RvS, 11-06-2010, nr. 200910239/1/H3.
ECLI:NL:RVS:2010:BO9728
- Instantie
Raad van State
- Datum
11-06-2010
- Magistraten
Mr. C.H.M. van Altena
- Zaaknummer
200910239/1/H3.
- LJN
BO9728
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2010:BO9728, Uitspraak, Raad van State, 11‑06‑2010
Uitspraak 11‑06‑2010
Mr. C.H.M. van Altena
Partij(en)
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2009 in zaak nr. 09/2037 in het geding tussen:
[appellant]
en
de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2007 heeft de korpsbeheerder aan [appellant] informatie verstrekt.
Bij uitspraak van 27 november 2008, verzonden op 28 november 2008, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het met een besluit gelijk te stellen door de korpsbeheerder niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de korpsbeheerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar neemt.
Bij besluit van 6 juli 2009 heeft de korpsbeheerder het door [appellant] tegen het besluit van 27 november 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding op dat punt toegewezen.
Bij uitspraak van 23 december 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar ingestelde beroep en het beroep tegen het besluit van 6 juli 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 7 januari 2010, 16 maart 2010 en 22 maart 2010.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Partijen hebben toestemming verleend om op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, het onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
2. Overwegingen
2.1.
In zijn verzoek van 19 september 2007 heeft [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur verzocht om toezending van documenten die betrekking hebben op een bepaalde, in het verzoek gespecificeerde, overtreding. Bij besluit van 27 november 2007 heeft de korpsbeheerder aan [appellant] het ijkrapport van de betreffende controle, het uitlijnrapport van de flitspaal, foto's van de overtreding en een kopie van de akte van beëdiging en aanstelling van de bij de overtreding betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar verstrekt. In het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat de korpsbeheerder ten onrechte de gevraagde akte van aanstelling en het certificaat van bekwaamheid geweigerd heeft te verstrekken. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft de korpsbeheerder alsnog beslist op het bezwaar. Daarbij heeft hij vastgesteld dat de akte van aanstelling is verstrekt en dat het certificaat van bekwaamheid niet is verstrekt, maar dat dit document niet beschikbaar is en om die reden niet kan worden verstrekt. De korpsbeheerder heeft het bezwaar ten aanzien van de inhoud daarvan ongegrond verklaard, het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding op dat punt toegewezen.
2.2.
De rechtbank heeft allereerst overwogen dat [appellant] geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar, nu de korpsbeheerder alsnog heeft beslist op het bezwaar. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat een dergelijk belang niet kan zijn gelegen in het verkrijgen van een vergoeding van de proceskosten of vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft aanleiding gezien de korpsbeheerder te veroordelen in de proceskosten die [appellant] in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen redelijkerwijs heeft moeten maken, maar heeft geen aanleiding gezien tot vergoeding van het griffierecht, nu dit wordt geacht mede betrekking te hebben op het beroep tegen het besluit van 6 juli 2009. Ook het beroep tegen het besluit van 6 juli 2009 heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Aan het beroep van [appellant] is immers volledig tegemoetgekomen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat zij het standpunt van [appellant], dat hij recht heeft op een vergoeding van proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 322,00, omdat het indienen van bezwaar nodig was om erachter te komen dat het certificaat van bekwaamheid niet bestaat, niet deelt, omdat het besluit van 27 november 2007 niet is herroepen.
2.3.
[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van het door hem betaalde griffierecht. Het beroep richtte zich tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Dit beroep was aanvankelijk gegrond en is later, doordat de korpsbeheerder inmiddels op het bezwaarschrift had beslist, niet-ontvankelijk verklaard. Indien de korpsbeheerder geen besluit op bezwaar had genomen of als [appellant] zijn beroep had ingetrokken, had de rechtbank de korpsbeheerder wel veroordeeld in vergoeding van het griffierecht. De gevraagde proceskostenveroordeling is op dit punt door de rechtbank toegewezen.
Zij had de korpsbeheerder ook moeten veroordelen in de vergoeding van het griffierecht, aldus [appellant].
2.3.1.
Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 juni 2001 in zaak nr. 200003274/1 (AB 2001, 267), wordt ingevolge het vierde lid van artikel 6:20 van de Awb een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede gericht te zijn tegen een inmiddels genomen besluit, tenzij dat besluit aan het beroep geheel tegemoet komt. Bij toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt niet opnieuw griffierecht geheven. Dit houdt in dat het door [appellant] betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 6 juli 2009. Het enkele feit dat niet tijdig op het bezwaar is beslist, hoefde voor de rechtbank geen aanleiding te vormen om vergoeding van het griffierecht te gelasten.
2.4.
Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 27 november 2007 is herroepen, het inhoudelijke bezwaar gelet daarop gegrond had moeten worden verklaard en dat hij gelet daarop wel degelijk belang had bij zijn beroep tegen het besluit van 6 juli 2009. Eerst bij het besluit op bezwaar heeft de korpsbeheerder immers gesteld dat het certificaat van bekwaamheid niet bestaat, reden waarom de korpsbeheerder tot vergoeding van de door hem in dat kader gemaakte proceskosten dient te worden veroordeeld, aldus [appellant]. Hij verwijst ter ondersteuning van zijn betoog naar het hoger beroep van [X] met zaak nr. 200910237/1/H3. In deze zaak doet zich volgens [appellant] een vergelijkbare situatie voor, waarbij de korpsbeheerder het bezwaar wel gegrond heeft verklaard.
2.4.1.
Dit betoog faalt eveneens. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 april 2005 in zaak nr. 200407125/1 (www.raadvanstate.nl), vindt herroeping plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van het primaire besluit. In dit geval heeft het bezwaar geleid tot verbetering van de motivering, maar niet tot herroeping van dat besluit. Immers, de beslissing het certificaat van bekwaamheid niet aan [appellant] te verstrekken, is bij het besluit op bezwaar gehandhaafd. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bestaat recht op vergoeding van de kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar alleen dan, indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu het besluit van 27 november 2007 niet is herroepen, kan [appellant] geen aanspraak maken op vergoeding van de gemaakte kosten op de voet van genoemde bepaling, hetgeen meebrengt dat [appellant] geen belang had bij zijn beroep tegen het besluit van 6 juli 2009. Het door [appellant] gedane beroep op de zaak van [X] kan door de Afdeling niet worden gevolgd, nu in die zaak na het primaire besluit alsnog een document is verstrekt en zich reeds daarom geen met deze zaak vergelijkbare situatie voordoet. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 6 juli 2009 terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.5.
Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Altena lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Smissen ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2010
419–597.
Verzonden: 11 juni 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser