Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.8.1.1:II.8.1.1 Voorwaarden voor aansprakelijkheid
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.8.1.1
II.8.1.1 Voorwaarden voor aansprakelijkheid
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460181:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Leidinggevenden kunnen onder omstandigheden persoonlijk strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor bedrijfsmatige milieudelicten. De aansprakelijkheid van de leidinggevende kan worden gebaseerd op verschillende daderschapsvormen. In paragraaf II.3 en II.5 heb ik van elke toepasselijke daderschapsvorm de achtergrond en de criteria geschetst, waarbij ik per criterium aan de hand van literatuur, jurisprudentie en de wetssystematiek handvatten heb geformuleerd voor de beoordeling van de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Verder heb ik getracht om bij iedere daderschapsvorm enkele mogelijkheden en obstakels voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden in kaart te brengen. In paragraaf II.6 stond ik nog stil bij de onderlinge verhouding tussen de daderschapsvormen, en heb ik aanknopingspunten geformuleerd om te bepalen wanneer welke daderschapsvorm het beste bij een bepaalde situatie past. Omdat voor feitelijk leidinggeven de ingangsvoorwaarde geldt dat de rechtspersoon het tenlastegelegde strafbare feit heeft begaan, is in paragraaf II.4 het daderschap van de rechtspersoon in milieustrafrechtelijke context besproken.
Paragraaf II.2 heeft drie functies. Ten eerste heb ik daar een aantal algemene aspecten van het milieustrafrecht besproken, zodat de minder ingevoerde lezers bekend zijn met de basale begrippen die nodig zijn voor de verdieping van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden in de andere paragrafen. In dit kader heb ik ook toegelicht op welke wijze bestuursrechtelijke milieuvoorschriften doorwerken in het economische milieustrafrecht. Ten tweede heb ik rekenschap gegeven van hoe ik bepaalde leerstukken interpreteer, waarbij ik ook stilstond bij de verhouding van deze interpretatie met andere opvattingen in de literatuur en heb onderbouwd waarom ik gekozen heb voor een bepaalde interpretatie. Ten derde heb ik een aantal algemene leerstukken verder uitgediept die niet onder een bepaalde daderschapsvorm te plaatsen zijn, maar die wel zeer relevant zijn voor de vraag of een leidinggevende strafrechtelijk aansprakelijk gesteld kan worden voor een milieudelict.
Eén van die leerstukken betreft normadressaatschap in kader van het milieustrafrecht. Ik stond stil bij de verhouding tussen normadressaatschap en de bestanddelen; ik besprak de functie van normadressaatschap voor het vaststellen een bepaalde daderschapsvorm; en ik gaf een overzicht van een aantal belangrijke milieunormen die (mede) zijn gericht tot natuurlijke personen met een leidinggevende functie in een milieu-inrichting. Een belangrijke uitkomst van dit onderdeel is dat in het milieustrafrecht de leidinggevende vaak ook zélf als normadressaat drager is van milieuverplichtingen. Dit is relevant voor de beantwoording van de centrale vraag van dit hoofdstuk, omdat het normadressaatschap van de leidinggevende een voorwaarde is om deze te kunnen aanmerken als pleger van een milieudelict. Voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden voor milieudelicten, is men – anders dan bijvoorbeeld bij fiscale delicten en mededingingsdelicten – dus niet aangewezen op deelnemingsconstructies.
In paragraaf II.2 is ook de schulduitsluitingsgrond ‘verontschuldigbare rechtsdwaling’ de revue gepasseerd. Een ander aspect dat aan bod is gekomen in deze paragraaf betreft de kleur die het opzet van de leidinggevende moet hebben ten aanzien van het milieudelict. In het kader van de onderzoeksvraag van dit hoofdstuk zijn dit belangrijke aspecten, omdat – zoals ook blijkt uit de bestudeerde jurisprudentie – verdachten van milieudelicten niet op de hoogte hoeven te zijn van het wederrechtelijke karakter van de gedraging. Gebleken is dat onbekendheid met de norm of de beweerdelijke onduidelijkheid van de norm, niet snel zullen leiden tot afwezigheid van alle schuld; van de verdachte adequate inspanningen mogen worden verwacht om de relevante regelgeving te kennen, zo nodig door contact op te nemen met het bevoegde gezag. Verder heb ik betoogd dat van de leidinggevende die een inrichting drijft (en die dus normadressaat is van vergunningsvoorschriften), mag worden verwacht dat deze op de hoogte is van de inhoud van de vergunning, waardoor (voorwaardelijk) opzet op de strijdigheid van de gedraging met een vergunningsvoorschrift in beginsel gegeven is. Dit laat overigens opzet op de delictsgedraging en andere bestanddelen onverlet.
Uit paragrafen II.3, II.4 en II.5 volgt dat er verschillende mogelijkheden zijn om leidinggevenden persoonlijk aansprakelijk te stellen voor milieudelicten. Per daderschapsvorm, per delict en per situatie zijn er andere omstandigheden van belang voor de aansprakelijkheid van de leidinggevenden; dat maakt het moeilijk om algemene uitspraken te doen over de mogelijkheden en obstakels voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden. Voor een overzicht van die omstandigheden verwijs ik naar (de tussenconclusies van) de eerdere paragrafen. Er zijn echter enkele algemene kenmerken van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders hier het herhalen waard.
Allereerst geldt voor elke daderschapsvorm dat de formele positie van de leidinggevende op zichzelf onvoldoende is om hem strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor een milieudelict dat is begaan in de context van het bedrijf. De feitelijke situatie is doorslaggevend; de leidinggevende zal derhalve steeds zelf op één of andere manier betrokken moeten zijn bij het begaan van een strafbaar feit; per daderschapsvorm verschilt hoe die betrokkenheid eruit dient te zien.
De betrokkenheid van de leidinggevende hoeft echter niet (maar mag natuurlijk wel) (te) bestaan uit uitvoeringshandelingen van het strafbare feit. Anders dan het commune strafrecht, waarin veel delictsgedragingen – zoals mishandeling of diefstal – een fysieke connotatie hebben, kent het milieustrafrecht weinig delicten waarvoor ideaaltypisch een ‘gewilde spierbeweging’ is vereist. De delicten zijn, zoals gebruikelijk in het economische strafrecht, toegesneden op situaties waarin de overtreding wordt begaan in de context van een onderneming. In dergelijke situaties is er vaak niet één individuele dader aan te wijzen, maar is er sprake van een samenloop van omstandigheden die een verboden situatie oplevert, waarbij op het bedrijf en bepaalde leidinggevenden de zorgplicht rust om de maatregelen te nemen om deze situatie te voorkomen. Voor de regulering van dergelijke situaties, kent het milieustrafrecht veel verboden toestand-delicten, omissiedelicten en zorgplichtbepalingen. Als er wel sprake is van een commissiedelict, hoeft de gedraging niet té fysiek geïnterpreteerd te worden. Gevolg is dat het niet-ingrijpen of het niet-betrachten van voldoende voorzorg door de leidinggevende onder omstandigheden strafbaar is.
Het is de combinatie van onder andere de adressering van milieunormen; de positie van leidinggevende en de zeggenschap en zorgplichten die daarbij ideaaltypisch gemoeid zijn; de rol die opzet speelt in milieudelicten; de functionele strekking van veel delictsgedragingen in het milieustrafrecht; en de rijke hoeveelheid milieuzorgplichten die de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden een eigen karakter geven. Dit is een ander karakter dan bijvoorbeeld de aansprakelijkheid van leidinggevenden in het kader van andere soorten strafbare feiten, en ook een ander karakter dan de milieuaansprakelijkheid van andere (rechts)personen dan de leidinggevende functionarissen binnen een onderneming.
Een belangrijke boodschap van dit hoofdstuk is dat de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden – bezien vanuit de materiële voorwaarden voor aansprakelijkheid in het milieustrafrecht en gelet op de toepassing van deze voorwaarden in de jurisprudentie – geen afgeleide, ondergeschikte of uitzonderlijke aansprakelijkheidsvorm is, maar dat natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming als persoonlijk geadresseerden van milieuvoorschriften (zelfs als pleger) strafrechtelijk ter verantwoording kunnen worden geroepen voor het schenden van milieunormen in bedrijfscontext.
Bij de bestudering van de jurisprudentie en literatuur over de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, viel op dat de aansprakelijkheid van leidinggevenden in het milieustrafrecht vaak op omslachtige wijze wordt benaderd. In paragraaf II.6 heb ik uitgelegd waarom het in veel gevallen onnodig en onhandig is om een leidinggevende aan te spreken als deelnemer in plaats van pleger van een milieudelict. In dat kader heb ik ook handvatten gegeven om te bepalen welke daderschapsvorm in een concreet geval de meest geschikte is.