lijken de verticale aard van de relatie tussen Booking.com en hotels ter discussie te stellen door te verwijzen naar het argument van Booking.com dat de directe verkoopkanalen van de hotels concurreren met haar platform. Op basis van dat argument zou de oude VBER niet van toepassing zijn. Hoe dan ook stellen de hotels in reconventie, daarin gesteund door de Griekse, de Spaanse en de Oostenrijkse regering, dat metazoekmachines geen deel uitmaken van de relevante productmarkt, omdat gebruikers via deze zoekmachines geen boeking kunnen verrichten. De directe verkoopkanalen van de hotels maken geen deel uit van de relevante productmarkt omdat zij geen zoek- en vergelijkingsfuncties bieden.
57.
Booking.com voert aan dat de relevante productmarkt de concurrentiedruk moet omvatten die direct en indirect wordt uitgeoefend door offline- en onlineverkoopkanalen, met inbegrip van websites van hotels. Het feit dat klanten aan multihoming doen, waarbij zij hotelaccommodatie boeken via offline- en onlineverkoopkanalen, waaronder onlinereisbureaus, metazoekmachines en de directe verkoopkanalen van de hotels, staaft die stelling. Ongeacht het verkoopkanaal is de dienst die aan eindklanten wordt aangeboden dezelfde, namelijk een hotelkamer. Als er geen risico zou bestaan dat klanten hotelkamers via andere verkoopkanalen zouden boeken, dan zouden prijspariteitsclausules uit commercieel oogpunt onnodig zijn.
— Analyse
58.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe de relevante productmarkt voor de activiteiten van een onlinereisbureau dat als tussenpersoon optreedt tussen hotels en eindklanten moet worden afgebakend voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van de oude VBER.
59.
Vooraf merk ik op dat het door de hotels in reconventie aangevoerde argument dat de relatie tussen hotels en Booking.com geen verticale relatie is en dat de oude VBER niet van toepassing is op dat soort situaties, op een misvatting lijkt te berusten.
60.
Een ‘verticale overeenkomst’ is in artikel 1, lid 1, onder a), van de oude VBER gedefinieerd als ‘een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging waarbij twee of meer, met het oog op de toepassing van de overeenkomst of de onderling afgestemde feitelijke gedraging, elk in een verschillend stadium van de productie- of distributieketen werkzame ondernemingen partij zijn en die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen of diensten kunnen kopen, verkopen of doorverkopen’.37. Een onderneming die, zoals Booking.com, tussenhandelsdiensten aanbiedt aan hotels om eindklanten te bereiken die hotelaccommodatie zoeken, valt duidelijk onder die definitie, aangezien Booking.com en de hotels voor die overeenkomst op verschillende niveaus van de productie- en distributieketen actief zijn.
61.
Een andere rechtsvraag is of de oude VBER mogelijk niet van toepassing is omdat het platform van Booking.com concurreert met de directe verkoopkanalen van de hotels. Volgens artikel 2, lid 4, van de oude VBER is de vrijstelling van artikel 2, lid 1, van die verordening niet van toepassing op verticale overeenkomsten gesloten tussen concurrerende ondernemingen. Er bestaat echter een uitzondering op die bepaling: de groepsvrijstelling is van toepassing wanneer concurrerende ondernemingen een niet-wederkerige verticale overeenkomst sluiten en de leverancier op verschillende handelsniveaus een aanbieder van diensten is, terwijl de afnemer zijn goederen of diensten aanbiedt op detailhandelsniveau en geen concurrerende onderneming is op het handelsniveau waarop hij de contractdiensten koopt.38. Deze uitzondering betreft situaties van ‘duale distributie’, waarin een leverancier diensten niet alleen verkoopt via onafhankelijke distributeurs, maar deze ook rechtstreeks aan eindklanten verkoopt, waarbij hij concurreert met zijn onafhankelijke distributeurs.39. Hieruit volgt dat, zelfs als het platform van Booking.com en de directe verkoopkanalen van de hotels als daadwerkelijke of potentiële concurrenten op dezelfde relevante productmarkt moeten worden beschouwd40., de situatie waarin hotels hun kamers zowel via onlinereisbureaus als via hun eigen websites verkopen, onder artikel 2, lid 4, van de oude VBER valt. In tegenstelling tot wat de hotels in reconventie beweren, is de oude VBER dus van toepassing.
62.
Die conclusie wordt nog duidelijker wanneer zij wordt onderzocht in de context van de nieuwe VBER en de nieuwe verticale richtsnoeren. In artikel 1, onder e), ii), van de nieuwe VBER zijn ‘onlinetussenhandelsdiensten’ gedefinieerd als diensten van de informatiemaatschappij die ondernemingen in staat stellen goederen of diensten aan te bieden aan eindconsumenten, teneinde het initiëren van directe transacties tussen die ondernemingen en eindconsumenten te faciliteren. Artikel 2, lid 4, onder b), van de nieuwe VBER, dat betrekking heeft op duale distributie, is identiek aan artikel 2, lid 4, onder b), van de oude VBER. De nieuwe VBER bevat echter een nieuw artikel 2, lid 6, waarin is bepaald dat de uitzonderingen in artikel 2, lid 4, van de nieuwe VBER niet van toepassing zijn op verticale overeenkomsten betreffende de levering van onlinetussenhandelsdiensten wanneer de aanbieder van die diensten een concurrent is op de relevante markt voor de verkoop van de middels tussenhandelsdiensten geleverde goederen of diensten.41.
63.
In de punten 104 tot en met 106 van de nieuwe verticale richtsnoeren wordt duidelijk gemaakt dat artikel 2, lid 6, van de nieuwe VBER bedoeld is om het toepassingsgebied van de veilige zone te beperken voor platforms die een ‘hybride’ functie hebben.42. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer verkopers van levensmiddelen hun producten te koop aanbieden op een onlinemarktplaats terwijl de beheerder van de onlinemarktplaats tegelijkertijd zijn eigen producten aanbiedt, die concurreren met die van deze verkopers. De reden voor deze uitsluiting is dat aanbieders van onlinetussenhandelsdiensten in dergelijke omstandigheden een prikkel kunnen hebben om hun eigen verkoop te bevoordelen en de uitkomst van de concurrentie te beïnvloeden. Hieruit volgt dat in de nieuwe VBER nog steeds is voorzien in een vrijstelling voor aanbieders van onlinetussenhandelsdiensten die geen hybride functie hebben, zoals een onlinereisbureau dat geen eigen hotelkamers aanbiedt via zijn platform.
64.
Thans kom ik tot de tweede vraag. Ik stel vast dat marktafbakening een instrument is om de krijtlijnen van de mededinging tussen ondernemingen te bepalen en af te bakenen. De voornaamste doelstelling ervan is het systematisch vaststellen van de daadwerkelijke en directe concurrentiedruk waarmee de betrokken ondernemingen worden geconfronteerd wanneer die bepaalde producten aanbieden.43.
65.
Volgens vaste rechtspraak omvat een relevante productmarkt alle producten en/of diensten die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de consument als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd. Het begrip ‘relevante markt’ houdt in dat er daadwerkelijke concurrentie kan bestaan tussen de producten of diensten die er deel van uitmaken. Dit veronderstelt dat alle producten of diensten die deel uitmaken van eenzelfde markt, voor hetzelfde gebruik in voldoende mate onderling substitueerbaar zijn. Het onderzoek of producten of diensten onderling verwisselbaar of substitueerbaar zijn, mag niet alleen uitgaan van de objectieve kenmerken van de betrokken producten of diensten. Daarbij moeten tevens de mededingingsomstandigheden en de structuur van vraag en aanbod op de markt in aanmerking worden genomen.44. De onderlinge verwisselbaarheid en de substitueerbaarheid van producten zijn dynamisch en de afbakening van de relevante markt kan in de loop van de tijd veranderen.45.
66.
Tweezijdige markten zijn markten waar een marktdeelnemer, vaak een onlineplatform, twee verschillende gebruikersgroepen met elkaar verbindt. In dergelijke omstandigheden heeft de vraag van de ene groep gebruikers een invloed op de vraag van de andere groep, wat tot indirecte netwerkeffecten leidt.46. Voorbeelden van dergelijke tweezijdige markten zijn een onlinemarktplaats waar een platform verkopers van producten en kopers van een product samenbrengt, of een professioneel sociaal netwerk dat eindgebruikers en potentiële werkgevers met elkaar in contact brengt.47.
67.
Volgens de nieuwe bekendmaking betreffende de afbakening van de relevante markt kan het in het geval van multi-sided platforms passend zijn een relevante productmarkt af te bakenen voor de producten die het platform als geheel aanbiedt, op een wijze die alle groepen gebruikers omvat. Het kan ook passend zijn afzonderlijke (hoewel onderling verbonden) relevante productmarkten af te bakenen voor de producten die aan elke zijde van het platform worden aangeboden.48. Een aantal factoren is van invloed op die afbakening, waaronder of het een transactie- dan wel een matchingplatform is.49.
68.
In die context vormen het Booking.com-besluit en de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties, zoals de Commissie en de Duitse regering terecht aanvoeren, in overeenstemming met de overwegingen in punt 29 van deze conclusie voor de verwijzende rechter ten minste prima facie bewijs in de zin van artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104 voor het afbakenen van de relevante markt. Nationale rechterlijke instanties zijn echter niet gebonden aan beslissingen die in een andere lidstaat zijn vastgesteld, in het bijzonder wanneer deze op een onjuiste rechtsopvatting of een kennelijke beoordelingsfout lijken te berusten, hetgeen de verwijzende rechter moet bepalen.
69.
In de onderhavige zaak staat vast dat Booking.com op een tweezijdige markt actief is als aanbieder van onlinetussenhandelsdiensten aan zowel hotels als eindklanten.50. Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of het passend is om één enkele relevante productmarkt af te bakenen die gebruikers aan beide zijden van het platform omvat, dan wel twee afzonderlijke relevante productmarkten, één aan elke zijde van het platform, is in de nieuwe verticale richtsnoeren vermeld dat, voor de toepassing van de marktaandeeldrempels van artikel 3, lid 1, van de nieuwe VBER51., een aanbieder van onlinetussenhandelsdiensten, zoals Booking.com, ten aanzien van die diensten als leverancier wordt aangemerkt en dat een onderneming die via onlinetussenhandelsdiensten goederen of diensten aanbiedt of verkoopt, zoals een hotel, ten aanzien van die onlinetussenhandelsdiensten als een afnemer wordt aangemerkt.52. Het marktaandeel van de onderneming die de onlinetussenhandelsdiensten verricht, wordt derhalve berekend op de relevante markt voor de levering van die diensten aan de in de categorie afnemers ingedeelde ondernemingen.53. In de nieuwe verticale richtsnoeren is verder vermeld dat de omvang van de relevante productmarkt zal afhangen van de mate van substitueerbaarheid tussen online- en offlinetussenhandelsdiensten, tussen tussenhandelsdiensten die worden gebruikt voor verschillende categorieën goederen of diensten en tussen tussenhandelsdiensten en directe verkoopkanalen.54.
70.
Teneinde artikel 3, lid 1, van de oude VBER op de onderhavige zaak toe te passen, zal het marktaandeel moeten worden berekend van Booking.com als aanbieder van onlinetussenhandelsdiensten aan hotels. In die context kan het passend zijn te bekijken of andere soorten tussenhandelsdiensten en andere verkoopkanalen substitueerbaar zijn met tussenhandelsdiensten vanuit het oogpunt van hotels (aan de vraagzijde van die tussenhandelsdiensten) en van eindklanten (aan de andere zijde van dat tweezijdige platform).55. Het kan derhalve passend zijn de substitueerbaarheid van diensten van onlinereisbureaus, directe verkoopkanalen van hotels en zelfs andere onlinediensten zoals die van metazoekmachines in aanmerking te nemen. In dat verband merk ik op dat alle partijen in de procedure bij de verwijzende rechter, met uitzondering van Booking.com, van mening zijn dat onlinetussenhandelsdiensten en bovengenoemde verkoopkanalen in wezen niet substitueerbaar zijn, aangezien zij niet dezelfde zoek- en vergelijkingsfuncties bieden in combinatie met de mogelijkheid om te boeken.56.
71.
Het staat aan de verwijzende rechter om de relevante productmarkt af te bakenen in het licht van de voorgaande overwegingen, waarbij hij het Booking.com-besluit en de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties in aanmerking moet nemen als prima facie bewijs, samen met enig ander relevant bewijsmateriaal. Ik wil daaraan toevoegen dat volgens het arrest van het Bundesgerichtshof inzake het Booking.com-besluit, Booking.com in het kader van die procedure geen bezwaar heeft gemaakt tegen de afbakening van de relevante markt.
72.
De verwijzende rechter kan zich ook laten leiden door precedenten van andere mededingingsautoriteiten, zoals besluit C(2023) 6376 final van de Commissie van 25 september 2023 waarbij een concentratie onverenigbaar wordt verklaard met de interne markt en de werking van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) (zaak M.10615 — Booking Holdings/eTraveli Group), die ter terechtzitting is besproken. Hoewel Booking.com bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van dat besluit heeft ingesteld57., hebben haar vertegenwoordigers in antwoord op de vragen van het Hof geantwoord dat zij, behoudens enkele kanttekeningen, de in dat besluit vastgestelde marktafbakening niet specifiek heeft aangevochten.
73.
Zoals de Commissie terecht aanvoert, bestaat er tot slot geen tegenstrijdigheid tussen het argument dat de directe verkoopkanalen van de hotels een afzonderlijke productmarkt vormen en de stelling dat smalle prijspariteitsclausules de mededinging tussen onlinereisbureaus, zoals Booking.com, en de directe verkoopkanalen van de hotels verstoren. Hoewel bij de afbakening van de relevante productmarkt wordt getracht de meest directe concurrentiedruk vast te stellen waarmee de betrokken ondernemingen worden geconfronteerd, kan bij de mededingingsbeoordeling ook rekening worden gehouden met vormen van minder directe concurrentiedruk, zoals concurrentiedruk buiten de markt.
74.
Ik geef het Hof derhalve in overweging de tweede vraag aldus te beantwoorden dat het voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van de oude VBER noodzakelijk is om de relevante productmarkt voor de activiteiten van een onlinereisbureau dat als tussenpersoon optreedt tussen hotels en eindklanten, af te bakenen door te beoordelen of andere verkoopkanalen vanuit het oogpunt van hotels en eindklanten substitueerbaar zijn, teneinde het marktaandeel van het onlinereisbureau als aanbieder van onlinetussenhandelsdiensten aan hotels te berekenen.
IV. Conclusie
75.
Ik geef het Hof in overweging de vragen van de rechtbank Amsterdam te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 101, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
brede en smalle prijspariteitsclausules die een onlinereisbureau aan hotels tracht op te leggen als onderdeel van haar voorwaarden, geen nevenrestricties vormen, tenzij zij onmisbaar en evenredig zijn om de economische levensvatbaarheid van het onlinereisbureau te waarborgen, hetgeen de verwijzende rechter dient te bepalen onverminderd zijn analyse op grond van artikel 101, lid 3, VWEU.
- 2)
Artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 330/2010 van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen
moet aldus worden uitgelegd dat
het noodzakelijk is om de relevante productmarkt voor de activiteiten van een onlinereisbureau dat als tussenpersoon optreedt tussen hotels en eindklanten, af te bakenen door te beoordelen of andere verkoopkanalen vanuit het oogpunt van hotels en eindklanten substitueerbaar zijn, teneinde het marktaandeel van het onlinereisbureau als aanbieder van onlinetussenhandelsdiensten aan hotels te berekenen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑06‑2024
Oorspronkelijke taal: Engels.
Online hotelreserveringsplatforms worden vaak omschreven als ‘onlinereisbureaus’ (online travel agents of OTA's) en zullen in deze conclusie ook als zodanig worden omschreven.
Volgens het Bundeskartellamt waren er voor hotels weinig stimulansen om kamers tegen lagere prijzen aan te bieden via andere onlinereisbureaus. De smalle prijspariteitsclausules die Booking.com oplegde, werkten op zodanige wijze dat deze kamers via de directe verkoopkanalen van de hotels tegen een hogere prijs moesten worden aangeboden zodat de prijs overeen zou komen met de door Booking.com aangeboden prijs.
PB 2010, L 102, blz. 1. In artikel 2, lid 1, van de oude VBER was bepaald dat overeenkomstig artikel 101, lid 3, VWEU en onverminderd de bepalingen van die verordening, artikel 101, lid 1, VWEU buiten toepassing werd verklaard voor verticale overeenkomsten, voor zover deze overeenkomsten verticale beperkingen bevatten. Die vrijstelling was van toepassing op voorwaarde dat het marktaandeel van een leverancier niet meer bedroeg dan 30 % van de relevante markt waarop hij de contractgoederen of -diensten verkocht en het marktaandeel van de afnemer niet meer bedroeg dan 30 % van de relevante markt waarop hij de contractgoederen of -diensten kocht (artikel 3, lid 1, van de oude VBER). De oude VBER is vervangen door verordening (EU) nr. 2022/720 van de Commissie van 10 mei 2022 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 2022, L 134, blz. 4; hierna: ‘nieuwe VBER’).
PB 1997, C 372, blz. 5.
Vervangen door de nieuwe bekendmaking van de Commissie betreffende de afbakening van de relevante markt ten behoeve van het mededingingsrecht van de Unie (PB C, C/2024/1645; hierna: ‘nieuwe bekendmaking betreffende de afbakening van de relevante markt’).
Ares(2020) 7730543.
Samenvatting van de raadpleging van belanghebbenden, blz. 8. Hoewel de rechtbank Amsterdam verwijst naar het werkdocument van de diensten van de Commissie met de titel ‘Evaluation of the Commission Notice on the definition of relevant market for the purposes of Community competition law’ (Evaluatie van de bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht) van 9 december 1997 [SWD(2021) 199 final van 12 juli 2021; hierna: ‘werkdocument van de diensten van de Commissie’], waarin een soortgelijke vaststelling wordt gedaan (zie blz. 54), is het precieze citaat te vinden in de samenvatting van de raadpleging van belanghebbenden.
Arrest van 8 december 2016, Eurosaneamientos e.a. (C-532/15 en C-538/15, EU:C:2016:932, punten 26 en 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibidem, punt 28.
PB 2014, L 349, blz. 1.
Arrest van 20 april 2023, Repsol Comercial de Productos Petrolíferos (C-25/21, EU:C:2023:298, punt 31).
Ibidem, punten 38 en 43.
Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de zaak Repsol Comercial de Productos Petrolíferos (C-25/21, EU:C:2022:659, punt 107).
Arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy) (C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 132).
De Oostenrijkse regering voegt hieraan toe dat ondanks het feit dat het gebruik van prijspariteitsclausules op haar grondgebied sinds 2017 verboden is omdat dit een oneerlijke praktijk is, het marktaandeel van onlinereisbureaus in Oostenrijk is blijven groeien.
Booking.com legde daartoe geen exclusiviteitsverplichtingen op aan de hotels, wat nog een restrictievere maatregel zou zijn geweest.
Arresten van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie (C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 89); 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a. (C-179/16, EU:C:2018:25, punt 69), en 26 oktober 2023, EDP — Energias de Portugal e.a. (C-331/21, EU:C:2023:812, punt 88).
Arresten van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie (C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 91); 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a. (C-179/16, EU:C:2018:25, punt 71), en 26 oktober 2023, EDP — Energias de Portugal e.a. (C-331/21, EU:C:2023:812, punt 90).
Arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie (C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 93).
Zie in die zin arresten van 18 september 2001, M6 e.a./Commissie (T-112/99, EU:T:2001:215, punten 107 en 109), en 24 mei 2012, MasterCard e.a./Commissie (T-111/08, EU:T:2012:260, punt 89).
Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Mazák in de zaak Pierre Fabre Dermo-Cosmétique (C-439/09, EU:C:2011:113, punten 39 en 40) en de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:1958, punt 123).
De punten 372 tot en met 375 van de nieuwe richtsnoeren van de Commissie inzake verticale beperkingen (PB 2022, C 248, blz. 1; hierna: ‘nieuwe verticale richtsnoeren’) bieden een leidraad voor de beoordeling van prijspariteitsverplichtingen op grond van artikel 101, lid 3, VWEU, teneinde het probleem van meeliftgedrag aan te pakken.
Artikel 4, onder a), van de nieuwe VBER is in identieke bewoordingen gesteld.
Zie punt 48 van de oude verticale richtsnoeren van de Commissie inzake verticale beperkingen (PB 2010, C 310, blz. 1) en punt 185 van de nieuwe verticale richtsnoeren. Een voorbeeld van verticale prijsbinding is wanneer een leverancier de prijs bepaalt waartegen een distributeur de producten die hij levert, moet doorverkopen.
Zie in dit verband punt 67, onder c), en punt 194 van de nieuwe verticale richtsnoeren.
Een smalle prijspariteitsclausule belet hotel X niet om de prijs van kamer Y via Booking.com te verlagen. Een dergelijke clausule vereist alleen dat indien hotel X de prijs van kamer Y via zijn directe verkoopkanaal (bijvoorbeeld op zijn website) verlaagt, het de prijs van die kamer ook op Booking.com moet verlagen. Een brede prijspariteitsclausule belet hotel X evenmin om de prijs van kamer Y via Booking.com te verlagen. Zij houdt in dat indien hotel X de prijs van kamer Y op het platform van een ander onlinereisbureau verlaagt, het de prijs van die kamer ook op Booking.com moet verlagen.
Om alle twijfel weg te nemen: de definitie van hardcore beperkingen in artikel 4, onder a), van de oude VBER is identiek aan die in artikel 4, onder a), van de nieuwe VBER.
Krachtens artikel 5, lid 1, van de nieuwe VBER is die groepsvrijstellingsverordening niet van toepassing op elke directe of indirecte verplichting waardoor een afnemer van onlinetussenhandelsdiensten via concurrerende onlinetussenhandelsdiensten aan eindgebruikers geen goederen of diensten tegen gunstigere voorwaarden aanbiedt, verkoopt of doorverkoopt.
Punt 67, onder d), en punt 253 van de nieuwe verticale richtsnoeren bevestigen deze stelling uitdrukkelijk.
Zie in dit verband de punten 360 en 374 van de nieuwe verticale richtsnoeren.
Zie punt 254, onder a), en punt 359 van de verticale richtsnoeren.
De Commissie merkt voorts op dat de Franse, de Italiaanse en de Zweedse mededingingsautoriteiten de relevante productmarkt op soortgelijke wijze hebben afgebakend.
Artikel 1, lid 1, onder a), van de nieuwe VBER heeft identieke bewoordingen.
Artikel 2, lid 4, onder b), van de oude VBER.
Zie in die zin punt 28 van de oude verticale richtsnoeren.
Het staat aan de verwijzende rechter om deze beoordeling te maken in het licht van de in de punten 64 tot en met 74 van deze conclusie uiteengezette overwegingen.
De uitzondering op de uitzondering betekent dat de nieuwe VBER in die situaties niet van toepassing is.
Zie in dit verband de toelichting van de Commissie bij de nieuwe VBER en de nieuwe verticale richtsnoeren, die te vinden is op haar website: https://competition-policy.ec.europa.eu/system/files/2022–05/explanatory_note_VBER_and_Guidelines_2022.pdf. Zie ook punt 67, onder e), van de nieuwe verticale richtsnoeren.
Zie punt 6 van de nieuwe bekendmaking betreffende de afbakening van de relevante markt.
Arresten van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a. (C-179/16, EU:C:2018:25, punten 50 en 51), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 129).
Zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 130).
Zie in dit verband punt 94 van de nieuwe bekendmaking betreffende de afbakening van de relevante markt.
Het fenomeen van indirecte netwerkeffecten vloeit voort uit het feit dat hoe meer verkopers hun producten aanbieden via de onlinemarktplaats, hoe meer kopers geïnteresseerd zullen zijn in die onlinemarktplaats, en omgekeerd.
Zie punt 95 van de nieuwe bekendmaking betreffende de afbakening van de relevante markt.
Ibidem. Ik stel vast dat de nieuwe bekendmaking betreffende de afbakening van de relevante markt niet de theorie onderschrijft die door sommige rechtsgeleerden wordt verdedigd, namelijk dat in beginsel één relevante markt moet worden afgebakend voor transactieplatforms (zoals een onlinemarktplaats) en afzonderlijke relevante markten moeten worden afgebakend voor elke zijde van het platform in het geval van matchingplatforms (zoals een sociaal netwerk). Volgens de nieuwe bekendmaking betreffende de afbakening van de relevante markt is dat maar één van vele factoren waarmee rekening moet worden gehouden. De reden hiervoor lijkt te zijn dat in de rechtsleer en in de praktijk van mededingingsautoriteiten een consensus wordt nagestreefd. Zie in dat verband het werkdocument van de diensten van de Commissie, blz. 54. Zie voor nadere informatie over de theorie Filistrucchi, L., Geradin, D., van Damme, E., Affeldt, P., ‘Market Definition in Two-sided Markets: Theory and Practice’, Journal of Competition Law & Economics, 2014, deel 10(2), blz. 293–339.
Vanuit het oogpunt van eindklanten bestaan deze tussenhandelsdiensten in de mogelijkheid om hotelaanbiedingen te zoeken en te vergelijken en uiteindelijk te boeken.
Artikel 3, lid 1, van de nieuwe VBER, is identiek aan artikel 3, lid 1, van de oude VBER.
Punt 67 van de nieuwe verticale richtsnoeren.
Punt 67, onder b), van de nieuwe verticale richtsnoeren.
Ibidem.
Zoals hierboven uiteengezet, geldt dat zelfs wanneer afzonderlijke relevante productmarkten worden afgebakend aan elke zijde van de markt, beide zijden niettemin onderling verbonden zijn en hun kenmerken wederzijds in aanmerking moeten worden genomen om de relevante markt af te bakenen. Zie Filistrucchi, L., Geradin, D., van Damme, E., Affeldt, P., ‘Market Definition in Two-sided Markets: Theory and Practice’, Journal of Competition Law & Economics, 2014, deel 10(2), blz. 293–339.
Het lijkt duidelijk dat offlinereisbureaudiensten die door fysieke marktdeelnemers worden aangeboden zeer verschillende kenmerken en functionaliteiten hebben. De directe verkoopkanalen van hotels bieden klanten niet de mogelijkheid om aanbiedingen van verschillende aanbieders te doorzoeken en te vergelijken. Metazoekmachines lijken eveneens andere kenmerken en functionaliteiten te hebben, aangezien zij aanbiedingen van onlinereisbureaus en aanbieders van hoteldiensten vinden en de klant, wanneer die op de resultaten klikt, doorverwijzen naar de website van het desbetreffende onlinereisbureau of hotel om daar te boeken.
Zaak T-1139/23, Booking Holdings/Commissie, nog aanhangig.