Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.9.3
5.9.3 Kanttekeningen bij uitkomsten onderzoeken AFM
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS304105:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014 p. 4.
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014 p. 14.
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014 p. 14
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014 p. 6.
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014 p. 6.
Majoor & Van Brenk (2014), p. 22-24.
Werkgroep toekomst accountantsberoep (2014), p. 67.
Majoor & Van Brenk (2014), p. 22-24.
M. van der Zijde, Wat is eigenlijk auditkwaliteit?, presentatie Symposium Statistical Auditing, Limperg Instituut, 20 mei 2015.
Werkgroep toekomst accountantsberoep (2014), p. 10 en 67 e.v.
Werkgroep toekomst accountantsberoep (2014), p. 10 en 69.
Werkgroep toekomst accountantsberoep (2014), p. 68.
Monitoring Commissie Accountancy (2016), p. 22.
Green Paper ‘De definitie van Audit Kwaliteit’, Stuurgroep Publiek Belang, juni 2017. De stuurgroep Publiek Belang is een gezamenlijk initiatief van OOB-accountantsorganisaties, de werk- groep niet- OOB, SRA en NBA. Zij heeft als opdracht een Veranderagenda Audit op te stellen en uit te doen voeren, vanuit een helder geformuleerde, collectieve kwaliteitsambitie.
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014, p. 6.
AFM, Wetgevingsbrief 2014, 10 juli 2014.
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014 p. 6.
FD 12 november 2014, M. van Dijken Eeuwijk, ‘Debat accountants raakt ook AFM in de kern’.
Hijink (2014), p. 709 e.v.
AFM, Uitkomsten onderzoek kwaliteit wettelijke controles Big 4 accountantsorganisaties, 25 september 2014, p. 64.
AFM, Besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan KPMG Accountants N.V., 16 maart 2016, p. 14.
Hijink (2014), p. 709 e.v.
RB Rotterdam 20 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9977(EY/AFM) r.o. 3.9 en RB Rotterdam 20 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9978 (PwC/AFM) r.o. 3.9. Annotatie: Eijkelenboom (2018).
RB Rotterdam 20 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9977(EY/AFM) r.o. 3.9 en RB Rotterdam 20 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9978 (PwC/AFM) r.o. 3.10. Annotatie: Eijkelenboom (2018).
RB Rotterdam 20 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9977(EY/AFM) r.o. 3.9 en RB Rotterdam 20 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9978 (PwC/AFM) r.o. 3.11. Annotatie: Eijkelenboom (2018).
FD 20 december 2017 ‘Rechter kraakt toezicht van AFM op accountants’
FD 20 december 2017 ‘Rechter kraakt toezicht van AFM op accountants’ en https://www.afm.nl/nl-nl/professionals/nieuws/2017/dec/uitspraak-ey-pwc-zorgplicht.
Persbericht d.d. 31 januari 2018. www.afm.nl/nl-nl/nieuws/2018/jan/hoger-beroep-zorgplicht-accountants.
De volgende kanttekeningen kunnen worden gemaakt bij de uitkomsten van de onderzoeken van de AFM:
1) Gehanteerde definitie kwaliteit
Het toezicht van de AFM op accountantsorganisaties is erop gericht de kwaliteit van wettelijke controles te verhogen en duurzaam te waarborgen.1 De AFM verstaat onder kwaliteit: ‘dat de controle-informatie relevant en betrouwbaar is, zodat die informatie ook echt een onderbouwing vormt voor het oordeel van de accountant’.2
‘Controle-informatie is bijvoorbeeld informatie uit de financi ë le administratie waarop de jaarrekening is gebaseerd, of andere informatie van de controlecli ë nt of van derden. Voldoende en geschikte controle-informatie is noodzakelijk om het oordeel van de accountant te onderbouwen. De kwalificatie ‘voldoende’ ziet op de hoeveelheid controle-informatie. De kwalificatie‘geschikt’ ziet op de kwaliteit van de controle-informatie’.3
Bij haar onderzoeken beoordeelt de AFM dus of de accountant voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen om zijn oordeel te onderbouwen en daarmee de vakbekwaamheidsregels heeft nageleefd.4 De AFM richt zich daarbij op materiële onderdelen van de controle. De AFM stelt: ‘Als de externe accountant voor een dergelijk materieel onderdeel geen voldoende en geen geschikte controle-informatie heeft verkregen, dan heeft hij ook geen voldoende en geen geschikte controle-informatie verkregen om zijn oordeel over de jaarrekening als geheel te onderbouwen. In dat geval kwalificeert de AFM de uitvoering van de wettelijke controle als ‘onvoldoende’’.5
De vraag of er voldoende en geschikte controle informatie is verkregen, dient door de accountant beantwoord te worden aan de hand van NV COS, waaronder NV COS 500 Controle-informatie.
Een kanttekening bij bovenstaande aanpak van de AFM is dat de AFM ten onrechte de indruk wekt dat controlekwaliteit een eenduidig begrip is. Dit is namelijk niet het geval. Majoor en Van Brenk onderbouwen dit in het artikel ‘Accountants en controlekwaliteit; contradictio in terminis?’.6 In dit artikel merken zij terecht op dat iedere stakeholder het begrip kwaliteit ‘vanuit zijn eigen gezichtspunt’ beoordeelt en zich zo ‘een eigen definitie’ vormt. Daardoor wordt vaak gefocust op slechts een deelaspect van het begrip controlekwaliteit. Dit wordt onderschreven door de werkgroep Toekomst Accountantsberoep.7 De werkgroep merkt bijvoorbeeld op dat politici, auditcommittees, aandeelhouders en wetenschappers ieder een ander beeld hebben bij kwaliteit. Het door een stakeholder gevormde beeld beïnvloedt het oordeel dat wordt gegeven over het functioneren van accountants. Volgens de werkgroep Toekomst Accountantsberoep wordt het oordeel van de AFM over de kwaliteit van de controledossiers door een deel van de maatschappij gezien als de maatstaf van kwaliteit. De AFM richt zich echter vooral op de techniek van de controle, zoals vastgelegd in de vele verslaggevings- en controlevoorschriften.8 De AFM streeft daarbij vooral naar procesverbetering.9
Van der Zijde10 heeft tijdens een symposium ook de vraag gesteld wat eigenlijk audit kwaliteit is? Zij formuleerde drie mogelijke antwoorden en gaf ruimte voor een vierde door middel van een ?. De drie mogelijke antwoorden zijn: 1) voldoen aan de minimum eisen van de COS, met ruimte voor professionele oordeelsvorming? 2) het aantoonbaar en uitlegbaar bereiken van een hoge mate van zekerheid? 3) het aantoonbaar en uitlegbaar bereiken van een bepaalde mate van zekerheid (overeengekomen werkzaamheden)? De door Van der Zijde gestelde vraag laat wederom zien dat er geen eenduidige en meetbare definitie is van het begrip kwaliteit.
Majoor en Van Brenk pleiten voor een eenduidige en meetbare definitie van het begrip kwaliteit die recht doet aan alle partijen. Zij wijzen hierbij op de volgende aandachtspunten:
omgevingsfactoren moeten niet uit het oog verloren worden,
elke stakeholder heeft zijn eigen agenda bij het streven naar een verbetering van kwaliteit,
een professioneel-kritische instelling (professioneel scepticisme) is van groot belang, maar kan worden belemmerd door de veelheid aan regels.
Ad (i) Om een controle zodanig uit te voeren dat er voldoende rekening wordt gehouden met de specifieke eigenschappen van de klant, is een goede combinatie van kennis en ervaring van de accountant met de juiste omgevingsfactoren (zoals incentives, motivatie, professioneel scepticisme, beloning en auditvergoeding) vereist aldus Majoor en Van Brenk.
Ad (ii) De agenda van de accountantsorganisaties en de AFM betreft vooral procesverbetering.
De politieke agenda betreft vooral het wegnemen van negatieve prikkels die de controle beïnvloeden, zoals beloning en auditvergoeding. De agenda van de gebruikers betreft tot slot vooral de uitkomsten van de controle.
Ad (iii) De complexiteit van de huidige controlestandaarden en de zeer nauwkeurige werkwijze van de AFM bij dossierinspecties kunnen een belemmering zijn voor innovatie en de persoonlijke inbreng van de accountant in de controle.
De neiging zal bestaan om krampachtig de naleving van de standaarden via onder andere checklisten te borgen, aldus Majoor en Van Brenk.
Het standpunt van Majoor en Brenk is in lijn met de visie van de werkgroep Toekomst Accountantsberoep.11 Zij acht het van belang dat de beroepsgroep en de AFM op een constructieve wijze in gesprek gaan om tot overeenstemming te komen over de definitie van kwaliteit. De werkgroep stelt als oplossing voor dat sprake moet zijn van ‘duidelijke en verplichte rapportage van doelstellingen en resultaten, op basis van sectorbreed gedefinieerde kwaliteitsindicatoren’. Dergelijke rapportage draagt bij aan het begrip van stakeholders ten aanzien van de mate waarin een accountantsorganisatie investeert in kwaliteit en de resultaten hiervan.
Zodoende kan er een vergelijking worden gemaakt, wat de concurrentie op kwaliteit zal stimuleren.
Qua kwaliteitsindicatoren denkt de werkgroep aan: ‘inputparameters zoals bedragen en uren die zijn geïnvesteerd in interne en externe opleidingen (inclusief inzet van medewerkers in het accountancy onderwijs), vaktechniek en interne kwaliteitsreviews, de verhouding tussen de uren van partner(s), manager(s) en assistent(en) op opdrachten, de aandacht voor coaching, het aantal controle-uren per fase van de controle voor het einde van het boekjaar en na het einde van het boekjaar, het percentage uren besteed door experts en dergelijke. Daarnaast kan worden gekeken naar rapportage over de uitkomsten van het controleproces en het kwaliteitsborgingsysteem, zoals interne en externe reviewbevindingen (en genomen maatregelen), ontvangen claims en klachten en de uitkomsten daarvan’ .12
De IAASB noemt als zaken die bij een kwalitatief goede controle aanwezig dienen te zijn bijvoorbeeld:13
Uitgaan van de juiste (ethische) waarden en gedragingen.
Voldoende kennis, kunde en ervaring.
Voldoende tijd en middelen om een goede controle te doen.
Een robuust auditproces, onderhevig aan voldoende kwaliteitscontrole.
Overeenstemming met wet- en regelgeving, inclusief controlestandaarden en onafhankelijkheidsregels.
Relevante rapportage en interactie met stakeholders.
De Commissie Monitoring Accountancy merkt op dat ‘voor velen onduidelijk is wat precies onder het kwaliteitsbegrip dient te worden verstaan’. De Commissie acht het wenselijk om naast de door de werkgroep voorgestelde kwantitatieve invulling van het kwaliteitsbegrip, meer nadruk te leggen op de inhoudelijk invulling van het kwaliteitsbegrip om zo de onduidelijkheid over de invulling daarvan weg te nemen.14 Een eerste aanzet daartoe is gedaan in de Green Paper Audit Kwaliteit.15
2) Onvoldoende kwaliteit zegt niet per definitie iets over controleverklaring
Zoals de AFM zelf ook al signaleert in haar rapportage, betekent een ‘onvoldoende’ uitgevoerde wettelijke controle niet ‘dat ook per definitie de gecontroleerde jaarrekening onjuist is’. De AFM doet echter geen onderzoek naar de juistheid van de gecontroleerde jaarrekeningen. De Big 4 accountantsorganisaties zijn naar aanleiding van het onderzoek van de AFM in 2013/2014 nagegaan welke consequenties de kwalificatie van de wettelijke controle als ‘onvoldoende’ door de AFM heeft voor de controleverklaringen die zijn afgegeven en hebben geconcludeerd dat de eerder afgegeven controleverklaringen geen aanpassingen behoeven.16
Hierbij speelt een rol dat de aandacht van het maatschappelijke verkeer voor de accountantscontrole toeneemt, zoals de AFM zelf ook signaleert.17 Zoals in het voorgaande reeds uitvoerig besproken is er met betrekking tot de wettelijke controle een ‘verwachtingskloof’ (zie paragraaf 4.4.3.8). Mijns inziens bestaat het gevaar dat deze verwachtingskloof wordt vergroot door de wijze van communicatie door de AFM. Door naar buiten te brengen dat de kwaliteit onvoldoende is, wordt de indruk gewekt dat de controleverklaring ten onrechte is afgegeven. Volgens de Big 4-accountantsorganisaties is hier geen sprake van, maar door de toonzetting van de AFM wordt die indruk mijns inziens wel gewekt. In dit verband is het onderscheid tussen een procedureel en inhoudelijk ten onrechte afgegeven verklaring relevant (zie paragraaf 4.4.3.5).
3) Er is geen sprake van een steekproef
‘Men concludeert te veel uit het rapport’, aldus Arnout van Kempen (adviseur en lid van de stuurgroep die toezicht heeft gehouden op de verbeterplannen van de sector). De AFM concludeert dat een percentage van de onderzochte dossiers niet in orde is,18 maar Van Kempen merkt hierbij op dat geen sprake is van een steekproef. Volgens Van Kempen gaat de AFM gericht op zoek naar risicovolle dossiers. ‘Je mag het resultaat dus niet extrapoleren naar alle dossiers’.19 Hijink20 bevestigt het door Van Kempen geschetste beeld. Hij wijst op de nuancering in het rapport,21 inhoudende dat de AFM 40 wettelijke controles heeft geselecteerd, waarbij onder andere is gekeken naar een gemiddeld of hoger risicoprofiel en waarbij interne kwaliteitsonderzoeken een rol hebben gespeeld. De AFM erkent zelf ook dat geen sprake is van een steekproef. In het boetebesluit van KPMG22 stelt de AFM omtrent de keuze van dossiers: ‘Gelet op deze niet aselecte keuze en het aantal van tien beoordeelde wettelijke controles is geen sprake van een statistische steekproef op grond waarvan de uitkomsten van de beoordeling van de tien controles mathematisch representatief zijn (...)’.
Hijink wijst er ook nog op dat de AFM haar oordeel baseert op 40 onderzochte wettelijke controles, terwijl er in de onderzoeksperiode circa 10.000 door de Big 4 zijn verricht.23 Hij merkt vervolgens op dat het er niet om gaat de uitkomsten van het onderzoek te bagatalliseren, maar er zou sprake zijn van een ander beeld indien er door de AFM was gerapporteerd dat ‘de AFM op basis van inschatting van risico’s heeft geconstateerd dat bij ten minste 0,18% van de door de Big 4 uitgevoerde wettelijke controles niet voldoende of geschikte controle informatie verkregen was’.
4) De wettelijke controles worden niet integraal beoordeeld
De AFM richt zich op enkele materiële onderdelen van de controle, de zogenoemde focusgebieden. Dit past ‘bij de risicogestuurde aanpak van het toezicht door de AFM’. De AFM meent dat zij hierdoor een goed en breed beeld krijgt van de kwaliteit van wettelijke controles. Mede in het licht van de kritiek van Van Kempen kan men zich afvragen of inderdaad een goed beeld ontstaat, bij het selecteren van de focusgebieden zal, vermoed ik, tevens sprake zijn van risicovolle gebieden.
5) Schending zorgplicht van artikel 14 Wta?
Allereerst merk ik op dat de AFM de zorgplicht op een andere wijze invult dan ik doe. De AFM bestempelt artikel 14 Wta als ‘zorgplicht’: ‘De accountantsorganisatie draagt er zorg voor dat de externe accountants die bij haar werkzaam zijn of aan haar zijn verbonden voldoen aan het bij of krachtens afdeling 3.2 bepaalde’. Het in afdeling 3.2 opgenomen artikel 25 Wta bepaalt dat de externe accountant moet voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ter zake van zijn vakbekwaamheid, objectiviteit en integriteit.
De AFM en PwC respectievelijk EY verschillen van mening over de uitleg van de zorgplicht van artikel 14 en in het verlengde hiervan over de vraag of PwC respectievelijk EY haar zorgplicht heeft geschonden. De AFM stelt zich op het standpunt dat de in artikel 14 Wta neergelegde zorgplicht is geschonden, omdat in een aantal van de onderzochte controledossiers (bij PwC 4 van de 10 onderzochte dossiers en bij EY 3 van de 10 onderzochte dossiers) geen sprake is van voldoende en geschikte controle-informatie ten aanzien van één of meer materiële posten op de betreffende jaarrekeningen. De AFM heeft vervolgens vanwege de veronderstelde schending van artikel 14 Wta bestuurlijke boetes opgelegd aan PwC en EY ter hoogte van € 845.000,- respectievelijk € 2.230.000,-. PwC en EY hebben tegen dit besluit beroep aangetekend bij de rechtbank. De rechtbank overweegt dat bij een onderzoek naar de vraag of een accountantsorganisatie aan haar zorgplicht voldoet, in beginsel niet kan worden volstaan met een beoordeling of haar accountants bij de wettelijke controles hebben voldaan aan het bij of krachtens afdeling 3.2 van de Wta bepaalde. Er zal onderzoek moeten worden gedaan naar het kwaliteitsbeleid en naar het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantsorganisatie.24 In bijzondere gevallen kan reeds op grond van tekortkomingen in de controlewerkzaamheden van de accountants de conclusie gerechtvaardigd zijn dat de accountantsorganisatie niet aan haar zorgplicht voldoet. De rechtbank oordeelt echter dat de AFM niet buiten redelijke twijfel heeft aangetoond dat bij PwC dan wel EY sprake is van een dergelijk bijzonder geval. PwC en EY hebben de zorgplicht van artikel 14 Wta dus niet geschonden. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd.
‘Onderzoek naar de controlewerkzaamheden van de externe accountants is niet vereist om te kunnen beoordelen of de accountantsorganisatie haar zorgplicht naleeft. Tekortkomingen in de controlewerkzaamheden van de externe accountants kunnen duiden op een gebrekkige naleving van de zorgplicht door de accountantsorganisatie. Dergelijke tekortkomingen zijn, gelet op 3.9, als zodanig in beginsel echter niet voldoende voor de conclusie dat de accountantsorganisatie nalatig is ten aanzien van haar zorgplicht’.25 ‘Onverminderd het voorgaande valt niet op voorhand uit te sluiten dat in bijzondere gevallen reeds op grond van tekortkomingen in de controlewerkzaamheden van de externe accountants de conclusie gerechtvaardigd is dat de accountantsorganisatie niet aan haar zorgplicht voldoet. Nu sprake is van afzonderlijke, van elkaar te onderscheiden wettelijke verplichtingen voor enerzijds de accountantsorganisatie en anderzijds haar externe accountants, waarbij bovendien de professionele oordeelsvorming van de externe accountant een rol speelt, dienen de tekortkomingen in de controlewerkzaamheden van de externe accountants in dat geval geen andere conclusie toe te laten dan dat de accountantsorganisatie tekortschiet in de naleving van haar zorgplicht’.26
Het oordeel van de rechtbank is een tik op de vingers van de AFM en legt een bom onder de manier waarop de AFM al jarenlang toezicht houdt op de accountantssector.
De vraag is of de AFM consequenties aan de uitspraak verbindt, en zo ja, welke. In een eerste reactie stelt AFM directeur Gerben Evers dat de AFM zijn aanpak niet fundamenteel zal veranderen. ‘De rechter heeft een radicale draai gemaakt, maar wij blijven de individuele controledossiers onderzoeken. Het is tegenover beleggers, voor wie de jaarrekening een belangrijke informatiebron is, niet uit te leggen als een toezichthouder zegt: “Naar het eindproduct wat jullie hebben bereikt, kijken wij niet”.27 Everts erkent wel dat de AFM misschien ‘andere accenten’ moet leggen. De AFM stelt dat de toezichthouder in zijn laatste rapport van juni 2017 in feite ook al andere accenten heeft gelegd. Behalve een onderzoek naar de controledossiers bij de Big Four, keek de AFM ook welke maatregelen de acht grootste accountantskantoren hebben doorgevoerd om cultuur en gedrag binnen de organisaties te veranderen.28 De AFM heeft te kennen gegeven in hoger beroep te gaan.29 Kortom, wordt vervolgd.