Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.7.1
V.7.1 Uitgangspunt: collectieve besluitvorming
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242759:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Idem De Kluiver 2009, p. 255.
Zie onder meer Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA).
Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 (MvT).
HR 15 juli 1968, NJ 1969, 101 m.nt. Scholten (Wijsmuller). De grondslag voor deze regel kan worden gevonden in art. 2:8 lid 1 BW. Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/216.
Evenzo Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/446. Zie in dezelfde zin ook Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA). Op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen. Ik kom daar in het hiernavolgende op terug.
Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/216; en Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 17.2, p. 299. De vraag of de besluitvorming in een one tier board op verschillende momenten kan plaatsvinden, beantwoord ik in § VI.4.5.3.
Aldus ook Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/194; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/203 en 213; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 17.2, p. 299; en Handboek 2013/234, p. 493.
Boschma e.a. 2018, p. 74.
In de literatuur bestaat discussie over het antwoord op de vraag of een regeling omtrent meervoudig stemrecht eveneens in een reglement kan worden opgenomen. Deze discussie valt buiten het bereik van mijn onderzoek. Voor een overzicht van de verschillende standpunten die in de literatuur worden ingenomen, verwijs ik naar Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/214.
Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/214; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.2, p. 925; en Dumoulin 1999, p. 272.
Zie code provision 13 van de UK CGC 2018.
Davies 2013, p. 734-735.
Idem onder anderen Boschma e.a. 2018, p. 75; en Kersten 2018, p. 30. Zie ook Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA).
Zie ook de interviews die in het kader van de evaluatie van de Wet bestuur en toezicht zijn afgenomen. Zie Boschma e.a. 2018, p. 75.
Ook kunnen de executive sessions plaatsvinden na de vergadering van het bestuur, bijvoorbeeld teneinde de vergadering te evalueren en de discussie af te ronden. Zie met betrekking tot de raad van commissarissen Schuit & Jaspers, Ondernemingsrecht 2017/71.
In beginsel, want de besluiten van de niet-uitvoerende bestuurders hebben wél als bestuursbesluit te gelden indien op grond van art. 2:129a/239a lid 3 BW bij of krachtens de statuten is bepaald dat de niet-uitvoerende bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot hun taak behoren. Ik kom hier in § V.7.2 op terug.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA).
De Jongh 2011, p. 17.
Zie art. 51 lid 6 LVBA.
Van Veen & Bellingwout 2008, p. 120-121.
Zie bijvoorbeeld art. 2:18 lid 4 sub c BWC/BW-SM/BW-BES: “Tot de taak van het algemeen bestuur behoort in elk geval het beslissen over aangelegenheden die de dagelijkse gang van zaken te boven gaan.” Ook de tekst van art. 2:18 lid 9 BWC/BW-SM/BW-BES wijst erop dat het bestuur niet als collectief besluit: “Het uitvoerend bestuur oefent zijn bevoegdheden als zodanig uit met inachtneming van de besluiten van het algemeen bestuur.” Desalniettemin gaat Frielink ervan uit dat de niet-uitvoerende bestuurders in veel gevallen zullen meestemmen waar het bestuursbesluiten betreft. Zie Frielink 2017, p. 102.
Onder anderen Davies 2013, p. 734; en Reed, Company Lawyer 2006, 27(6), p. 170. Zie voorts Model Articles for Public Companies/Private Companies s. 7. Ook de UK Corporate Governance Code 2018 gaat uit van collectieve besluitvorming, zo leid ik af uit Principle G van de UK CGC 2018.
Aldus ook Davies 2013, p. 737. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering. Ingevolge code provision 33 van de UK CGC 2018 heeft de remuneration committee een delegated responsibility voor de vaststelling van de bezoldiging van de executives en de chairman. Volgens Davies 2013, p. 737, houdt dit in dat de remuneratiecommissie zelfstandig kan besluiten.
Timmerman, Ondernemingsrecht 2009/2. Zijn opvatting is onderschreven door De Kluiver 2009, p. 260-262.
Het beginsel van collegiaal bestuur brengt mee dat bestuursbesluiten door het bestuur als collectief worden genomen.1 In een one tier board is dat niet anders. Ondanks dat de taken in een monistisch bestuur worden verdeeld, is het uitgangspunt dat bestuursbesluiten door de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders tezamen worden genomen.2 Dit betekent dat de niet-uitvoerende bestuurders niet alleen deelnemen aan de besluitvorming over de algemene gang van zaken, maar ook over onderwerpen die de dagelijkse gang van zaken betreffen.3
De vraag rijst op welke wijze de gezamenlijke besluitvorming in een one tier board behoort te geschieden. In het Wijsmuller-arrest oordeelde de Hoge Raad dat een besluit van een meerhoofdig orgaan tot stand moet komen “als vrucht van onderling overleg van alle leden van dat orgaan die, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, aan dat overleg wensen deel te nemen”.4 Ik leid hieruit af dat in beginsel geen enkele uitvoerende of niet-uitvoerende bestuurder van deelname aan de besluitvorming mag worden uitgesloten.5 Dit wil overigens niet zeggen dat besluiten enkel in een voltallige vergadering kunnen worden genomen. Dat is slechts het geval indien een zodanig quorum is voorgeschreven.6
Dat een bestuursbesluit volgens de Hoge Raad tot stand moet komen als ‘vrucht van onderling overleg’, betekent niet dat besluiten steeds met algemene stemmen moeten worden genomen. Volgens de heersende leer volstaat een gewone meerderheid, tenzij de statuten of het bestuursreglement een grotere meerderheid voorschrijven.7 Uit de interviews die in het kader van de evaluatie van de Wet bestuur en toezicht zijn afgenomen, blijkt dat in de praktijk niettemin steeds consensus wordt nagestreefd.8
Het beginsel van collegiaal bestuur brengt tot slot mee dat iedere bestuurder één stem heeft. Van dit uitgangspunt kan op grond van art. 2:129/239 lid 2 BW in de statuten worden afgeweken, maar niet zodanig dat een van de bestuurders meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen.9 Dat zou immers haaks op het beginsel van collegiaal bestuur staan.10
De Wijsmuller-doctrine verhindert niet dat de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders apart vergaderen. Volgens de UK Corporate Governance Code 2018 behoren de non-executives zelfs zonder de executives bijeen te komen.11 Deze zogenoemde executive sessions vinden doorgaans plaats vóór de vergadering van de board.12 Ook in Nederland vergaderen de niet-uitvoerende bestuurders zo nu en dan zonder de uitvoerende bestuurders.13 Tijdens deze sessies wordt bijvoorbeeld het functioneren van de uitvoerende bestuurders besproken.14 Denkbaar is voorts dat de vergaderingen dienen ter voorbereiding op de vergaderingen van het bestuur.15 De minister benadrukte dat de besluiten die tijdens deze vergaderingen worden genomen, in beginsel niet als bestuursbesluit kwalificeren.16 Daarvoor is vereist dat het besluit door het bestuur als collectief wordt genomen.17
De wortels van het uitgangspunt van collectieve besluitvorming gaan terug tot 1623. Toen al werden bestuursbesluiten bij de VOC door de Heren XVII als gezamenlijk college genomen.18 Het uitgangspunt van collectieve besluitvorming is evenwel geen gemeengoed. Op Aruba bijvoorbeeld, behoeven bestuursbesluiten niet in een voltallige bestuursvergadering te worden genomen.19 Daartoe bestaat volgens Van Veen en Bellingwout ook geen noodzaak, aangezien de niet-uitvoerende bestuurders niet met het bestuur belast zijn.20 Op Curaçao, St. Maarten en de BES-eilanden lijkt het uitgangspunt van collectieve besluitvorming evenmin vaste voet aan de grond te hebben.21 In Engeland besluiten de executives en non-executives wél tezamen.22 Voorstelbaar is dat de executives of een commissie de besluitvorming voorbereiden, maar uiteindelijk is het steeds de full board die het besluit neemt.23 Net als in Nederland dus. Volgens Timmerman is het uitgangspunt van collectieve besluitvorming de laatste jaren echter aan erosie onderhevig.24 Timmerman ziet dat goed. Ik licht dit aan de hand van enkele uitzonderingen op het uitgangspunt van collectieve besluitvorming toe.