In de bewezenverklaring van de rechtbank staat “ [verdachte] ”, maar dat is door het hof als kennelijke verschrijving aangemerkt en verbeterd gelezen als “ [medeverdachte 4] ”.
HR, 24-03-2026, nr. 24/01025
ECLI:NL:HR:2026:488
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-03-2026
- Zaaknummer
24/01025
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:488, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑03‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:216
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:638
ECLI:NL:PHR:2026:216, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑03‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:488
- Vindplaatsen
Uitspraak 24‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplegen verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne (art. 2.B Opiumwet) en deelneming aan criminele organisatie (art. 11b.1 Opiumwet). Afwijzing van een bij appelschriftuur gedaan, bij e-mailbericht gehandhaafd en op latere tz. in hoger beroep herhaald verzoek tot het horen van getuige, op de grond dat onaannemelijk is dat getuige binnen aanvaardbare termijn kan worden gehoord, art. 288.1.a Sv. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01023 en 24/01050.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01025
Datum 24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2024, nummer 23-001113-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Conclusie 03‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling wegens medeplegen opzettelijk handelen in strijd met art. 2.B Opiumwet en deelneming criminele organisatie a.b.i. art. 11b Opiumwet. Middel klaagt over begrijpelijkheid van oordeel hof dat het onaannemelijk is dat getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen om te kunnen worden gehoord a.b.i. art. 288.1.a Sv. Middel faalt (art. 81.1 RO). Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/01023 en 24/01050.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01025
Zitting 3 maart 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Bij arrest van 14 maart 2024 (parketnummer 23-001113-23, ECLI:NL:GHAMS:2024:638) heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem van 28 maart 2023 (parketnummer 15-291469-21) bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en met dien verstande dat het hof een kennelijke verschrijving in de bewezenverklaring van feit 2 verbeterd leest, de bewijsoverwegingen in het vonnis aanvult, de in hoger beroep gedane getuigenverzoeken bespreekt, de bewijsmiddelen in het vonnis vervangt door de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage bij het arrest en een beslissing neemt ten aanzien van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Bij voornoemd vonnis is de verdachte veroordeeld wegens 1. het “medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet”. Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01023 en 24/01050. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof om het ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gedane verzoek tot aanhouding ten behoeve van het horen van de reeds eerder toegewezen getuige [getuige 1] af te wijzen omdat dit verhoor niet binnen een aanvaardbare termijn zou kunnen plaatsvinden, onbegrijpelijk is in het licht van het verhandelde ter terechtzitting. Daaraan doet volgens de stellers van het middel niet af dat het hof daaropvolgend heeft overwogen dat de beperking in de uitoefening van de verdedigingsrechten naar het oordeel van het hof voldoende is gecompenseerd doordat de betrouwbaarheid van de getuige in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel, waaronder in het bijzonder ook de verklaringen van de verdachte zelf.
De relevante stukken
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“Feit 1
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 4 december 2019 tot en met 30 november 2021 te [plaats] , gemeente [plaats] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd, een hoeveelheid cocaïne en een hoeveelheid heroïne.
Feit 2
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 4 december 2019 tot en met 30 november 2021 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder anderen) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]1., welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 vierde, lid, Opiumwet.”
2.3
Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op in totaal 109 bewijsmiddelen.
2.4
De door het hof bevestigde bewijsoverwegingen van de rechtbank luiden als volgt:
“3.3.2 Bewijsoverweging
Inleiding
In 2019 en 2020 is via Meld Misdaad Anoniem en een anonieme brief, bezorgd bij het politiebureau in [plaats] , melding gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ), dat vermoedelijk werd gebruikt voor de handel in cocaïne en heroïne. De dealer zou de naam ‘ [naam] ' gebruiken. Er werd gesproken in de meldingen over de gebroeders […] uit [plaats] .
De ‘ [...lijn] '
De politie is in februari 2020 een opsporingsonderzoek gestart. Het nummer * [telefoonnummer 1] bleek de kenmerken te hebben van een zogenoemd ‘dealnummer'. Zo bestonden de eerste handelingen met het telefoonnummer uit SMS-berichten die naar groot aantal contacten (80-90 contacten) werden verstuurd. Dit gebeurde op de datum van ingebruikname van het nummer op 4 december 2019. Uit onderzoek naar de contacten bleek dat twintig telefoonnummers in de politiesystemen waren gekoppeld aan personen die bekend staan als drugsgebruikers. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] maakte daarnaast meerdere malen contact met de verdachte en met de broers van de verdachte: [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Het onderzoek leidde, door onder meer zogenaamde kruisvergelijkingen, tot nog vier telefoonnummers, die als dealnummers konden worden aangemerkt: [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ), [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ), [telefoonnummer 4] (hierna: * [telefoonnummer 4] ) en [telefoonnummer 5] (hierna: * [telefoonnummer 5] ). Ze werden opeenvolgend gebruikt en hadden een groot aantal dezelfde contacten. De verzonden berichten vanuit * [telefoonnummer 2] , * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 5] vermeldden onder meer ‘ [naam] actief, ‘grote ballen’, ‘ [naam] snelle service’ en ‘ [naam] topservice’. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] werd aangetroffen onder de naam ‘Sos [naam] ’ in de telefoon van [betrokkene 1] , een voor de politie bekende drugsgebruiker. Ook werd in de telefoon van [betrokkene 1] een bericht van * [telefoonnummer 3] gezien dat dit het nieuwe nummer was, gevolgd door ‘ [naam] actief’. Uit het voorgaande volgt dat er sprake is geweest van een dealerlijn onder de naam ‘ [naam] ’ (hierna: de [...lijn] ). De rechtbank ziet voorts voldoende bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte en zijn broers bij de [...lijn] . Zij overweegt daartoe het volgende.
Bevindingen telefoonnummers
Uit het onderzoek is gebleken dat de door de telefoonnummers * [telefoonnummer 1] , * [telefoonnummer 3] , * [telefoonnummer 4] en * [telefoonnummer 5] aangestraalde zendmasten zich voornamelijk bevonden in [plaats] en in de omgeving van het ouderlijk huis van de verdachte, de [ a-straat 1] te [plaats] . Alle telefoonnummers maakten contact met meerdere broers [verdachte] . Op het nummer * [telefoonnummer 5] is een tap gezet. Uit de tapgesprekken volgt dat er contact was tussen de [...lijn] en de broers [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De gesprekken duiden op drugshandel. Zo belt de [...lijn] naar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] om “pakketten” of “pakkies” te pakken uit de kast, heeft [medeverdachte 3] een gesprek met de [...lijn] over de levering en het adres van een gebruiker, en wordt bij [medeverdachte 2] gecheckt of een betaling van een gebruiker al binnen is. [medeverdachte 1] heeft de gebruiker van de [...lijn] in een gesprek aangesproken met “ [medeverdachte 4] ”. Ook voeren [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gesprekken met de [...lijn] over nieuwe klanten, over oppassen voor de politie, over de auto die de verdachte kennelijk nodig heeft en valt hier ook de naam van de verdachte. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 3] is aangetroffen in de onder [medeverdachte 3] in beslag genomen Samsung in juli 2021. Uit onderzoek aan de in beslag genomen Iphone 11 onder de verdachte in november 2021 is gebleken dat het nummer [telefoonnummer 6] (hierna: * [telefoonnummer 6] ) contact maakte met de gebruiker [getuige 1] en dat in deze chats de gebruiker zichzelf kenbaar maakte als ‘ [naam] ’. Dit nummer stond in de telefoon van [getuige 1] opgeslagen als ‘ [naam] ’.
Observaties
Uit de combinatie van observaties en tapgesprekken op het telefoonnummer * [telefoonnummer 5] volgt een duidelijke modus operandi: een drugsgebruiker belt naar * [telefoonnummer 5] , er wordt een tijd en plaats afgesproken, de camerabeelden van de [ a-straat 1] registeren kort daarna het vertrek van [medeverdachte 4] , de broer van de verdachte en het observatieteam ziet [medeverdachte 4] bij het adres van de drugsgebruiker aankomen, naar binnen gaan en korte tijd later weer weggaan. In een aantal gevallen wordt afgesproken op een parkeerplaats. [medeverdachte 4] is op meerdere momenten in het gezelschap van zijn broer [medeverdachte 1] en een enkele keer met [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] . De verdachte is een aantal keren alleen bij de woningen van drugsgebruikers waargenomen, eveneens nadat het nummer * [telefoonnummer 5] is gebeld. Er wordt gebruik gemaakt van auto’s die op naam van [medeverdachte 1] staan. Er vinden overdrachten en betalingen plaats, die worden gezien en vastgelegd door het observatieteam. Na een ontmoeting tussen [medeverdachte 4] en drugsgebruiker [getuige 1] en een ontmoeting tussen [medeverdachte 4] en drugsgebruiker [betrokkene 2] zijn deze drugsgebruikers staande gehouden. Bij hen aangetroffen drugs is in beslag genomen en onderzocht. Dit bleek bij beide personen cocaïne te zijn.
Financieel
De rekeningafschriften van de broers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tonen bijschrijvingen, veelal ronde bedragen, van bekende drugsgebruikers, die ook contact hebben gehad met * [telefoonnummer 5] . De onderzochte periode liep vanaf 1 januari 2020 en de eerste bijschrijving op een rekening van [medeverdachte 2] is van 4 januari 2020. Ook op de rekening van [medeverdachte 1] is de bijschrijving van een bedrag van een drugsgebruiker aangetroffen.
Doorzoekingen in woningen en de kluis
De politie heeft op 30 november 2021 de woning aan de [ a-straat 1] doorzocht. [medeverdachte 4] is aangehouden in een slaapkamer aan de voorzijde. De simkaart van het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] is gevonden in deze slaapkamer. Op het bed is een Nokia aangetroffen, die via het IMEI-nummer kon worden gekoppeld aan het telefoonnummer * [telefoonnummer 5] . De IMEI-nummers van drie andere in de woning aangetroffen telefoons konden worden gekoppeld aan de telefoonnummers * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 5] . In de woning zijn voorts goederen aangetroffen die verband houden met de handel in drugs, zoals weegschalen, een gripzakje met ongevouwen sealbags en contant geld. Er zijn ook gripzakjes met bolletjes aangetroffen, welke bolletjes cocaïne en heroïne bleken te zijn. Tenslotte werd er een bankpas van [betrokkene 3] , een drugsgebruiker en contact van de [...lijn] , aangetroffen. Ook in de woning aan de [b-straat] , het adres van [medeverdachte 3] , werden goederen aangetroffen die verband hielden met de handel in drugs. Dit betroffen twee weegschalen met daarin resten van cocaïne en heroïne. In de kluis die op naam van de moeder van de verdachte en broer [medeverdachte 2] stond, werd een bedrag van ruim € 30.000 aan contant geld aangetroffen.
Forensisch onderzoek
Op verschillende gripzakjes in de woning aan de [ a-straat 1] werden DNA en een vingerafdruk aangetroffen van [medeverdachte 4] . Op het elastiek rond de aangetroffen bankbiljetten is ook DNA en een vingerafdruk van [medeverdachte 4] aangetroffen. Op de weegschaal die in de woning aan de [b-straat] is aangetroffen, zat een vingerafdruk van [medeverdachte 3] en is het DNA van de verdachte aangetroffen.
Getuigen
De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] verklaren over de handelwijze van de ‘ [...lijn] ’ en de rol van de verdachte. Deze broers verklaren begin 2020 dat zij drugs afnemen bij een dealer genaamd ‘ [naam] ’ met het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] . Volgens [getuige 1] is ‘ [naam] ’ een broer van de verdachte, die een half jaar eerder bij hem drugs heeft afgeleverd. [getuige 2] heeft verklaard dat de broers werken onder dezelfde naam en dat [medeverdachte 4] degene is die vaak de drugs komt brengen, soms met de verdachte en soms met een andere broer. Op de foto die [getuige 2] heeft getoond, wordt [medeverdachte 2] als de andere broer door de politie herkend. Het betoog van de verdediging dat deze verklaringen niet tot bewijs kunnen dienen omdat zij onbetrouwbaar zouden zijn, nu het – kort samengevat – gaat om verklaringen van drugsgebruikers, wordt verworpen. De verklaringen zijn authentiek, gedetailleerd en consistent en zijn in lijn met de overige bevindingen in het dossier. Het feit dat de getuigen drugsgebruikers zijn, maakt hun verklaringen niet zonder meer onbetrouwbaar. Dat getuige [getuige 2] op een later tijdstip, bij het verhoor van de rechter-commissaris, mogelijk onder invloed en daardoor onbetrouwbaar heeft verklaard, doet niet af aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van eerder afgelegde verklaringen.
Periode
Naar het oordeel van de rechtbank kan het begin van de pleegperiode worden vastgesteld op 4 december 2019. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] is op die datum in gebruik genomen. Gebleken is dat zowel de verdachte als [medeverdachte 3] meerdere malen contact hebben met dit nummer. De simkaart van dit nummer is aangetroffen op de slaapkamer waar [medeverdachte 4] zich bevond tijdens zijn aanhouding. Ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] volgt dat zij in december 2019 al drugs kochten bij [medeverdachte 4] en de verdachte. Het telefoonnummer van de verdachte is ook aangetroffen in de telefoon van [getuige 1] onder de naam “ [naam] ”. Verder is de verdachte in juli en oktober 2021 meerdere keren door de politie gezien bij adressen van drugsgebruikers die kort daarvoor naar de [...lijn] hadden gebeld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich in de periode van 4 december 2019 tot en met 30 november 2021 bezig heeft gehouden met het verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne.
Medeplegen
Medeplegen vereist een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het met anderen voltooien van de strafbare gedraging, in dit geval het handelen in cocaïne en heroïne.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van medeplegen. Dit blijkt uit:
- het gezamenlijk gebruik dat de broers van de (telefoonnummers van de) [...lijn] maakten,
- de telefoongesprekken tussen de broers over “pakkies” en “pakketten”, over “nieuwe klanten, oppassen voor de politie”, over de verdachte die vier dagen niets heeft gedaan “waardoor de lijn kapot gaat”,
- de omstandigheid dat de op de [...lijn] bestelde drugs door [medeverdachte 4] , soms gezamenlijk met één van zijn broers, of soms door een andere broer, waaronder de verdachte, werden afgeleverd,
- het gezamenlijk gebruik van verschillende auto’s die op naam van [medeverdachte 1] stonden,
- het feit dat gebruikers hun betalingen overmaakten naar bankrekeningen van de broers.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn broers. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Criminele organisatie
Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 11b Opiumwet worden verstaan “een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is”. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.
Er moet ook worden bewezen dat de organisatie als oogmerk heeft om misdrijven te plegen. Aangezien het oogmerk voldoende is, is een gepleegd misdrijf, of strafbare poging of voorbereiding daartoe, dus niet vereist. Het oogmerk kan echter wel blijken uit de door de criminele organisatie gepleegde misdrijven. Het oogmerk moet bovendien, gelet op de duurzaamheid van het samenwerkingsverband, gericht zijn op het gedurende enige tijd plegen van misdrijven.
Voorts kan van deelneming aan een criminele organisatie slechts dan sprake zijn, indien de verdachte behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel in ondersteuning kan worden gesproken.
Voor een familie waarvan leden betrokken zijn bij criminele activiteiten, geldt dat de eigen juridische en sociale structuur op een aantal punten overeenkomsten kan vertonen met de hierboven genoemde aspecten van een criminele organisatie. Dit betekent echter niet dat indien meerdere leden van een familie tezamen misdrijven plegen, er om die reden reeds sprake is van een criminele organisatie. Daarvan is slechts sprake indien deze familiestructuur met een zekere stelselmatigheid en bestendigheid wordt ingezet om te kunnen komen tot het plegen van de strafbare feiten.
In deze zaak is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk gebleken van een dergelijke aanwending van de reeds bestaande familiestructuur door de verdachte en zijn broers, de medeverdachten. Er werd door de verdachte en zijn broers op stelselmatige wijze samengewerkt en er was sprake van een zekere rolverdeling, waarbij sommige rollen door meerdere broers werden vervuld. Het beheer van de [...lijn] was met name bij [medeverdachte 4] belegd en hij leverde ook de meeste bestellingen af, maar de [...lijn] werd soms ook beheerd door een van de medeverdachten. Het beheren van de telefoon en het afleveren van de bestellingen vereiste onderlinge afstemming, waarvan is gebleken uit de telefoongesprekken die de verdachten met elkaar voerden. Dat dit niet altijd goed ging, is gebleken uit het telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , waarin zij hun ongenoegen uiten over de verdachte, die op dat moment de [...lijn] beheerde maar vier dagen stil heeft gezeten, waardoor ‘de grote lijn’ schade leed en ‘alle grote kippen weglopen’. Tussen de [...lijn] en [medeverdachte 3] werden gesprekken gevoerd over de klanten en de prijzen. Het financiële deel verliep grotendeels via [medeverdachte 2] , die op zijn bankrekening betalingen ontving van drugsgebruikers en toegang had tot de kluis, waar een groot bedrag aan contant geld is aangetroffen. Deze wijze van betaling vereiste eveneens afstemming met de broer die de bestelling vervolgens moest afleveren. Ook deze afstemming is gebleken uit de getapte telefoongesprekken tussen de [...lijn] en [medeverdachte 2] . Voorts kreeg [medeverdachte 2] via de [...lijn] de waarschuwing om van het geld in de kluis af te blijven. In de telefoon van [medeverdachte 2] werd ook een notitie aangetroffen met daarin vermeld grote geldbedragen. Uit de bewijsmiddelen en voorgaande overwegingen volgt dat de organisatie niet alleen als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet, maar dat gedurende een langere periode door verdachte en zijn medeverdachten daadwerkelijk gezamenlijk misdrijven in de zin van voornoemde wet zijn gepleegd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie.”
2.5
De aanvullende bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt:
“Aanvullende bewijsoverwegingen
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte van een gedeelte van de tenlastegelegde pleegperiode van het onder 1 tenlastegelegde, te weten de periode tot juli 2021, dient te worden vrijgesproken. De MMA-meldingen hebben weinig waarde; de verdediging heeft geen effectieve mogelijkheid gehad om de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te ondervragen, waardoor hun verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt en niet is gebleken dat de verdachte de telefoonlijnen van de [...lijn] heeft gebruikt.
De verdediging heeft ook betoogd dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat, om te voorkomen dat het lidmaatschap van een criminele organisatie een ‘lege huls’ wordt, een duidelijk onderscheid moet (blijven) bestaan met medeplegen. Enige mate van organisatie en enige stelselmatigheid maakt nog niet dat daarmee (ook) sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Daarvoor is beduidend meer nodig. Er is in dit geval geen sprake van een criminele organisatie, omdat de organisatiegraad daarvoor onvoldoende is. Er was geen sprake van stelselmatig samenwerken, er was geen vaste rolverdeling en het ging bovendien niet altijd goed. Subsidiair, indien wel sprake is van een criminele organisatie, heeft de verdachte daaraan een onvoldoende bijdrage geleverd om van ‘deelnemer’ te kunnen spreken.
Overwegingen van het hof
De verwerping van deze verweren volgt uit de overwegingen in het vonnis van de rechtbank, die het hof als volgt aanvult.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
Het hof vult de overweging in de tweede alinea op bladzijde 5 van het vonnis, met tussenkopje ‘periode’, aan met de navolgende overweging:
Daar komt nog bij dat [medeverdachte 3] op 19 juli 2021 is aangehouden en toen een mobiele telefoon bij zich had met daarin een simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 3] , een van de nummers van de [...lijn] . Gebleken is dat deze mobiele telefoon vanaf 4 december 2019 actief was en dat van 62 van de contacten in die telefoon politieregistraties met betrekking tot het gebruik van of de handel in harddrugs bekend waren. Ook is gebleken (zoals al overwogen in de door het hof overgenomen overwegingen van de rechtbank) dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] , een van de andere nummers van de [...lijn] , ook vanaf 4 december 2019 actief was. Dit telefoonnummer is gedurende een periode van ongeveer drie maanden – van 4 december 2019 tot en met 7 maart 2020 – in één mobiele telefoon actief geweest. Al vanaf 4 december 2019 is met deze mobiele telefoon en dit telefoonnummer een groot aantal ‘SMS-bommen’ gestuurd naar een groot aantal contacten die merendeels bekend staan als (hard)drugsgebruikers. Gedurende de voornoemde periode is ook contact geweest met het telefoonnummer van [medeverdachte 3] (347 keer), de verdachte (154 keer), [medeverdachte 1] , en veelvuldig met het ouderlijk huis van de verdachte en zijn broers. De intensiteit van deze contacten past bij het betrokken zijn bij de gezamenlijke drugshandel.
Het bovenstaande is redengevend voor het bewijs dat de verdachte al vanaf 4 december 2019 bij de handel in verdovende middelen via de [...lijn] betrokken was. De verdachte heeft voor het bovenstaande geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Het hof vult de overweging op bladzijde 5 en 6 van het vonnis, met tussenkopje ‘criminele organisatie’, aan met de navolgende overweging:
Een verschil tussen het ‘gewone’ medeplegen en lidmaatschap van een criminele organisatie is de mate van duurzaamheid van de samenwerking en het bestaan van een structuur daarin. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat de verdachte en zijn broers zich gedurende een periode van bijna twee jaren bezig hebben gehouden met het exploiteren van diverse (opeenvolgende) telefoonlijnen waarop verdovende middelen konden worden besteld. De broers werkten daarbij samen, zetten elkaar onder druk om hun taken op een goede wijze te kunnen uitvoeren en hadden elkaar voor het verkopen van de verdovende middelen nodig, zodat zij allen hetzelfde doel nastreefden, namelijk het in stand houden van de organisatie waarin harddrugs werden verhandeld. Daartoe traden de broers gedurende de gehele periode naar buiten als één entiteit, namelijk ‘ [naam] ’. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof dan ook van oordeel dat de organisatiegraad niet zodanig (beperkt) is geweest, en de samenwerking niet zodanig beperkt geordend en geregeld was dat dit in de weg staat aan het aannemen van het bestaan van een organisatie, die werd gevormd door de verdachte en zijn broers en die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetmisdrijven als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet. Gelet op hetgeen in het vonnis is overwogen, heeft de verdachte aan die organisatie actief deelgenomen.
Tot slot overweegt het hof nog het volgende. Artikel 11b van de Opiumwet strekt mede ertoe de samenleving te beschermen tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties gericht op het plegen van Opiumwetdelicten. Gelet op de ontwrichtende werking die van een continu opererende organisatie als die van de gebroeders […] uitgaat, acht het hof het niet onbegrijpelijk om het lidmaatschap daarvan als afzonderlijk strafbaar feit te vervolgen. Daarmee verwordt deze bepaling uit de Opiumwet dus ook niet tot een ‘lege huls’.”
2.6
In het middel wordt allereerst aangevoerd dat het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is dat de getuige [getuige 1] binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord niet begrijpelijk is in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, nu daaruit volgt dat het de advocaat-generaal bij het hof is opgevallen dat de getuige door de raadsheer-commissaris op een ander adres is opgeroepen dan tijdens het onderzoek door de getuige is opgegeven en dat oproeping op het van de getuige bekende adres van de daklozenopvang aan de [c-straat] in [plaats] niet is geprobeerd.
2.7
Ten aanzien van de getuige [getuige 1] geldt het volgende. In eerste aanleg heeft de rechter-commissaris het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen toegewezen. Het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 18 januari 2023 vermeldt over het horen van deze getuige het volgende:
“Bij het controleren van de GBA-gegevens van [getuige 1] is gebleken dat hij ingeschreven staat op de [d-straat 1] te [plaats] , wat echter een briefadres is. [getuige 1] is opgeroepen om te verschijnen voor het getuigenverhoor dat gepland stond op 11 oktober 2022, maar is niet verschenen.
De griffier heeft contact opgenomen met de politie om na te vragen of zij weten waar [getuige 1] verblijft. Zij gaven aan dat zij [getuige 1] niet kunnen bereiken nu hij dakloos/zwervende is en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
[getuige 1] is nogmaals op eerdergenoemd GBA-adres opgeroepen om te verschijnen op 10 januari 2023, maar ook deze keer is hij niet verschenen.
De rechter-commissaris heeft nog aan zijn broer, [getuige 2] , die ook als getuige gehoord is in deze strafzaak, gevraagd of hij weet waar [getuige 1] verblijft. Hierop heeft [getuige 2] aangegeven dat hij geen contact heeft met zijn broer.
De rechter-commissaris is naar aanleiding van bovenstaande van mening dat de getuige [getuige 1] niet gehoord kan worden binnen een redelijke termijn.”
2.8
In eerste aanleg heeft de rechtbank de verklaringen van deze niet door de verdediging ondervraagde getuige voor het bewijs gebruikt.
2.9
De raadsman van de verdachte heeft bij appelschriftuur van 20 april 2023 verzocht om – onder meer – [getuige 1] als getuige te horen. Bij e-mailbericht van 8 juni 2023 heeft de raadsman van de verdachte aan het hof te kennen gegeven dat de verdediging persisteert bij de bij appelschriftuur geformuleerde onderzoekswensen. Het hof heeft het verzoek tot het horen van – onder meer – getuige [getuige 1] bij beslissing van 20 juni 2023 toegewezen en de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris.
2.10
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 16 januari 2024 blijkt het volgende:
“Getuige [getuige 1] is bij dagvaarding van 29 november 2023 op het adres [d-straat 1] te [geboorteplaats] opgeroepen om op 16 januari 2024 voor de raadsheer-commissaris te verschijnen en te worden gehoord als getuige. De dagvaarding is niet uitgereikt aan de geadresseerde, omdat op het adres niemand werd aangetroffen. De griffier heeft het adres gecontroleerd in het BRP-systeem op 19 december 2023. Op 21 december 2023 heeft de griffier een brief gestuurd op het adres Zijsingel 22 te [plaats] , omdat uit het BRP-systeem bleek dat getuige [getuige 1] per 9 november 2023 daar staat ingeschreven. De getuige [getuige 1] is zonder bericht niet verschenen op 16 januari 2024.
[…]
De raadsheer-commissaris heeft, na overleg met de verdediging en de advocaat-generaal, besloten om de als reservedatum gereserveerde dag voor de getuigenverhoren op 23 januari 2024, niet te benutten. Getuige [getuige 2] is vooralsnog onbereikbaar is, de termijn voor dagvaarding van getuige [getuige 1] tot de reservedag is te kort en er is geen zicht op de terugkeer van de getuigen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] naar Nederland. Het horen van de getuigen op 23 januari 2024 is daarmee de facto onmogelijk. De raadsheer-commissaris is bekend met de zittingsdatum van 7 februari 2024. Gelet op de korte tijdspanne is het alsnog horen van de getuigen door de raadsheer-commissaris niet mogelijk.
De raadsheer-commissaris geeft de zittingscombinatie in overweging om de getuigen op te roepen voor de zitting, waar zij als getuige zouden kunnen worden gehoord.”
2.11
Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2024 vermeldt vervolgens:
“De voorzitter maakt melding van de volgende bij het hof ingekomen stukken:
- een proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2024, opgemaakt door de raadsheer- commissaris;
- een proces-verbaal van bevindingen van 16 januari 2024, opgemaakt door de raadsheer- commissaris;
- een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 januari 2024.
De voorzitter vat de inhoud van voornoemde processen-verbaal van bevindingen en de daarop volgende gang van zaken als volgt samen:
In het proces-verbaal van 16 januari 2024 heeft de raadsheer-commissaris gerelateerd dat de getuigen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [getuige 1] en [getuige 2] niet bij de geplande getuigenverhoren zijn verschenen. Daarom is op 18 januari 2024 een voorzittersbevel afgegeven, strekkende tot het voor de terechtzitting oproepen van voornoemde getuigen. De medeverdachten zijn heden ter terechtzitting verschenen, evenals [medeverdachte 2] . De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn vandaag echter niet verschenen.
De advocaat-generaal deelt ten aanzien van de getuigen mede:
Voor het vinden van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] heb ik contact gehad met de officier van justitie en de politie in [plaats] . De politie heeft mij gezegd dat [getuige 1] niet meer in [plaats] wordt gezien en dat de politie ervan uitgaat dat hij in [plaats] rondzwerft. Mij is ook opgevallen dat [getuige 1] door de raadsheer-commissaris is opgeroepen op een ander adres dan tijdens het onderzoek door [getuige 1] is opgegeven. Oproeping op het van [getuige 1] bekende adres van de daklozenopvang aan de [c-straat] in [plaats] is niet geprobeerd.
Wat betreft [getuige 2] is het verhaal anders. Ik lees de berichten voor die ik van de officier van justitie en de politie heb ontvangen. Deze leg ik per e-mailbericht aan het hof over.
De advocaat-generaal stuurt aan de griffier een e-mailbericht van 7 februari 2024. Dit e-mailbericht wordt in het dossier gevoegd.
Het onderzoek wordt kortstondig onderbroken, zodat de verdachte kan overleggen met zijn raadsman. Het onderzoek wordt vervolgens hervat.
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt naar voren te brengen ten aanzien van de getuigen. Hij deelt mede:
De verdediging persisteert bij het verzoek om [getuige 1] en [getuige 2] te horen. Voor mijn cliënt gaat het om de pleegperiode; hij wil verantwoordelijkheid nemen voor zijn aandeel, maar niet voor het hele verhaal. Het gaat om de vraag: vanaf wanneer is mijn cliënt te pinpointen op de tijdlijn? Als het openbaar ministerie en het hof aangeven dat zij de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet voor het bewijs bezigen, kan de zaak doorgaan. Het verzoek om [medeverdachte 4] te horen, komt dan te vervallen. De verdediging wenst [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] nog wel te horen. De primaire conclusie van het verweer zal zijn dat een pleegperiode vanaf juli 2021 bewezen kan worden. De subsidiaire conclusie van het verweer zal zijn dat een pleegperiode vanaf het gesprek in juni 2020 bewezen kan worden. Als de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet voor het bewijs worden gebruikt, dan heeft de verdediging geen belang bij het horen van [medeverdachte 4] .
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op de raadsman. Hij deelt mede:
Ik ben verbaasd over de opstelling van de raadsman, omdat het lijkt op handjeklap. Ik wil in de zaken tegen alle verdachten de bewezenverklaring van de gehele tenlastegelegde periode vorderen, omdat daar goede redenen voor zijn. Ik volg de raadsman hierin dus niet. Vast te stellen is dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] belangrijk zijn voor de bepaling van de pleegperiode. Maar ik ben nog helemaal niet toe aan het vaststellen van de pleegperiode of een eventuele bewezenverklaring. Ik wil de verdachte eerst confronteren met de 100 bewijsmiddelen die in het vonnis zijn opgenomen. Als de verdachte werkelijk met de billen bloot gaat, dan dient hij te vertellen wat er is gebeurd.
De verdachte verklaart:
U, voorzitter, vraagt of ik vandaag een verklaring zal afleggen. Ik wil wel deels met mijn billen bloot met betrekking tot mijn aandeel, maar indien nodig zal ik mij wel op mijn verschoningsrecht beroepen. Ik wil alleen over mijzelf verklaren. U, voorzitter, vraagt wie er gedurende de gehele periode gebruik heeft gemaakt van de [...lijn] . De [...lijn] zou gedurende een hele lange periode gebruikt kunnen zijn, maar ook een hele korte. Voor mij persoonlijk is het heel kort geweest en ik wil niet over anderen verklaren.
De advocaat-generaal deelt mede:
De zitting begon veelbelovend, maar de verdachte wil helemaal geen openheid van zaken geven en schoon schip maken. Er wordt een spel gespeeld om er misschien genadig vanaf te komen. De verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn belangrijk voor het bewijs, met name voor de periode voordat het bewijs vanaf de zomer in 2021 door middel van observaties en tapgesprekken werd verzameld. Ik verzoek het hof om de zaak niet aan te houden om de getuigen opnieuw op te roepen. De verhoren kunnen achterwege worden gelaten, omdat gesteld kan worden dat het niet waarschijnlijk is dat de getuigen binnen een korte termijn gehoord kunnen worden. Dat baseer ik op hun verleden: gebleken is dat het buitengewoon moeilijk is om hen te pakken te krijgen, ook voor de politie. Het lijkt mij buitengewoon onwaarschijnlijk dat zij op een volgende zitting wel verschijnen. Er is een kans dat zij bij de raadsheer-commissaris aanwezig zullen zijn, als dat goed gecoördineerd wordt, maar ter terechtzitting verschijnen zal niet gebeuren.
[getuige 2] is reeds bij de rechter-commissaris gehoord en kon dus door de verdediging bevraagd worden. Niemand weet waar [getuige 1] is, waardoor het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat hij op de zitting komt. Ook bij het uitblijven van hun verhoren zal het proces als geheel eerlijk zijn. Er zijn andere bruikbare bewijsmiddelen, dus we zijn niet geheel van hun verklaringen afhankelijk. Mijns inziens kan het verhoor van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] achterwege blijven en kan met de behandeling van de zaak door worden gegaan. Als zij wél gehoord moeten worden, heeft het mijn voorkeur om dat bij de raadsheer-commissaris te laten doen, zodat het openbaar ministerie en de politie alles in het werk kunnen stellen dat zij daar aanwezig zullen zijn.
De jongste raadsheer merkt op dat het adres van [getuige 1] aan de [e-straat 1] te [plaats] , op welk adres hij volgens het BRP-systeem per 9 november 2023 staat ingeschreven en naar welk adres de griffier van de raadsheer-commissaris op 21 december 2023 de oproeping voor het verhoor heeft gestuurd, een adres is van het Leger des Heils en dat de eerdere adressen van [getuige 1] door de inschrijving op dat adres achterhaald kunnen zijn.
De raadsman deelt mede:
De verdediging persisteert bij het verzoek om [getuige 1] en [getuige 2] te horen.
Het onderzoek wordt onderbroken voor beraad in de raadkamer.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissingen en overwegingen van het hof mede:
- dat het hernieuwde verzoek tot het horen van [getuige 1] wordt afgewezen. Van de getuige is, zoals blijkt uit het proces-verbaal bevindingen van de raadsheer-commissaris, een nieuw BRP-adres bekend aan de [e-straat 1] te [plaats] , dat een opvanglocatie van het Leger des Heils blijkt te zijn. Aan de oproeping aan dit adres voor zijn getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris heeft hij geen gehoor gegeven. De eerdere bekende adressen aan de [c-straat] en de [d-straat 1] te [plaats] kunnen als achterhaald worden beschouwd. Uit de berichten van de politie blijkt dat de getuige in [plaats] rondzwerft. Het hof overweegt dan ook dat dit alles tezamen genomen maakt dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen om te kunnen worden gehoord;”
2.12
Het hof overweegt in zijn arrest van 28 maart 2023 het volgende over het niet horen van getuige [getuige 1] en het gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs:
“Getuigenverzoeken
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep hernieuwde verzoeken tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] gedaan. [getuige 2] is al in het bijzijn van de raadsman van de verdachte gehoord door de rechter-commissaris. Voor een nader verhoor van [getuige 2] ziet het hof geen noodzaak, ook niet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd. Zoals ter terechtzitting met betrekking tot [getuige 1] is overwogen is het, mede gelet op de bevindingen van de raadsheer-commissaris en de nadere toelichting van de advocaat-generaal, onaannemelijk dat hij binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen om als getuige gehoord te kunnen worden. Daarom wordt ook het verzoek om hem te horen afgewezen.
Dat betekent dat de verdediging het ondervragingsrecht ten aanzien van [getuige 1] niet heeft kunnen uitoefenen en ten aanzien van [getuige 2] niet opnieuw heeft kunnen uitoefenen. Dat brengt niet mee dat hun verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Deze beperking in de uitoefening van de verdedigingsrechten is voldoende gecompenseerd, doordat de betrouwbaarheid van deze getuigen in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel, waaronder in het bijzonder ook de verklaringen van de verdachte zelf. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] een onderschikte rol spelen in de bewijsvoering, nu de verdachte – zo begrijpt het hof uit zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring – heeft erkend dat hij via de [...lijn] in verdovende middelen heeft gehandeld, uit het dossier blijkt van welke vijf telefoonnummers de [...lijn] (opeenvolgend) gebruik maakte en de getuigen het gebruik van twee van die telefoonnummers slechts hebben bevestigd. Ook omtrent de pleegperiode bieden de getuigen slechts een geringe ondersteuning aan de overige bevindingen in het dossier.
Het gewicht van deze bewijsmiddelen in de bewijsconstructie als geheel is beperkt, het hof is behoedzaam met deze bewijsmiddelen omgegaan en constateert dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het hof is daarom van oordeel dat sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en ziet geen noodzaak alsnog getuigen te horen.”
2.13
De verklaringen van de getuige [getuige 1] die het hof – evenals de rechtbank – voor het bewijs heeft gebezigd hebben de volgende inhoud:
“2. Een proces-verbaal van bevindingen van 16 januari 2020, doorgenummerde pagina’s 69-70 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisanten, of één van hen:
Op 16 januari 2019 [het hof begrijpt: 2020] waren wij, verbalisanten, te [plaats] . [getuige 2] verklaarde ons desgevraagd het volgende: “Ik kom net hier samen met mijn broertje, [getuige 1] . Wij parkeerden onze auto in de De Weerdstraat. Direct werden wij aangesproken door een jongen. Die jongen zou [naam] heten. [naam] wilde 10 euro hebben van [getuige 1] . Ik weet het telefoonnummer van [naam] , dat is [telefoonnummer 1] ”.
Ik sprak met [getuige 1] . Hij verklaarde mij het volgende: “Ik ken de jongen als een broer van [verdachte] . Ik heb met [verdachte] op school gezeten en ken via die weg ook zijn broertjes. Hij biedt heel vaak drugs bij mij aan”.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 januari 2020, doorgenummerde pagina’s 76-77 van het einddossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:
Op 18 januari 2020 omstreeks 13.20 uur hoorde ik telefonisch [getuige 1] ( [getuige 1] ) [getuige 1] . Hij verklaarde chronologisch samengevat dat:
[getuige 1] sinds ongeveer 1 jaar, een keer in de twee weken, drugs afneemt van iemand met de naam [naam] ;
deze ‘ [naam] ’ bijna elke keer zelf langs komt als [getuige 1] belt met een bestelling;
[getuige 1] de bestelling doet via telefoonnummer [telefoonnummer 1] ;
ongeveer een half jaar geleden [verdachte] bij hem aan de deur kwam voor de aflevering van de bestelling;
hij [verdachte] kent van vroeger van school;
[verdachte] vertelde dat hij die keer langs kwam in plaats van zijn broer.”
De bespreking van het middel
2.14
Het hof heeft overwogen dat het “onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen om te kunnen worden gehoord”. Daarmee heeft het hof de afwijzing van het getuigenverzoek gebaseerd op art. 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv, welke bepaling op grond van art. 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing is. Art. 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv luidt:
““De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:
a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.”
2.15
Over de toepassing van de afwijzingsgrond van art. 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466 onder meer het volgende overwogen:
“2.4.4. Toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. De mogelijkheid om op grond van die bepaling af te zien van het oproepen van de getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dit volgt onder meer uit de jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht. Deze rechtspraak houdt, voor zover hier van belang, het navolgende in.
2.4.5.
Waar het gaat om zogenoemde “prosecution witnesses” houdt de rechtspraak van het EHRM in, kort gezegd, dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van de getuige moet worden voorondersteld. Dat betekent echter niet dat elk (herhaald) verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Er kan een “good reason for the witness’s non-attendance” bestaan. Zo’n goede reden kan zijn gelegen in “the witness’s absence owing to unreachability”. Het bestaan van deze laatstgenoemde reden is niet afhankelijk van het belang van de verklaring, maar wordt bepaald door – kort gezegd – de inspanningen van de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. Het EHRM heeft hierover het volgende overwogen in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10):
“120. In cases concerning a witness’s absence owing to unreachability, the Court requires the trial court to have made all reasonable efforts to secure the witness’s attendance (see Gabrielyan v. Armenia, no. 8088/05, § 78, 10 April 2012; Tseber v. the Czech Republic, no. 46203/08, § 48, 22 November 2012; and Kostecki v. Poland, no. 14932/09, §§ 65 and 66, 4 June 2013). The fact that the domestic courts were unable to locate the witness concerned or the fact that a witness was absent from the country in which the proceedings were conducted was found not to be sufficient in itself to satisfy the requirements of Article 6 § 3 (d), which require the Contracting States to take positive steps to enable the accused to examine or have examined witnesses against him (see Gabrielyan, cited above, § 81; Tseber, cited above, § 48; and Lučić v. Croatia, no. 5699/11, § 79, 27 February 2014). Such measures form part of the diligence which the Contracting States have to exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner (see Gabrielyan, cited above, § 81, with further references). Otherwise, the witness’s absence is imputable to the domestic authorities (see Tseber, cited above, § 48, and Lučić, cited above, § 79).
121. It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (see Tseber, cited above, § 49). However, it is clear that they must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Prăjină v. Romania, no. 5592/05, § 47, 7 January 2014; and Lučić, cited above, § 79) and must, as a rule, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, cited above, § 83; Fąfrowicz, cited above, § 56; Lučić, cited above, § 80; and Nikolitsas, cited above, § 35).”
2.4.6.
Als de rechter een door een getuige al afgelegde belastende verklaring voor het bewijs wil gebruiken, terwijl de verdediging ondanks het nodige initiatief niet het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, moet de rechter nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Van belang hierbij zijn, naast (i) het bestaan van een goede reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.12.2.)”
2.16
Samenvattend houden de weergegeven stukken het volgende in over de inspanningen die zijn verricht om de getuige [getuige 1] te horen. Deze getuige is (i) twee keer is opgeroepen door de rechter-commissaris op het destijds van de getuige bekende BRP-(brief)adres [d-straat 1] in [plaats] , (ii) de rechter-commissaris heeft de politie gevraagd of zij de getuige kunnen bereiken en (iii) heeft geïnformeerd bij de broer van de getuige naar de verblijfplaats. De raadsheer-commissaris heeft de getuige (iv) wederom opgeroepen op het adres [d-straat 1] in [plaats] en vervolgens (v) op diens nieuwe BRP-adres [e-straat 1] in [plaats] . Ten slotte heeft het hof (vi) nogmaals de getuige opgeroepen op dit adres, terwijl (vii) de advocaat-generaal nog een keer heeft geïnformeerd bij de politie naar de verblijfplaats van de getuige. Daarbij geldt dat het tijdsverloop tussen de verrichte inspanningen van de raadsheer-commissaris en de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep (zeer) beperkt is.2.
2.17
Meer specifiek heeft het hof op basis van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 16 januari 2024 vastgesteld dat de getuige per 9 november 2023 over een nieuw BRP-adres beschikt, te weten [e-straat 1] te [plaats] . Het hof heeft vastgesteld dat dit adres een opvanglocatie van het Leger des Heils betreft. De getuige is op 21 december 2023 door de griffier van de raadsheer-commissaris op dat adres opgeroepen voor het getuigenverhoor van 16 januari 2024. De getuige is daar niet verschenen. Vervolgens is op 18 januari 2024 een voorzittersbevel afgegeven, strekkende tot oproeping van de getuige voor de terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2024. Op deze terechtzitting is de getuige evenmin verschenen. Het hof heeft verder overwogen dat de eerdere bekende adressen van de getuige aan de [c-straat] en de [d-straat 1] te [plaats] als achterhaald kunnen worden beschouwd. Tot slot is door het hof overwogen dat uit berichten van de politie blijkt dat de getuige in [plaats] rondzwerft. Het hof is op grond van dit alles tezamen van oordeel “dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen om te kunnen worden gehoord”.
2.18
Het hierin besloten liggende oordeel dat de autoriteiten zich in redelijkheid alle inspanningen hebben getroost om deze getuige te horen acht ik niet onbegrijpelijk enkel op grond van de omstandigheid die in het middel wordt aangevoerd, waartoe ik mij gelet op de formulering van het middel beperk, dat de getuige niet ook is opgeroepen op een eerder door hem opgegeven adres van de daklozenopvang aan de [c-straat] in [plaats] . Het oordeel dat dit adres als achterhaald kan worden beschouwd door de latere inschrijving bij de opvanglocatie van het Leger des Heils aan de [e-straat 1] te [plaats] , hetgeen meebrengt dat redelijkerwijs niet mag worden verwacht dat de getuige op dit adres kan worden bereikt, is niet onbegrijpelijk aangezien voor de wijziging van de inschrijving in de BRP in beginsel de medewerking van de getuige was vereist.
2.19
Verder is het hof van oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof overweegt in dat verband dat de beperking in de uitoefening van het ondervragingsrecht voldoende is gecompenseerd doordat de betrouwbaarheid van getuige [getuige 1] – evenals de betrouwbaarheid van zijn broer en tevens getuige [getuige 2] – in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel, waaronder in het bijzonder ook de verklaringen van de verdachte zelf. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verklaringen van de getuige en zijn broer een onderschikte rol spelen in de bewijsvoering, nu de verdachte heeft erkend dat hij via de [...lijn] in verdovende middelen heeft gehandeld, uit het dossier volgt van welke vijf telefoonnummers de [...lijn] opeenvolgend gebruik heeft gemaakt en de getuigen slechts het gebruik van twee van die nummers hebben bevestigd. Voor wat betreft de pleegperiode overweegt het hof dat de getuigen [getuige 1] slechts een geringe ondersteuning bieden aan de overige bevindingen uit het dossier. Nu het gewicht van de verklaringen van [getuige 1] (en [getuige 2] ) [getuige 1] naar het oordeel van het hof beperkt is, het hof behoedzaam met deze bewijsmiddelen is omgegaan en de verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen, is naar het oordeel van het hof aldus sprake van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM.
2.20
Dat oordeel acht ik evenmin onbegrijpelijk, nu het hof – naast het bestaan van een goede reden voor niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht – heeft doen blijken stil te hebben gestaan bij het gewicht van de verklaring van de getuige binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek en het bestaan van compenserende factoren voor het ontbreken van de ondervragingsmogelijkheid. Voor wat betreft het gewicht van de verklaringen van de getuige in de bewijsvoering als geheel heeft het hof niet onbegrijpelijk overwogen dat dit gewicht beperkt is. Weliswaar zijn de verklaringen van de getuige van belang voor het begin van de bewezenverklaarde periode, maar het hof heeft in dat verband begrijpelijkerwijs overwogen dat de verklaringen slechts een geringe ondersteuning bieden aan de overige bevindingen uit het dossier. Voor wat betreft de aanvang van de bewezenverklaarde periode heeft het hof immers tevens betrokken dat het zogenoemde ‘dealnummer’ dat eindigt op * [telefoonnummer 1] per 4 december 2019 actief was en in de daaropvolgende periode van ongeveer drie maanden 154 keer contact heeft gehad met de verdachte. Voor wat betreft het bestaan van compenserende factoren voor het niet kunnen effectueren van het ondervragingsrecht heeft het hof kunnen betrekken dat de betrouwbaarheid van de getuige in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van het dossier als geheel en de verklaringen van de verdachte zelf, nu uit de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen genoegzaam kan worden afgeleid dat het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 1] een van de nummers van de [...lijn] is, dat de [...lijn] wordt beheerd door de gebroeders […] (waaronder de verdachte) en dat deze lijn al actief was voorafgaand aan het verhoor van de getuige op 18 januari 2020 (bewijsmiddel 3), blijkens onder meer de voor het bewijs gebezigde bevindingen ten aanzien van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 1] . Voor zover de stellers van het middel over dit oordeel van het hof klagen, faalt het aldus eveneens.
2.21
Het middel faalt.
3. Afronding
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad naar alle waarschijnlijkheid uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 19 maart 2024. Dat zal betekenen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase in enige mate zal worden overschreden. In het geval de overschrijding van de redelijke termijn minder dan één maand bedraagt, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.3.
3.3
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑03‑2026
Vgl. HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1216, rov. 2.5.1.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2.