HR, 17-11-2017, nr. 17/02490
ECLI:NL:HR:2017:2876
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-11-2017
- Zaaknummer
17/02490
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:2876, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑11‑2017; (Cassatie)
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2018:1600
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑06‑2017
- Vindplaatsen
NLF 2017/2869 met annotatie van Yves Gassler
JOR 2018/58 met annotatie van mr. A. Steneker
NTFR 2017/2930 met annotatie van drs. R. van Haperen
FutD 2017-2878
Viditax (FutD) 2017111708
Uitspraak 17‑11‑2017
Partij(en)
17 november 2017
nr. 17/02490
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 april 2017, nr. BK-16/00507, op het hoger beroep van [X] Holding B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/3183) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft de eigendom verworven van een bedrijfsgebouw dat is ingericht voor geconditioneerde opslag en rijping van fruit. In het bedrijfsgebouw bevinden zich door de vorige eigenaar aangebrachte koel- en rijpingscellen en stellages.
2.1.2.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan, gelijk aan zes percent van € 10.135.900, zijnde het ter zake van de verwerving van het bedrijfspand betaalde bedrag. Belanghebbende heeft tegen deze voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.
2.2.
In (hoger) beroep was in geschil of de koel- en rijpingscellen en de stellages onroerend zijn in de zin van artikel 2, lid 1, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en om die reden behoren tot de grondslag voor de heffing van de overdrachtsbelasting.
2.3.
Het Hof heeft, anders dan de Rechtbank, geoordeeld dat de koel- en rijpingscellen en de stellages niet zijn aan te merken als bestanddelen van het bedrijfsgebouw in de zin van artikel 3:4 BW.
Het Hof heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat vermindering van het ter verwerving van het bedrijfsgebouw betaalde bedrag met de waarde van die koel- en rijpingscellen en stellages ertoe leidt dat overdrachtsbelasting verschuldigd is over € 8.000.000, en heeft met vernietiging van de uitspraak op bezwaar een daarmee overeenstemmende teruggaaf verleend.
2.4.1.
Het eerste middel klaagt erover dat het Hof weliswaar een oordeel heeft gegeven over de toepassing van artikel 3:4 BW, maar heeft verzuimd te beoordelen of de koel- en rijpingscellen en de stellages naar de maatstaf van artikel 3:3 BW als onroerend moeten worden beschouwd.
2.4.2.
Het middel slaagt. Blijkens diens in hoger beroep ingediende verweerschrift heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat uit de artikelen 3:3 en 3:4 BW en de op deze wettelijke bepalingen betrekking hebbende rechtspraak volgt dat de koel- en rijpingscellen en de stellages onroerend zijn. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat de Inspecteur dit standpunt ondubbelzinnig heeft prijsgegeven voor zover het gaat om de toepassing van artikel 3:3 BW. Daarom had het Hof ook een gemotiveerd oordeel moeten geven over dit standpunt van de Inspecteur. Dat heeft het Hof verzuimd, zodat zijn uitspraak onvoldoende is gemotiveerd.
2.5.1.
Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof op onjuiste of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de koel- en rijpingscellen en de stellages niet zijn aan te merken als bestanddelen van het bedrijfsgebouw.
2.5.2.
Dit oordeel geeft geen blijk van miskenning van de bij toepassing van artikel 3:4 BW aan te leggen maatstaf en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt.
2.6.
Uit hetgeen hiervoor in 2.4.2 is overwogen, volgt dat ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.
Beroepschrift 29‑06‑2017
Den Haag, [29 JUNI 2017]
Kenmerk: 2017-0000124294
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 17/02490) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 april 2017, nr. 16/00507, inzake [X] Holding B.V. te [Z] betreffende de op aangifte voldane overdrachtsbelasting.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 24 mei 2017 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middelen van cassatie draag ik voor:
I.
Schending van het Nederlandse recht, met name verzuim van vormen op straffe van vernietiging van de uitspraak van het Hof, doordat het Hof van een te beperkte geschilomschrijving in hoger beroep is uitgegaan waardoor het Hof de zaak in hoger beroep niet volledig heeft beoordeeld en/of de stelling van de Inspecteur dat op de voet van artikel 3:3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de onderhavige koel- en rijpingscellen en de stellages als onroerende zaken zijn aan te merken, onbehandeld heeft gelaten.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Inleiding
Belanghebbende maakt bezwaar tegen de voldoening op aangifte van overdrachtsbelasting over de technische installaties — koel- en rijpingscellen en stellages — die in het bij akte van levering van 12 november 2015 verkregen onroerend goed [A-STR.1] te [Z] aanwezig zijn. Volgens belanghebbende zijn deze installaties als roerende zaken aan te merken, waardoor daarover geen overdrachtsbelasting kan worden geheven als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR).
De akte van levering spreekt in dit verband slechts over de levering van het registergoed tegen een koopsom van € 10.000.000. Belanghebbende stelt bij nader inzien dus dat een deel van die € 10.000.000 — in afwijking van de notariële akte — niet is toe te rekenen aan het registergoed, maar aan roerende zaken.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar geconcludeerd dat de koel- en rijpingscellen en de stalen stellages als onroerende zaken zijn te beschouwen, waarbij hij met name verwees naar het door uw Raad gewezen arrest van 27 september 2013, nr. 12/01929, ECLI:NL:HR:2013:CA0813, inzake de warmtekrachtkoppeling (WKK). Nu reeds merk ik op dat voornoemd arrest een oordeel impliceert op de voet van artikel 3:3 BW, daargelaten de eventuele toepassing van artikel 3:4 BW.
Rechtbank Den Haag
In beroep herhaalt belanghebbende haar in bezwaar betrokken stellingen. Uit het verweerschrift van de Inspecteur komt naar voren dat hij de desbetreffende installaties onroerend acht op de voet van artikel 3:3 BW, hetzij artikel 3:4 BW. De rechtbank beslist met de Inspecteur dat de cellen en de stellages onroerende zaken zijn in de zin van artikel 2, eerste lid, WBR. De rechtbank komt hiertoe door artikel 3:4 BW van toepassing te achten — en niet artikel 3:3 BW — en de cellen en de stellages naar verkeersopvattingen als bestanddelen van het gebouw te kwalificeren.
Hof Den Haag
In hoger beroep komt belanghebbende op tegen de beslissing van de Rechtbank Den Haag inzake de duiding als bestanddelen van het gebouw. In zijn verweerschrift in hoger beroep herhaalt de Inspecteur zijn zienswijze dat in dezen de cellen en de stellages wel degelijk tot de onroerende zaken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, WBR dienen te worden gerekend. Daarbij beroept de Inspecteur zich zowel op gewezen jurisprudentie in het kader van artikel 3:3 BW als artikel 3:4 BW.
Daarenboven formuleert de Inspecteur nog eens expliciet aan het slot van zijn verweerschrift (blz. 9): ‘Ik deel niet de opvatting van de rechtbank dat een toets van het geschil aan artikel 3:3 Burgerlijk Wetboek niet meebrengt dat de zaken niet zelfstandig als onroerende zaken kunnen worden beschouwd. Steun voor deze opvatting ontleen ik aan de procedure inzake de WKK.’
Dusdoende is aan de hand van de door de beide procespartijen ingebrachte processtukken volstrekt duidelijk dat ook in hoger beroep het geschil nog steeds de vraag betreft of de koel- en rijpingscellen en de stellages als onroerende zaken in de zin van artikel 2, eerste lid, WBR zijn aan te merken.
Geschilomschrijving Hof
Het Hof omschrijft het geschil in hoger beroep als volgt. Partijen houdt in hoger beroep het antwoord op de vraag verdeeld of de koel- en rijpingscellen en de stellages naar verkeersopvattingen tot de verkregen onroerende zaak behoren.
Met die omschrijving beperkt het Hof het geschil in hoger beroep tot de vraag naar de toepassing van artikel 3:4 BW, zulks ten onrechte nu de Inspecteur immers zijn opvatting ook nadrukkelijk heeft gebaseerd op de toepasselijkheid van artikel 3:3 BW ten aanzien van de onderhavige cellen en stellages.
Hieraan doet de omstandigheid dat de Inspecteur niet expliciet (met zoveel woorden) incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank niet af. In dit verband kan o.a. worden verwezen naar het arrest van uw Raad van 12 september 2014, nr. 13/01640, BNB 2015/9, met betrekking tot cassatiemiddel II.
Voorts heeft in het vervolg van de procedure in hoger beroep de Inspecteur op geen enkele wijze zijn beroep op artikel 3:3 BW ingetrokken. Het proces-verbaal van de zitting geeft daartoe ook geen aanleiding. Integendeel, nu de Inspecteur daarbij het havenkranenarrest (nr. 10/01452, BNB 2011/83) heeft aangehaald, hetwelk ook ziet op de toepassing van artikel 3:3 BW.
Voor zover in datzelfde p-v van de zitting overigens vermeld is dat toepassing van artikel 3:3 BW in het havenkranenarrest ‘raar is’, komt deze opmerking uiteraard niet van de Inspecteur, maar is dit een ‘ontboezeming’ uit de mond van een van de rechters die zich kennelijk niet in de lijn van de jurisprudentie van uw Raad kan vinden.
Onbehandelde stelling artikel 3:3 BW
De kwestie of een zaak roerend of onroerend is, is veelvuldig aan uw Raad voorgelegd en heeft dientengevolge een rijke jurisprudentie opgeleverd. Ik wijs in dit verband, zonder naar volledigheid te streven, o.a. op de door uw Raad gewezen arresten inzake de portacabin, NJ 1998/97, de elektriciteitscentrale, BNB 1997/294, het raffinaderijcomplex, BNB 2002/374, de kabelnetten, BNB 2003/271, de grondreinigingsinstallatie, BNB 2005/211, de stacaravanchalets, BNB 2005/275, de zendmast op het flatgebouw, BNB 2007/50, de zendinstallatie, BNB 2007/51, de havenkranen, BNB 2011/83, de marina's, BNB 2012/155, en de warmtekrachtkoppeling, BNB 2013/248.
Het zwaartepunt ligt daarbij veelal op de reikwijdte van artikel 3:3, eerste lid BW, waarbij het vooral gaat om een beoordeling aan de hand van objectieve kenbare maatstaven. De subjectieve wil van koper of verkoper om vooral mobiel te kunnen zijn als het zo uitkomt, is daarbij niet echt relevant.
Zie bijvoorbeeld HR 13 mei 2005, nr. 37523, BNB 2005/211:
‘Het Hof is kennelijk tot het oordeel gekomen dat, hoewel de installatie conform de bedoeling van belanghebbende ontworpen was als een mobiele installatie, deze bedoeling onvoldoende naar buiten kenbaar was en dat uit de wèl naar buiten kenbare feiten en omstandigheden afgeleid moet worden dat de installatie bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.’
Zie ook HR 17 november 2006, nr. 41722, BNB 2007/51:
‘In de zin van artikel 3:3, lid 1, BW is een gebouw of werk slechts dan duurzaam met de grond verenigd (hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met een ander gebouw of werk) indien het, mede gelet op de bedoeling van degene door wie of in wiens opdracht het is tot stand gebracht, naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, en dit ook naar buiten kenbaar is uit bijzonderheden van aard en inrichting van dat gebouw of werk (vgl. HR 6 juni 2003, nr. 36 075, BNB 2003/271, en HR 13 mei 2005, nr. 39 429, BNB 2005/212).’
Te wijzen valt ook op de noot van Snoijink onder BNB 2007/51, waarin wordt opgemerkt:
‘Voor duurzame vereniging van gebouwen en werken met de grond, ook middellijk door een (ander) gebouw of werk, is dus steeds vereist dat zij, mede gelet op de bedoeling van de bouwer/opdrachtgever, naar aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam te plaatse te blijven. Hierin schuilt het nieuwe dat de bovenstaande arresten brengen: een belangrijke precisering van de Portacabin-maatstaven. De daar onder a genoemde maatstaf was ontleend aan het Amercentrale-arrest. Met de overige maatstaven van het Portacabin-arrest is, zo wordt thans duidelijk, het enumeratieve karakter van art. 3:3 niet doorbroken, maar alleen aangegeven aan de hand waarvan beoordeeld moet worden of gebouwen en werken naar aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven.’
Indien de via de gebouwen met de grond verenigde werken aan de hand van de naar buiten kenbare bedoeling van de bouwer of degene die de opdracht tot plaatsing heeft gegeven, bestemd zijn om daar te blijven, kan op de voet van artikel 3:3, eerste lid, BW daaraan een duiding van die (zelfstandige) werken als onroerende zaak worden gegeven. Aan een mogelijke beoordeling of sprake is van een bestanddeel van het gebouw kan dan voor de vraag roerend of onroerend voorbij worden gegaan.
Ter onderbouwing hiervan kan ook nog worden gewezen op de noot van Van
Leijenhorst onder BNB 2005/211:
‘Verhouding tussen art. 3:3, eerste lid, en art. 3:4 BW.
De opsomming van art. 3:3, eerste lid, BW is limitatief. Dit laat onverlet dat bestanddelen van een onroerende zaak tevens onroerend zijn.’
Voor het geval belanghebbende de stelling betrekt dat zonder natrekking in de zin van artikel 3:4 BW de duiding van de cellen en de stellages als onroerend niet kan, vindt deze stelling geen steun in het recht. Zie in dat verband het door uw Raad gewezen arrest BNB 2005/275, alsmede het met artikel 81, lid, 1, RO gewezen arrest van 7 maart 2014, nr. 13/03332, ECLI:NL:HR:2014:501, inzake de stacaravanchalets.
In casu is de verkoper degene die het oorspronkelijke gebouw met alle aanwezige koel- en rijpingscellen heeft gebouwd of laten bouwen dan wel een aantal rijpingscellen later heeft geplaatst of laten plaatsen waarbij het de bedoeling is, om deze naar aard en inrichting duurzaam in het gebouw te laten. Op geen enkele wijze is een andere bestemming naar buiten toe kenbaar. In het licht van de voormelde jurisprudentie van uw Raad onderschrijft dit de door de Inspecteur betrokken stelling inzake de toepassing van artikel 3:3 BW.
Illustratief is in dit kader o.a. ook de door de Inspecteur in het verweerschrift vermelde aanwezigheid van de loopbrug die voor de koelruimten is aangelegd. Deze loopbrug vormt onmiskenbaar een uiterlijk kenmerk, waaruit de intentie van de bouwer blijkt dat de koelruimten duurzaam aanwezig zullen zijn. Die intentie volgt overigens ook uit de bouwtekening en uit de ‘beschrijving van de leveringsomvang’. Ook valt nog te wijzen op het door de Inspecteur aangedragen taxatierapport ten behoeve van de aankoopfinanciering, waarin sprake is van een gebouw met geconditioneerde ruimten, dat wil zeggen dat per ruimte de temperatuur en/of de luchtvochtigheid afzonderlijk kan worden ingesteld. Het pand is specifiek gebouwd voor de vorige eigenaar.
Het standpunt van de Inspecteur dat de koelruimten, rijpingscellen en de stellages op de voet van artikel 3:3, eerste lid, BW als onroerende zaken zijn aan te merken, acht ik dan ook alleszins gewettigd dan wel zeer goed verdedigbaar.
Het Hof gaat hieraan geheel voorbij. Voor zover e.e.a. besloten zou moeten of kunnen liggen in de zinsnede van r.o. 5.1 dat ‘dit alles geldt, ongeacht of de koelen rijpingscellen en de stellages ten opzichte van het gebouw in combinatie en gezamenlijk dan wel afzonderlijk ter beoordeling in de beschouwingen worden betrokken’, vermag ik dat niet in te zien.
De uitspraak van het Hof bevat geen overwegingen inzake de naar buiten toe kenbare intentie van de bouwer om de koelruimten, rijpingscelen en stellages niet duurzaam aanwezig te laten zijn in het gebouw. De door het Hof vastgestelde verplaatsbaarheid (verwijderbaarheid) staat aan toepassing van artikel 3:3 BW niet in de weg, zoals afdoende blijkt uit de door mij aangehaalde jurisprudentie.
Conclusie middel I
Mitsdien heeft het Hof zich in hoger beroep gelet op de geschilomschrijving dan wel de behandeling in hoger beroep ten onrechte beperkt tot de beoordeling van de eventuele toepasselijkheid van artikel 3:4, eerste lid BW, terwijl de mogelijke toepassing van artikel 3:3 BW niet in de beschouwingen is betrokken. Mocht dat laatste wel besloten liggen in r.o. 5.1, dan geeft die overweging blijk van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip ‘duurzaam met de grond verenigd zijn, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken’ als bedoeld in artikel 3:3 BW dan wel indien moet worden aangenomen dat het Hof op dat punt wel van een juiste rechtsopvatting zou zijn uitgegaan, dan is dat oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
II
Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 2, eerste lid, WBR in samenhang met artikel 3:4 BW en artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de koel- en rijpingscellen en de stellages naar verkeersopvattingen geen bestanddelen van de onroerende zaak zijn, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Beschouwingen
Het Hof heeft als vaststaand aangenomen dat de koelruimten, rijpingscellen en stellages na de voltooiing van de bouw zijn aangebracht. Uit deze vaststelling, wat daarvan op zichzelf ook zij (op de bouwtekening zijn immers koelruimten, rijpingscellen en stellages ingetekend), impliceert zeker niet dat het gebouw en de werken niet in constructief opzicht op elkaar afgestemd zouden zijn. Zo ziet de ‘beschrijving van de leveringsomvang’ die al dateert van 4 april 2006 op de koelruimten en rijpingscellen, dat is ruim vóór de ingebruikname van het pand. In de pleitnota voor de rechtbank heeft de Inspecteur nog geciteerd uit de website van de verkoper, waarin wordt gemeld dat het nieuwe pand in 2007 is gereedgekomen en in gebruik genomen.
Het Hof neemt tevens in aanmerking dat de onroerende zaak probleemloos gebruikt kan worden voor algemene opslag en voor distributiedoeleinden. Het Hof gaat hier voorbij aan de pleitnota van de Inspecteur voor het Hof, waarin hij (onweersproken) heeft gewezen op het taxatierapport ten behoeve van de aankoopfinanciering, dat tot de gedingstukken behoort, waarin staat: ‘Deze vloerbelasting is voor het gebruik in groente en fruitsector passend. Voor een regulier distributiecentrum zou de vloerbelasting aan de te lage kant zijn’.
Het feit dat de koelruimten, de rijpingscellen en de stellages zonder beschadiging van betekenis kunnen worden verwijderd, is weliswaar van belang voor de vraag of sprake is van een bestanddeel door verbinding (artikel 3:4, tweede lid, BW), maar uiteraard niet voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een bestanddeel naar verkeersopvatting (artikel 3:4, eerste lid, BW).
Verwijderbaarheid op zichzelf staat immers niet in de weg aan de conclusie dat sprake kan zijn van bestanddelen van het gebouw.
De Rechtbank Den Haag heeft mijns inziens op juiste gronden in onderdeel 6 van haar uitspraak onder meer verwijzend naar de bouwtekening en de ‘beschrijving van de leveringsomvang’ tot een van het Hof tegenovergesteld oordeel geconcludeerd, omdat in dezen bij het ontbreken van de in geding zijnde apparatuur het gebouw als onvoltooid moet worden beschouwd (NJ 1993/316, Depex/curatoren Bergel) . Daarbij heeft de Rechtbank ook met recht gewezen op de aanwezigheid van dakdoorvoeren en een centraal buitenluchtaanzuigkanaal en de omstandigheid dat de cellen met het leidingenstelsel met het gebouw verenigd zijn.
Het oordeel van de Rechtbank verdraagt zich — anders dan dat van het Hof — goed met de bouwtekening waarop de koelruimten zijn ingetekend. Per cel wordt het aantal pallets vermeld en die aantallen variëren van 180 pallets tot 240 en 300 pallets. Door een verschillend volume kan de gehele ruimte tegen de achterzijde van het pand worden benut. Met betrekking tot een koelruimte van 180 pallets staan 60 palletplaatsen ingetekend. Dit betekent dat een dergelijke cel met een capaciteit van 180 pallets driehoog moet worden opgestapeld. Daarvoor zijn de stellages onontbeerlijk. De ‘beschrijving van de leveringsomvang’ maakt inzichtelijk dat de cellen in wezen geïntegreerd zijn in het gebouw, waarbij in onderdeel 8.3. van de beschrijving de machinekamer is opgenomen, terwijl in onderdeel 11.3 wordt vermeld dat de installatie wordt afgevuld met 199 kg ammoniak en met 1.800 kg CO2.
Conclusie middel II
Derhalve is in het licht van de vaststaande feiten en de gebezigde bewijsmiddelen rechtens onjuist c.q. onbegrijpelijk dat het Hof — in tegenstelling tot de rechtbank — tot het oordeel is gekomen dat de koel- en rijpingscellen en de stellages naar verkeersopvattingen geen bestanddelen van de onroerende zaak zijn.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,